Home

Publieksfilosoof Coen Simon: ‘We zien de wereld altijd door een bril, maar we weten niet door welke bril’

Ruim driehonderd pagina’s Descartes samenballen in een dun boekje: laat dat maar aan Coen Simon over. Hij slaagt er als geen ander in filosofie toegankelijk te maken voor een breed publiek. ‘Je hoeft helemaal niet alles te snappen.’

is mediaverslaggever van de Volkskrant. Hij schrijft vooral over televisie, podcasts en boeken.

Coen Simon is druk bezig met het uitleggen van de crux van Waarheid en methode – Hoofdlijnen van een filosofische hermeneutiek, een boek van een van zijn favoriete filosofen, de Duitser Hans-Georg Gadamer (1900-2002), als Pluis, zijn Europese korthaar, op het parket van zijn huis in Groningen kotst. ‘Dit is ook een goed voorbeeld van de werking van de hermeneutiek’, zegt hij gebogen boven het braaksel.

‘Ik dacht even dat ze moest overgeven omdat ik haar te weinig eten had gegeven’, zegt Simon met inmiddels een keukenrol in de aanslag. Wijzend naar de smurrie: ‘Maar nu zie ik dat er een dikke stengel van het een of ander in zit. Ze heeft gewoon iets verkeerds gegeten.’

Tijdens het opvegen vertelt hij wat dit alles met Gadamer te maken heeft. ‘Volgens de hermeneutiek heb je ergens een idee van betekenis over, waarna je een bepaald detail opmerkt, wat je een nieuw idee van die betekenis geeft. En dat nieuwe idee van betekenis bepaalt weer hoe je nieuwe details interpreteert.’

Die interpretatie heeft niet alleen betrekking op de gezondheid van zijn kat, maar ook op zijn zelfbeeld. ‘In dit geval zou je kunnen zeggen dat ik mezelf beschouwde als iemand die goed voor zijn kat zorgt. Toen ik vermoedde dat ik haar te weinig eten had gegeven, veranderde dat even. Maar dat herstelde zich weer toen ik de stengel zag.’ Dit proces, waarbij iemands begrip ergens van zich verdiept door telkens heen en weer te gaan tussen het geheel (in bovenstaand voorbeeld: Simons zelfbeeld) en het deel (de gezondheid van zijn kat), staat bekend als de hermeneutische cirkel.

De moeilijkste filosoof die er is

Simon heeft zojuist niet alleen een spoedcursus-Gadamer gegeven. ‘Eigenlijk heb je net ook de moeilijkste filosoof die er is uitgelegd gekregen’, zegt hij, ‘namelijk Gadamers inspiratiebron: Hegel. Volgens zijn schema heb je een idee, een these. Dan kom je iets nieuws tegen, de antithese. De versmelting van these en antithese leidt tot de synthese. Meer dan dit is het niet.’

Toch heeft Hegel in Fenomenologie van de geest ruim zeshonderd – voor de leek althans – onleesbare pagina’s nodig om die boodschap voor het voetlicht te brengen. Waarom schrijven sommige filosofen zo moeilijk? En gaat er iets verloren als hun werken door filosofen als Simon worden gepopulariseerd?

Als geen ander slaagt Simon erin om filosofie voor een breed Nederlands publiek toegankelijk te maken. Hij is hoofdredacteur van Filosofie Magazine en samen met Frank Meester initiator van de filosofische pamflettenreeks Nieuw Licht. In 2012 won Simon de Socratesbeker voor beste filosofieboek van het jaar met En toen wisten we alles – Een pleidooi voor oppervlakkigheid.

Daarnaast schreef hij nog zeventien boeken, waaronder Met Kant aan het strand – Diepgravende filosofische verhalen voor de vakantie (2006), Wachten op geluk – Een filosofie van het verlangen (2012) en Kun je buiten je eigen denken denken? – En andere vragen die je niet durfde te stellen omdat er geen antwoord op is (2024).

Tegeltjeswijsheden

Aanleiding voor het gesprek is zijn laatste boek Ik denk dat ik ben, een hervertelling van de Meditaties van René Descartes (1596-1650). ‘Toen ik dat een paar jaar geleden herlas, was ik opnieuw overdonderd’, zegt hij op zijn groene Martin Visser-bank. ‘Ik wilde dat veel meer mensen het zouden lezen. Maar ja, dat gaan ze niet doen omdat het zo ingewikkeld is. Dus besloot ik het zo op te schrijven dat lezers de geest van dit klassieke hoofdwerk helemaal kunnen snappen – én het in een avondje kunnen lezen, als pageturner.’

