Home

Op pad met Kunstwacht, herstellers van openbare kunst. ‘Oei, bijna een trekhaak tegen het monument’

Het particuliere bedrijf Kunstwacht beheert en herstelt openbare kunst voor gemeenten. In maart en april zorgen ze dat monumenten er netjes uitzien voor de herdenkingen van 4 en 5 mei. De Volkskrant ging mee naar vijf locaties.

schrijft voor de Volkskrant over beeldende kunst.

Monument bij de vuurtoren. Westkapelle, 4 april.

Soms schrikt hij wel. Als medewerker van Kunstwacht zorgt Niels Zuyderhoudt met zijn collega’s voor het onderhoud van een paar duizend monumenten en kunstwerken in de openbare ruimte. En ja, dan komt hij wel eens wrange zaken tegen. Neem de tekst ‘I am going to kill children’ die hij moest verwijderen op een lichtgevende zuil in Amsterdam Nieuw-West. Of dat ene bronzen beeld waarmee ‘iets aan de hand’ zou zijn, maar dat bij de enkels blijkt afgezaagd.

Nu zet Zuyderhoudt met een brede kwast de bank van het monument bij de vuurtoren in Westkapelle in de groene verf, terwijl zijn collega Rimmert Schreuder met een wit penseeltje de namen in de grafzerken bijwerkt. Hier geen bekladdingen, opschriften of vernielingen. Het oorlogsmonument is gewoon aan een onderhoudsbeurt toe, net als vele andere in de maanden maart en april, als alles spic en span moet ogen voor de herdenkingen op 4 en 5 mei.

Bijzonder is het monument in Westkapelle wel. En dramatisch. De 158 gestorvenen waren namelijk geen slachtoffers van de Duitse bezetting, maar van de geallieerde bevrijding. Verdronken nadat de dijken in oktober 1944 door de Engelsen werden gebombardeerd. Dat zette Walcheren onder water en daarmee de Duitse bunkers en aanvoerroutes.

De graven van de doden en een gedenksteen voor de vermisten staan nu in een halve cirkel om een groot wit kruis heen, aan de voet van de vuurtoren die door Mondriaan vele malen is vereeuwigd. Tegen de achtergrond van de blauwe bus van de Kunstwacht valt op een muurtje de tekst te lezen: ‘Wij zijn verlost maar ’t heeft uw dood gekost.’

Kantoor Kunstwacht. Delft, 28 maart.

Het gebouw langs de A13 is met zijn driedubbel glas, eigen regenwatervoorziening, warmtepompen en een dak vol zonnepanelen van de buitenkant al een kunstwerkje op zich. Als herstellingsoord van kunstwerken is het binnen niet anders. In rekken liggen bronzen plaquettes opgeslagen, aan het plafond hangt een metalen roofvogel, in het midden van de onderhoudshal restaureert een van de twintig medewerkers een gigantisch kruisbeeld. Het ruikt er naar ijzerslijpsel.

Mededirecteur Eduard Weijgers: ‘Paul Schulten en ik hebben het bedrijf in 2002 opgezet. Paul was al bezig met restaureren en conserveren van archeologische en museale objecten. In Delft. Ik heb een bedrijfskundige achtergrond. We kennen elkaar van de hockeyclub.’

Enkele jaren eerder had de gemeente hen gevraagd of ze ook niet alle openbare kunstwerken in Delft onder hun hoede wilden nemen. De gemeenteraad had namelijk erkend wel een onderhoudsplicht te hebben, maar niet de expertise om al die verschillende beelden – van hout, steen, brons, met computer gestuurde lichtjes – te onderhouden. ‘Toen hebben we een inventarisatie gemaakt om wat voor materialen en technieken het ging. De fundering, bevestiging en in wat voor staat ze verkeren. Dat was de start.’

‘Andere gemeenten kregen daar lucht van. Het heeft ons een jaar gekost om een goed plan op te stellen en een databank op te richten, die via internet voor iedereen toegankelijk is. Nu doen we voor meer dan honderd gemeenten het beheer en onderhoud van monumenten en kunst in de openbare ruimte.’

Joods Monument en Verzetsmonument. Leeuwarden, 9 april.

