Een groepje Amerikanen op leeftijd bezet vandaag een ereplaats op de vijftigste Herenigingsdag in Vietnam. Het zijn veteranen die na de oorlog zijn teruggekeerd om slachtoffers van chemische wapens en landmijnen te helpen – en zo ook zichzelf.
Door Noël van Bemmel
Fotografie Hendra Eka
De 73-jarige Rich Allen uit Kansas herinnert het zich nog goed: ‘Ik werd als 19-jarige soldaat naar Vietnam gestuurd om Zuid-Vietnamese soldaten te leren hoe ze tanks moesten onderhouden en repareren.’ Tijdens een etentje bij een collega belandde hij tegenover haar aan tafel: Huynh Thi Huong, in haar traditionele áo dài-jurk van donkergroene zijde, 19 jaar en beeldschoon. ‘Ik was op slag verliefd. We konden onze ogen niet van elkaar afhouden.’
Soldaat Rich Allen met zijn Vietnamese liefde Huynh Thi Huong.
Een telefoonnummer vragen kon niet. Maar uiteindelijk ontdekte Allen dat haar vader een souvenirwinkel runde aan het strand. Die gromde: ‘Ze zei al dat je zou komen.’ Allen en Huynh werden een stel en besloten te trouwen. Maar nog voordat het papierwerk rond was, viel het Noord-Vietnamese leger Da Nang binnen en werd Allen geëvacueerd.
‘Niemand in de VS wilde mijn verhaal horen. Ik ging drinken om haar te vergeten.’ Allen studeerde af, ging werken bij een reclamebureau, trouwde met een Amerikaanse, kreeg twee kinderen, kocht uiteindelijk een paardenranch en zweeg al die tijd over zijn Vietnamese verloofde. Totdat hij op zijn 59ste een handgeschreven brief krijgt met de tekst:
‘Mijn naam is Lena. Ik ben geboren in Da Nang in 1972. U moet mijn vader zijn.’
Rich Allen streek negen jaar geleden neer in Da Nang, waar hij zich met andere Veterans for Peace-leden inzet voor kinderen met een handicap, deels veroorzaakt door ontbladeringsmiddel Agent Orange.
Na veertig jaar zwijgen keerde de Vietnamoorlog prominent terug in Allens leven. Lena bleek al sinds haar 16de in Texas te wonen dankzij een visumregeling voor kinderen van Amerikaanse soldaten. ‘Er was geen twijfel mogelijk, ze was mijn dochter.’
Samen keerden ze in 2016 terug naar Da Nang en daar hoorde Allen wat er na 1975 met Huynh was gebeurd: omdat ze heulde met de vijand werd ze naar een heropvoedingskamp gestuurd. Hun dochter werd als ‘amerasian’ niet geaccepteerd door de gemeenschap. Allen: ‘Voor het eerst ging ik nadenken over de doorwerking van de oorlog.’
Da Nang, waar de Amerikanen tijdens de oorlog een grote basis hadden.
Allen behoort tot de genodigden, als Vietnam vandaag op grootse wijze de hereniging van Noord- en Zuid-Vietnam viert. Op 30 april 1975, zo weet iedere Vietnamees, viel de zuidelijke hoofdstad Saigon in handen van de communistische Vietcong en ontvluchtte de laatste Amerikaan de stad per helikopter. De Amerikaanse Oorlog, zoals die in Vietnam heet, was voorbij.
Vijftig jaar later is de miljoenenstad – inmiddels omgedoopt tot Ho Chi Minhstad, naar de Noord-Vietnamese leider – feestelijk versierd. Aan de gevels van oude koloniale gebouwen en nieuwe spiegelende wolkenkrabbers wapperen rode vlaggen met een gele ster en hangen posters van dappere vrijheidsstrijders met een kalasjnikov op de rug en hun blik op de toekomst. Langs de route worden honderdduizenden bezoekers verwacht, met rode vlaggetjes in hun hand, die trots zijn op de onafhankelijkheid en economische prestaties van hun land en die bovendien de afsluitende droneshow niet willen missen.