Meditaties is niet de enige klassieker die zal worden herverteld. Ik denk dat ik ben is de eerste titel van De originelen, een reeks die onder redactie staat van Simon. Alicja Gescinska gaat zich hierna buigen over De tweede sekse van Simone de Beauvoir en Bert Keizer over Traktaat over de menselijke natuur van David Hume.

Filosofen als Descartes worden vaak gereduceerd tot tegeltjeswijsheden óf ze worden juist een pion in de grote wetenschapsgeschiedenis, zegt Simon. ‘Aan de ene kant heb je de scheurkalenders waarop cogito ergo sum wordt geciteerd. Aan de andere kant zijn er de boeken die gaan over zijn rol in de wetenschappelijke revolutie. Hoe verhoudt hij zich tot de Verlichting? Blablabla. Daar ging het hem niet om. Hij heeft een oorspronkelijke gedachte op papier gezet omdat hij wilde dat anderen ook op die manier gingen denken.’

Eureka, ik denk dat ik ben

Simon kruipt in de huid van Descartes en beschrijft hoe hij tot misschien wel de beroemdste oneliner is gekomen van de westerse filosofie – en wat daar de vérstrekkende consequenties van zijn. ‘Ik heb mijn ogen dicht’, zo begint Simon zijn boek. ‘Wie eenmaal echt begint te twijfelen heeft geen reden meer om daarmee te stoppen.’ Uiteindelijk trekt Descartes al zijn waarnemingen in twijfel, want ‘ik zou psychotisch kunnen zijn, of op een andere manier geestesziek, waardoor ik me een koning waan terwijl ik in werkelijkheid straatarm ben.’ Vervolgens schrijft Simon: ‘Alles wat ik voor waar kan houden kan bedrog zijn. Maar eureka, ik denk dat ik ben, de bedrieger kan me niet aan mezelf laten twijfelen. Als hij me in alles misleidt, dan moet ik er wel zijn.’

De eerste keer dat Simon cogito ergo sum – ‘ik denk dus ik ben’, door filosofen als hij liefkozend afgekort tot ‘de cogito’ – las, duizelde het hem. ‘Je stuit op een waarheid waar je niet omheen kunt’, zegt hij. ‘Je weet hartstikke zeker dat je bestaat, maar je hebt geen idee wat dat betekent.’

De titel van Simons boek is niet Ik denk dus ik ben maar Ik denk dat ik ben. Hij zegt dat hij de nadruk niet legt op het enige waar mensen volgens Descartes zeker van kunnen zijn – dat ze bestaan – maar op alle twijfel en onzekerheden die uit die conclusie voortvloeien.

Simon ervaart niet dagelijks ‘een cogito-situatie’. ‘Ik vraag me niet voortdurend af wat mijn bestaan betekent, maar de cogito herinnert me wél aan de relativiteit van mijn intelligentie en kenvermogen. Als ik iets drink, kan ik wel zeggen dat het een lekkere smaak heeft, maar ik kan niet zeggen wat mijn smaak is. Ik kan niet horen hoe ik hoor. En de waarheid is altijd deels een construct. Als een partij volgens de ene peiler op twaalf zetels staat en volgens de andere op vijftien, kan dat allebei waar zijn. We zien de wereld altijd door een bril, maar we weten niet door welke bril.’

Korter, niet simpeler

De ruim 300 pagina’s van Descartes – die hij las in de vertaling uit 2022 van C.L. Vermeulen – heeft Simon gereduceerd tot 64. ‘Maar korter betekent niet altijd simpeler of slechter’, zegt Simon. Lachend: ‘Han van Ruler, dé Nederlandse Descartes-kenner, las mijn boek en zei over sommige passages: ‘Beter dan Descartes!’

Passages die hij minder relevant vond, heeft hij genegeerd. ‘En Descartes schrijft welk denkwerk hij allemaal nodig heeft gehad om tot zijn conclusie te komen. Maar als hij die conclusie eenmaal getrokken heeft, hoef jij als lezer al die stappen niet nog eens na te gaan.’

Simon waarschuwt voor ‘volledigheidsdrang’. ‘Lezers hebben vaak het idee dat ze alles van een filosoof moeten snappen om iets te snappen. Tja, dat lukt natuurlijk niet, dus beginnen ze er überhaupt niet aan. Maar je hoeft helemaal niet alles te snappen.’