‘Oei, daar heb je er weer een.’ Op het Jacobijnerkerkhof kijkt Niels Zuyderhoudt met argusogen naar de Volvo C30 die met zijn trekhaak tot tien centimeter van het Joods Monument wordt geparkeerd. ‘Dat is precies wat hier regelmatig gebeurt. Kijk maar naar de beschadigingen.’ Er zitten inderdaad scheuren en butsen in de keramieken tegels. Hier en daar is een stukje afgebroken. ‘We hebben een plan opgesteld het te herstellen. Het is aan de gemeente of ze daarmee akkoord gaan.’

Dit jaar wordt de beeldengroep alleen gereinigd en beschermd: in het midden de ‘mezoeza’, het tekstkokertje dat bij een Joods huis op de deurpost hangt, maar dan vier meter hoog en van keramiek; daaromheen de drie glazen ‘dozen’ met 546 namen van vermoorde Joodse inwoners; een betegelde ‘klaagmuur’ met opschriften; en dus de zestien lage wit-blauwe tegelblokken met parkeerschade.

Het onderhoud van het monument, naast de vroegere Joodse School, is niet eenvoudig en ligt gevoelig. Op het monument zijn teksten en vlekken aangebracht met blauwe ‘inkt’, die soms moeilijk van vuil te onderscheiden zijn. Daarbij wordt het schoonmaken van de rituele steentjes op de glazen dozen in eerste instantie niet altijd door het publiek gewaardeerd. ‘Als we uitleggen waar we mee bezig zijn, snapt men het wel.’

Zuyderhoudt raakt sowieso regelmatig met belangstellenden in gesprek. ‘Bij het reinigen van het monument voor de Bijlmerramp kwam een man kijken die vertelde hoe hij de crash van nabij heeft meegemaakt. Zo’n gesprek vergeet je niet. Je krijgt meer respect. Dat je niet voor een zes moet gaan, maar een tien.’

Vierhonderd meter verderop in Leeuwarden staat op een heuveltje tussen het weelderige loof van de Prinsentuin – ‘Je komt op de mooiste locaties’ – een monument dat het verzet tijdens de WOII uitbeeldt: twee bronzen mannen die elkaar ondersteunen. De voorste aarzelt; de achterste is vastberaden.

Het onderhoud is hier minder precair. Oké, de kalkstenen sokkel met de uitgebeitelde inscriptie ‘Wol forbûke net forslein’ (Wel geslagen niet verslagen) zou op den duur wel een renovatie kunnen gebruiken. Het regenwater dat langs het brons naar beneden is gesijpeld heeft in de steen een groen spoor achtergelaten. Maar de bronzen mannen erboven staan er stabiel bij, in renovatietermen gezegd.

Terwijl Zuyderhoudt twee lege blikjes energiedrank uit de okselholte van de voorste verzetsman haalt – glimlachend: ‘Ha, statiegeld’ – legt hij uit dat het beeld met een behandeling met blanke was weer een tijdje meegaat. Voor het wat meer hardnekkige vuil (tussen de benen heeft iemand een waxinelichtje gebrand; er is kauwgom) hanteert hij een messing borsteltje of stanleymes.

Tegen de verdere oxidering van het brons valt weinig uit te voeren. ‘Is ook niet nodig. Het geeft een beeld een verleden. Dat er al een tijdje wordt herdacht.’ En daarbij is sowieso niet alles te renoveren. Het gehanteerde motto, volgens Zuyderhoudt: ‘Gaat het niet zoals het moet, dan moet het maar zoals het gaat.’

Kantoor Kunstwacht. Delft, 28 maart.

Kunstwacht onderhoudt inmiddels tussen de vijf- en zesduizend werken, waaronder zo’n zeshonderd oorlogs- en herdenkingsmonumenten. Weijgers: ‘We begonnen met een onderhoudsbus en twee mensen. Nu rijden we met tien bussen door het hele land en hebben we twintig man in dienst, van wie de meesten een specialisme hebben. Brons lassen, timmerwerk, machinebouw, gespecialiseerd in steensoorten. Medewerkers die we intern opleiden. Ervaring opdoen speelt een grote rol. Het duurt even voordat we iemand ergens zelfstandig naartoe sturen. Het is wel kunst. Dat mag niet misgaan.’

