Home

Elly Vleeschhouwer-Blocq: ‘Dankzij Wim heb ik alle concentratiekampen overleefd’

Elly Vleeschhouwer-Blocq is 100 jaar. Als tiener overleefde zij zeven concentratiekampen. Hoe kijkt zij terug op haar lange leven?

Elly Vleeschhouwer-Blocq kijkt liever vooruit dan achterom. Daarom voelde ze er niet voor haar oorlogservaringen op te rakelen voor een boek. Dat boek kwam er vorig jaar toch, op haar 99ste: Hij noemde mij Elly. Een kleindochter trok haar over de streep: ‘Oma, doe het voor mij!’

Hoe kijkt u terug op uw jeugd?

‘Ik heb een heerlijke en onbezorgde jeugd gehad in een warm en gezellig gezin met fantastische ouders. Mijn vader adoreerde mijn moeder. Ik was de jongste van zeven kinderen. We werden allemaal verwend met aandacht en liefde.

‘We hadden het goed; er was een dienstmeisje voor dag en nacht en we aten zes dagen per week vlees, en een dag vis. Mijn vader had een goedlopende handel in kousen en sokken. Als kind was ik vaak ziek, zwak of misselijk. In de oorlog dacht iedereen: die gaat gauw dood, maar dat hebben ze mis gehad. Ik was super slank en had bloedarmoede, want was niet zo’n goede eter – nog steeds ben ik matig in alles. Als kinderen wisten we drommels goed dat we Joods waren, maar we waren niet praktiserend. We gingen naar een openbare school en nooit naar een synagoge.’

Had u een meisjesdroom?

‘Ik wilde graag modetekenaar worden. Daar is niks van gekomen. In september 1940 ging ik naar de Tekenschool, maar een jaar later moest ik eraf. De directrice kwam de klas in en riep alle zeven Joodse leerlingen bij zich. Met tranen in haar ogen vertelde ze dat ze ons van school moest sturen. We begrepen er niets van, want we haalden goede cijfers. Ze vertelde dat als ze het bevel van de Duitse bezetter niet zou opvolgen, de hele school zou worden gesloten.

‘De beperkingen voor Joden namen steeds meer toe. Ik weet niet of ik dat nou zo erg vond. Thuis was het gezellig en liefdevol, dat telde. We draaiden plaatjes op de koffergrammofoon en dansten met jongelui die we mochten uitnodigen. We lachten en we flirtten.’

In het boek figureert één grote held.

‘Bedoel je Wim? Ik leerde hem kennen op de tafeltennisvereniging, begin 1941 kregen we verkering. Ik heet eigenlijk Esther, maar hij noemde mij Elly. In het voorjaar van 1942 stelde Wim voor om te trouwen; mochten we opgepakt en gedeporteerd worden, dan was de kans groter dat we bij elkaar zouden blijven. Na ons huwelijk ging ik bij Wim en zijn ouders wonen. Overdag werkte ik op een naaiatelier, waar ik knopen aan Duitse uniformen naaide – met dat werk zou ik gevrijwaard zijn van deportatie.

‘Maar laat op de avond van 13 januari 1943, ik lag al in bed, werd er hard op de voordeur gebonkt en kwamen twee Nederlandse agenten binnen die voor de Duitsers werkten. Ze vroegen naar Esther Vleeschhouwer-Blocq, die moest meekomen. Ik kleedde mij snel aan en deed wat spullen in een koffer. Later hoorde ik dat Wim intussen aan zijn vader had gevraagd wat hij moest doen. ‘Doe wat je hart je ingeeft’, was zijn antwoord.

‘Wim ging met mij mee. We werden naar de Hollandsche Schouwburg vervoerd en vandaar naar Kamp Vught, dat duidelijk nog niet klaar was voor gebruik; er lagen geen matrassen op de bedden en dekens waren er ook niet. En het was steenkoud.’