Simon neemt 64 pagina’s de tijd, ‘niet om het uit te leggen of samen te vatten, maar om het te doen’. Hij wil ‘geen vertalers beledigen’, maar hij denkt dat hij met een hervertelling meer kan doen om het gedachtegoed van Descartes te verspreiden dan met weer een nieuwe vertaling. ‘Want ook al vertaal je hem geweldig, dan alsnog bereik je daar alleen de mensen mee die zijn teksten al begrijpen. En dat zijn er niet veel.’

Mijn beperkte geest

In Meditaties staan zinnen die je twee – of twaalf – keer moet lezen. Zoals: ‘Hoe onvolmaakt de manier van zijn ook is waarmee een ding objectief in het intellect bestaat door middel van een idee, het is bepaald niet absoluut niets en het kan dus ook niet uit niets voortkomen.’

Hiervan maakte Simon: ‘Dat idee, dat duidelijk niet van mijn eigen beperkte geest kan komen, kan evengoed niet uit het niets komen, want hoe kan iets nou uit niets komen? Ook een steen die niet eerder bestond kan niet uit zichzelf ontstaan. Het volmaakte moet aan het minder volmaakte voorafgaan.’

Simon heeft geprobeerd de geest, complexiteit en literaire taal van de Meditaties te bewaren. ‘Een tekst moet wel verleiden’, zegt hij. ‘Je geest- en denkkracht gaan pas functioneren als je een moeilijke passage voor je neus hebt, als je deels moet gaan raden, schreef de Duitse auteur Hermann Hesse al.’

Géén samenvatting

Daarom is Simon ook fel tegen de ‘samenvattingencultuur’. ‘Tijdens het lezen van een samenvatting vraag je je alleen maar af hoe het betoog in elkaar zit. Klopt het allemaal? Wat is de premisse, gevolgtrekking en conclusie? Bij een samenvatting hoef je niet écht te denken.’

Het boek van Simon is geen samenvatting van dat van Descartes, ook geen versimpeling, zegt hij, maar wel, en dat is ook de bestaansreden ervan, een interpretatie van de kern van het origineel. ‘De taal van filosofen – niet alleen van Descartes, maar ook van Hegel – is vaak moeilijk te doorgronden omdat zij niet schreven voor het grote publiek, maar voor vakgenoten. Dan is het cruciaal om alles zo precies mogelijk te formuleren. Ook teksten van juristen en wetenschappers zijn hierdoor vaak zo onmogelijk.’

Kritiek van Rutger Bregman

Ingewikkelde teksten kunnen de woede wekken van lezers die menen te maken te hebben met charlatans die door het gebruik van veel moeilijke zinnen alleen maar proberen te verhullen dat hun denkbeelden weinig om het lijf hebben. In 2015 schreef historicus Rutger Bregman in De Correspondent dat hij aan de universiteit heeft geleerd dat er bij ‘onbegrijpelijke teksten die diepzinnig lijken’ drie opties zijn.

1) Het is echt heel diepzinnig en je bent gewoon niet slim genoeg.

2) Het lijkt heel diepzinnig, maar het is juist oppervlakkig.

3) Het is gewoon bullshit.

In het stuk recenseerde hij de eerste pagina – verder kwam hij niet – van Verschrikkelijke kinderen van de nieuwe tijd, een boek van de Duitse denker Peter Sloterdijk dat als volgt begint:

‘De mens is het dier dat je zijn positie moet uitleggen. Tilt het zijn kop op en kijkt het over de rand van het zichtbare, dan wordt het in het nauw gedreven door onbehagen in het opene. Onbehagen is de gepaste reactie op het overschot van het onverklaarbare ten opzichte van het toegankelijk gemaakte.’

Bregman, die de tekst onder optie 2 schaart, schrijft: ‘Aha. Dus als ik het goed begrijp, dan weet de mens niet alles. En dat maakt de mens, soms, een beetje ongemakkelijk. Open deur, toch? Hoe kan een vermaard denker als Peter Sloterdijk zijn boek beginnen met zo’n banale observatie? Er moet een diepere laag zijn.’

Venijnig en vilein

Simon noemt de recensie van Bregman ‘venijnig, vilein en heel goedkoop’. ‘Ik kan me hier enorm boos over maken. Deze passage van Sloterdijk zet je enorm aan het denken, en datgene wat er volgens Bregman in staat, is juist net wat er door Sloterdijk al als bekend wordt verondersteld.’

Ten eerste negeert Bregman dat Sloterdijk hier het begrip ‘toegankelijk gemaakte’ introduceert, zegt Simon. ‘Daarmee doelt hij op dat wat door de mens bruikbaar is gemaakt via kennis en techniek, zoals een lift of een auto. Maar als mens stuiten we ook nog altijd op dat wat daarbuiten valt, het onbegrijpelijke, het onverklaarbare – dat wat wij als mensen voor waarheid aannemen blijken soms alleen maar gewoontes te zijn die een volgende generatie weer anders doet.’