Ho Chi Minhstad is feestelijk versierd. Op 30 april wordt de hereniging van Noord- en Zuid-Vietnam gevierd.
Tijdens de 19-jarige oorlog sneuvelden naar schatting drie miljoen Vietnamezen en 58 duizend Amerikanen. Wat maar weinig mensen weten, ook niet in Vietnam, is dat de Amerikaanse Oorlog in beide landen nog steeds slachtoffers maakt. Na de oorlog stierven nog eens driehonderdduizend Amerikanen door blootstelling aan tactische ontbladeringsmiddelen als Agent Orange, waarmee het Amerikaanse leger een beter zicht op de vijand probeerde te krijgen. Circa negenduizend veteranen pleegden zelfmoord.
De getallen over Vietnam zijn nog hoger. Ruim vier miljoen Vietnamezen raakten besmet door Agent Orange of een vergelijkbaar middel, van wie honderdduizenden na de oorlog zijn omgekomen. Vooral langs de voormalige grens tussen Noord- en Zuid-Vietnam, waar miljoenen liters Agent Orange zijn gesproeid, worden nog altijd kinderen geboren zonder armen, benen of ogen, of met vervormingen. Die belanden, als ze geluk hebben, in een opvanghuis dat wordt betaald door de overheid. De meesten slijten hun dagen echter op de vloer van hun ouderlijk huis.
Een slachtoffer van Agent Orange krijgt therapie in een zorgcentrum in Hoi An.
‘Soms ben ik boos en denk ik: waarom heeft God mij dit lichaam gegeven?’, zegt de 48-jarige Nguyen Van Thien. Hij zit in een rolstoel voor een buurtcafé aan de rand van Da Nang. Of beter gezegd: hij hangt in zijn stoel, Nguyens lichaam lijkt wel een zak met losse botten. ‘Alleen mijn hoofd werkt’, zegt hij nuchter.
Nguyen speelt graag xiang qi met voorbijgangers, een soort Chinees schaak. Met een eetstokje tussen zijn tanden beweegt hij de schijven over het bord. ‘Ik was ooit districtskampioen, maar de laatste jaren gaat mijn gezondheid achteruit.’ Nguyen is niet boos op de Amerikanen. ‘De oorlog is allang voorbij, we zijn nu broers.’
Zo vergevingsgezind is zijn vader, een 85-jarige oud-verkeersagent, niet. Boos wijst Nguyen Dinh Thanh naar de bergen buiten de stad. ‘Ik zag de Amerikanen dat spul over het bos sproeien, in grote witte wolken. Dat kwam uiteindelijk hier via het water.’ Dinh en zijn vrouw kregen dertien kinderen, van wie er zeven jong stierven door geheimzinnige aandoeningen.
Ook andere Vietnamese families met een Agent Orange-slachtoffer zijn bitter gestemd, blijkt uit een bescheiden rondgang door de buurt. ‘Alle problemen komen bij ons terecht, wij hebben op 30 april niks te vieren’, zegt een moeder die vier kinderen verloor en een man verzorgt met een geestelijke handicap. De maandelijkse toelage van de overheid, 27 euro, is volgens haar niet genoeg.
Da Nang
Verderop langs de kust, in de elegante badplaats Hoi An, woont een Amerikaans slachtoffer van de oorlog. Na zijn diensttijd werd Manus Campbell (77) geplaagd door nachtmerries over een bloedige hinderlaag die hij had meegemaakt. ‘Ik dronk vaak eerst een groot glas wodka, voordat ik de deur uitging.’
Hij vindt een baan als agent, trouwt en volgt in het geheim vijftien jaar lang allerlei therapieën. Meditatie brengt een begin van verlichting. In een klooster in India, in 2006, adviseert een innerlijke stem hem terug te keren naar Vietnam. Hij is dan al gescheiden en arbeidsongeschikt verklaard.