Kunstwerken in de openbare ruimte zijn kwetsbaar, weet Weijgers maar al te goed. Soms te kwetsbaar. ‘Ik noem geen namen, maar als je weet dat een werk met een bewegend glazen deel jaar in jaar uit kapot wordt gemaakt, adviseren we bijvoorbeeld het terug te geven aan de kunstenaar. Het herstel wordt te duur. Maar de gemeente beslist.’

‘Natuurlijk doen zich ook calamiteiten voor. Beelden die met bloed zijn besmeurd. Een automobilist die tegen een kunstwerk is gereden. Je kunt het zo raar niet verzinnen.’ Eén ding is volgens Weijgers wel duidelijk: sinds corona is het vandalisme ‘exponentieel’ toegenomen. Vooral het spuiten van leuzen.

Weijgers: ‘Zulke teksten zijn niet direct tegen het kunstwerk gericht. Het zijn meer uitingen van algemeen ongenoegen. Van wat er in het nieuws speelt. Tegen inenting; voor een vrij Palestina. Niet zomaar tegen de muur gespoten in een steegje, maar op een kunstwerk. Die staan toch meestal meer in het zicht.’

Wat gelukkig ook is toegenomen, wil Weijgers kwijt, is het belang dat gemeenten aan kunst in de openbare ruimte hechten. ‘Gemeenten bellen ons op dat ze bij een buurgemeente hebben gezien dat de kunst er zo goed bij staat. Dat willen zij dan ook. Ze hebben ook de plicht om er zorg voor te dragen. Misschien niet bij wet; wel als een goede huisvader.’

Nationaal Holocaust Namenmonument. Amsterdam, 18 april.

‘Eigenlijk is het een grote begraafplaats’, legt Jurn Bezemer uit. Je proeft het ontzag in zijn woorden. Al vanaf de opening van het Nationaal Holocaust Namenmonument, ruim drie jaar geleden, onderhoudt hij de gedenkplaats waar niemand ligt begraven, maar die voor velen de enige tastbare herinnering is aan hun vermoorde geliefden en familieleden. ‘Het is een eer hier te mogen werken.’

Het monument aan de drukke Wibautstraat is immens. Met zijn 102 duizend bakstenen met daarop de namen van de slachtoffers (die jaarlijks worden aangevuld); de grote spiegels daarboven; de bronzen banken, toegangspoorten en omheining; de natuurstenen gootjes en de honderden gedenksteentjes.

Elke vrijdag is Bezemer hier aan het werk. Hij is niet de enige. Dagelijks is een vaste ploeg van vrijwilligers in de weer voor het onderhoud. Ze vegen het zand tussen de steentjes, houden de paden onkruidvrij.

Voor het delicatere werk zorgt Kunstwacht. Zoals de spiegels en bronzen onderdelen, die moeten streeploos reflecterend blijven en hun mat glimmende patina behouden. Belangrijk is om alle namen leesbaar te houden – ‘Iedereen is hier gelijk’. Met name de onderste rij mag door opspattend regenwater geen troebel uiterlijk krijgen.

Op een paar urinesporen aan de buitenzijde na, zijn er geen grote beschadigingen te bespeuren. ‘Grafitti is er wel geweest, maar niet antisemitisch’, aldus Bezemer. Zorg is het om de hoeveelheid steentjes, bloemen, foto’s en andere aandenkens in de gaten te houden. ‘Wat persoonlijk is laten we langer liggen, tot het is vergaan.’

‘Het wordt druk bezocht. Ook door kinderen en scholieren. Als ze moeten zoeken naar slachtoffers van hun eigen leeftijd, blijkt het verleden toch dichtbij te komen. Geldt ook voor mij. Ik ben 46. Bij ons thuis moest iedereen zijn mond houden om 8 uur op 4 mei. Een van mijn opa’s werd te werk gesteld in Duitsland. De andere kwam om het leven bij het bombardement in Rotterdam.’

Bezemer merkt dat er ‘gelukkig’ meer wordt herdacht dan ooit. Het is voor hem een reden om het monument blijvend in een goede staat te houden. ‘We mogen niet verzwakken.’

Luister hieronder naar onze podcast Culturele bagage. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.

Source: Volkskrant

Previous

Next