Volgens Sloterdijk is onbehagen een gepaste reactie op het overschot van dat onverklaarbare. ‘Met een paar onverklaarbaarheden valt dus prima te leven, maar als het er te veel worden, voelen we onbehagen. Moeten we het onbehagen van vandaag – of dat nu komt door geopolitieke verschuivingen, klimaatverandering of secularisering – in dit licht begrijpen? Interessant!’

Simon leest niet altijd moeilijke filosofen als Sloterdijk. ‘Erasmus is een groot stilist en echt makkelijk leesbaar. Toen mijn moeder me Lof der zotheid gaf, was ik 17. Het was dan wel geen Suske en Wiske, maar ik vond dat echt leuk.’

Dromen over Hegel

De hegeliaanse dialectiek – these-antithese-synthese – viel tijdens zijn studie in Amsterdam bij Simon niet meteen in de smaak. ‘Het zei me helemaal niets. Ik vond het een abstract model.’ Van Hegels Fenomenologie van de geest snapte hij weinig. ‘In het begin was ik al blij als ik één zin ervan begreep. Maar vervolgens geeft hij voorbeeld na voorbeeld van de werking van zijn schema, waardoor je je oefent in zijn denken.’

Het klinkt ‘waanzinnig’, zegt Simon, maar hij begreep Hegel ineens nadat hij verderop in zijn studie over hem had gedroomd. ‘Ik kon die droom niet navertellen of analyseren, maar wist zeker dat ik die had meegemaakt. Toen besefte ik dat het leven zelf evenmin objectief meetbaar is. En dat is precies wat Hegel met zijn schema en Gadamer met zijn hermeneutische cirkel ons duidelijk willen maken: we ervaren en begrijpen de wereld niet vanaf een objectief punt, maar slepen altijd ons verleden met ons mee. En met iedere ervaring die we meemaken, blijft onze blik op de wereld veranderen.’

Drie lievelingscitaten van filosoof Coen Simon

‘Twee voorwerpen met dezelfde logische vorm zijn – afgezien van hun externe eigenschappen – alleen daardoor verschillend van elkaar, dat ze verschillend zijn.’ Ludwig Wittgenstein (1889-1951).

‘Dit lijkt op een tautologie die alleen maar vaststelt dat twee dingen van elkaar verschillen doordat ze verschillen. Maar ik vind dit een prachtige uitspraak omdat die ons eraan herinnert dat we in het alledaagse de neiging hebben overal concepten van te maken.’ Simon wijst naar twee stoelen: ‘Dat zijn verschillende dingen, toch worden ze allebei een stoel genoemd. Bovendien: al waren ze identiek geweest, dat de ene stoel hier staat en de andere daar, maakt al een groot verschil.’

‘De eindigheid waarin we onszelf gesteld hebben grenst steeds op elk willekeurig punt aan de oneindigheid van het fysische of metafysische zijn.’ Georg Simmel (1858-1918).

‘Ik ben niet gek, iemand anders ziet dit ook, dacht ik toen ik dit las. We leven in de schijn van een eindige werkelijkheid waarin we gebruik maken van regels, kaders en referentiepunten. Maar het bestaan als zodanig heeft geen referentiepunten. Er is geen existentieel gps dat zegt: u bent hier. Het is raadzaam om te beseffen dat ook de kleine dingen in het leven van liefde, geluk tot economie nooit volledig in kaders en definities te vatten zijn.’

‘Wanneer ik door de dichtheid van het water heen de tegels op de bodem van het zwembad zie, zie ik ze niet ondanks het water en alle weerspiegelingen; ik zie ze juist hier doorheen, door middel van hen.’ Maurice Merleau-Ponty (1908-1961).

‘Dit is een schoolvoorbeeld van de fenomenologie, waar Merleau-Ponty een van de belangrijkste representanten van is. Wat dit citaat, net als de dialectiek van Hegel, laat zien, is dat wij mensen niet boven de werkelijkheid kunnen uitstijgen. We kunnen de wereld alleen zien zoals die ons toeschijnt.’

Coen Simon: Ik denk dat ik ben – De Meditaties van René Descartes herverteld. Athenaeum; 64 pagina’s; € 15.

Luister hieronder naar onze podcast Culturele bagage. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.

Wilt u belangrijke informatie delen?
Mail naar tips@volkskrant.nl of kijk op onze tippagina.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next