Dat bezoek pakte goed uit, stelt hij. ‘Ik verving de beelden van het Vietnam in mijn hoofd met beelden van het Vietnam van nu.’ De oud-marinier bezoekt onder meer een weeshuis voor kinderen met een handicap, deels door Agent Orange, en vult al snel een taxi met eten, zeep en tandpasta. Sinds 2010 woont Campbell in Vietnam, waar hij vrijwilligerswerk doet in een zorgcentrum voor kinderen en tal van scholieren sponsort die anders niet naar school hadden gekund.
Veteraan Manus Campbell woont sinds 2010 in het Vietnamese Hoi An, waar hij vrijwilligerswerk doet in een zorgcentrum voor kinderen.
Ook hij is mogelijk besmet door Agent Orange. Wanneer Campbell een vriendin zwanger maakt, blijkt dat de foetus geen ledematen heeft. Later hertrouwt hij met een Vietnamese, met wie hij een stiefzoon opvoedt. ‘Door de oorlog bleef ik kinderloos, maar nu ben ik vader van heel veel kinderen’, zegt de veteraan over zijn stiefzoon en de kinderen die hij steunt.
De bekendste Amerikaan van het land is vermoedelijk Chuck Searcy. Een lange tachtiger met zilver haar die Vietnams hoogste onderscheiding voor buitenlanders heeft ontvangen voor zijn inspanningen als voorzitter van Veterans for Peace en als medeoprichter van Project Renew, twee organisaties die zich inspannen voor naoorlogse slachtoffers in Vietnam.
Chuck Searcy heeft Vietnams hoogste onderscheiding voor buitenlanders ontvangen voor zijn inspanningen als voorzitter van Veterans for Peace en als medeoprichter van Project Renew, twee organisaties die zich inspannen voor naoorlogse slachtoffers in Vietnam.
‘Ik werkte bij de inlichtingendienst’, zegt Searcy in Ho Chi Minhstad, waar hij in 1967 als 20-jarige ook werd gestationeerd. ‘Ik schreef rapporten op basis van informatie uit het veld en ontdekte dat het Amerikaanse publiek iets heel anders te horen kreeg. Ik bleek onderdeel van een grote scam. Ik schaamde me, maar ik deed er niks aan.’ Drie jaar later, op de universiteit, ontwikkelde Searcy zich tot een prominente antioorlogsdemonstrant. ‘Ik kon uit eerste hand vertellen dat het Amerikaanse publiek werd voorgelogen.’
Searcy heeft geen last van nachtmerries of herbelevingen, stelt hij. ‘Mijn rol in de antioorlogsbeweging bood een krachtige uitlaatklep, vermoed ik.’ Hij groeit uit tot een bekende voorvechter van veteranenzaken en wordt in 1995 gevraagd de modernisering van een orthopedische kliniek in Hanoi te coördineren, op kosten van hulporganisatie Usaid.
Chuck Searcy werkte als soldaat bij de inlichtingendienst in Ho Chi Minhstad, toen nog Saigon genoemd.
‘Eenmaal terug viel een last van mijn schouders. Vietnamezen zijn zó onzelfzuchtig. Ze leggen een arm om je schouder en zeggen: het is oké... Jij werd ook maar gestuurd, we zijn nu broers!’ Bijna alle veteranen die terugkeren, stelt Searcy, ervaren een vergelijkbare opluchting. Searcy verhuist als vijftiger naar Hanoi.
Meer dan honderdduizend Vietnamezen, zo ontdekt Searcy in de kliniek, zijn na de oorlog gedood of gewond geraakt door achtergebleven explosieven. Hij organiseert een bescheiden opruimoperatie ten noorden van Da Nang, wat uiteindelijk resulteert in een langdurige samenwerking met de Vietnamese overheid.
Project Renew ruimde daar in twintig jaar tijd meer dan achthonderdduizend explosieven, eerst met Amerikaanse, later met Noorse hulp. Het aantal doden door achtergebleven explosieven daalde van zeventig bewoners per jaar tot bijna nul. Searcy: ‘Ik doe dit werk niet uit een schuldgevoel. Het is meer verantwoordelijkheidsgevoel: we moeten onze schadelijke rotzooi opruimen.’
Dat geldt volgens hem ook voor Agent Orange. De VS begonnen na lang dralen in 2012 met het reinigen van vervuilde grond nabij voormalige depots, maar de toekomst van dat project is onzeker nu de Amerikaanse president Donald Trump Usaid probeert te ontmantelen. Searcy: ‘Die man is zeer schadelijk voor de goede relatie die wij de afgelopen 25 jaar hebben opgebouwd met Vietnam.’
Volgens hoogleraar hedendaagse geschiedenis Pham Hong Tung is er in zijn land nauwelijks aandacht voor de naoorlogse slachtoffers van de Amerikaanse Oorlog. ‘De mensen zijn hier heel erg gefocust op de toekomst. Vietnamese media, films en patriottische liedjes benadrukken vooral de overwinning op het Zuid-Vietnamese leger en de Amerikaanse imperialisten.’ Miljoenen doden passen volgens hem niet in de gangbare propaganda.
‘Mijn eigen vader leed aan PTSS. Hij vocht vijf jaar voor het Noord-Vietnamese leger en raakte gewond tijdens het Tet-offensief. Hij stierf in 1992, altijd boos en depressief, zonder dat de familie begreep wat er met hem aan de hand was.’
Daarbij moet worden vermeld, stelt de historicus, dat er ook weinig gelegenheid was om stil te staan bij de mentale gezondheid van de bevolking. ‘Op de Amerikaanse Oorlog volgde een grote hongersnood, een internationale boycot, een vluchtelingencrisis en nieuwe oorlogen met de Rode Khmer in Cambodja en met buurland China. Daarbij kwamen nog eens honderdduizenden Vietnamezen om.’
Pas de laatste jaren, nu het economisch goed gaat met Vietnam, ontvangen naoorlogse slachtoffers volgens de onderzoeker bescheiden hulp van de overheid. ‘Maar niet genoeg.’
En Huynh, het meisje in de groene jurk – hoe verging het haar? Na het heropvoedingskamp, zo hoorde veteraan Allen veel later, moest zij leren overleven als tweederangsburger. Ze trouwde een Zuid-Vietnamese kapitein zonder benen. ‘Die was gewelddadig en verslaafd aan heroïne. Hun kinderen verdienden bij op de vuilnisbelt. Drie zoons stierven aan een overdosis, een vierde belandde in de gevangenis. Huynh zelf overleed in 2005 aan kanker. Mijn hart brak toen ik dat allemaal hoorde.’ Met opgewekte stem: ‘Maar haar dochters raakten niet verslaafd en die zie ik nu regelmatig. Ik noem ze mijn dochters!’
Veteraan Rich Allen in het Happy Heart Cafe in Da Nang, dat hij sponsort en waar doofstomme jongeren koffie serveren.
Allen streek negen jaar geleden neer in Da Nang, waar hij zich met andere Veterans for Peace-leden inzet voor kinderen met een handicap, deels veroorzaakt door Agent Orange. De veteraan oogt gelukkig in het plaatselijke Happy Heart Cafe dat hij sponsort en waar doofstomme jongeren koffie serveren. Hij is van de drank af en hertrouwd met een Vietnamese vrouw, met wie hij twee stiefdochters opvoedt. ‘Voor mij is de cirkel rond. Ik ben op de juiste plek, op het juiste moment.’
Op 30 april is het vijftig jaar geleden dat de Amerikanen vertrokken uit Vietnam. Daarom een rondgang langs de beste en interessantste Vietnamfilms, van Apocalypse Now tot Platoon. Plus: wat is er in de tussentijd veranderd in de beeldvorming van de ‘Amerika-oorlog’?
Trumps hoge handelstarief voor Vietnam – 46 procent – sloeg in als een bom. De regering wil zo snel mogelijk een nieuw handelsakkoord sluiten.
De Amerikaanse president Joe Biden bezoekt zondag de Vietnamese hoofdstad Hanoi. Hij wil graag betere vrienden worden met Vietnam, maar dat land aarzelt uit angst voor buurland China.
Source: Volkskrant