Kamp Vught zou het eerste van zeven concentratiekampen zijn waarin u werd opgesloten, hoe heeft de tengere en ziekelijke Elly dit kunnen overleven?

‘Wim is een belangrijke reden dat ik het heb overleefd. Dat begon er al mee dat hij met mij meeging. In Kamp Vught werden mannen en vrouwen van elkaar gescheiden, maar we konden elkaar af en toe zien. Op onverwachte momenten hoorde ik ineens zijn stem: ‘Dag Elly.’ Ook bij aankomst in Auschwitz, in juni 1944, in de chaos van een overvol perron, hoorde ik hem boven al het rumoer uit roepen: ‘Dag Elly!’ Dat gaf mij een enorme opkikker – hij leefde nog!

‘Cruciaal is geweest dat Wim ervoor heeft gezorgd dat ik in het werkcommando van Philips werd opgenomen. Het bedrijf had in Kamp Vught een werkplaats ingericht waar onder andere radiobuizen werden gemaakt. Philips had de SS-leiding om Joodse vrouwen gevraagd, want hun dunne vingers zouden hen zeer geschikt maken voor dit werk. Dat was onzin, maar zo probeerde het bedrijf ongeveer vijfhonderd Joodse vrouwen te behoeden voor deportatie.

‘Ik was niet geselecteerd voor de werkplaats. Op 15 november 1943 stond ik al op het perron om gedeporteerd te worden naar Polen, toen ik ineens uit de rij werd gehaald. Ik mocht toch bij het Philips-Kommando werken. Later hoorde ik dat Wim, zodra hij ontdekte dat ik klaarstond voor transport, naar de SS’er is gegaan die leiding gaf aan de administratie, waar hij werkte. En zei: ‘Als mijn vrouw niet wordt teruggehaald, dan ga ik met haar mee en kan ik hier dus niet meer werken.’ Die Duitser had net zo goed tegen Wim kunnen zeggen: ‘Dan ga je maar mee’, maar hij luisterde naar Wim. Kennelijk wilde hij hem niet kwijt. Iedereen was dol op Wim, zelfs deze SS’er.

‘Uiteindelijk zijn alle Joden uit Kamp Vught gedeporteerd, dus ook Wim en het Philips-Kommando, dat in alle kampen die zouden volgen bij elkaar zou blijven. Aangekomen in Auschwitz werden wij niet geselecteerd voor de gaskamers. Dat had het bedrijf in Berlijn bedongen.

‘De ergste ervaring in ruim twee jaar kamptijd was de tocht door het Reuzengebergte, op de grens van Polen en Tsjechië. Het was februari 1945, de Russen waren tot op een paar kilometer genaderd, de bommen zagen we vallen. Morgen zijn we bevrijd, dachten we, maar de kampbewakers stuurden ons in optocht de bergen in, een tocht die drie dagen en nachten zou duren.

‘In een dunne jurk en op klompen liep ik door de sneeuw. Een vrouw raakte uitgeput, anderen sleepten haar voort, maar hielden dat niet vol. ‘Laat mij maar liggen’, zei ze. Kort erna hoorden we een schot. Dat harde geluid heb ik nog heel lang gehoord. Het was een verschrikkelijke tocht. Tegelijkertijd kon ik ook genieten van de schoonheid van het berglandschap.’

Uw instelling kan ook een rol hebben gespeeld bij het overleven van de kampen.

‘Alles wat je overkomt, moet je accepteren. Zo sta ik nog steeds in het leven. Dat kunnen is een kwestie van genen. Hoe rustiger je in moeilijke omstandigheden blijft, des te beter kom je erdoorheen. Als ik iets naar vond, zoals het dertien uur lang zinloos sjouwen van stenen van de ene kant van een greppel naar de andere kant, pure pesterij, dan sprak ik mijzelf toe: ‘Elly, stop met zeuren.’ Met de vrouwen in de barak deden we alsof we gingen koken of bakken. Dan vroegen we elkaar: hoe maak jij boterkoek? Het was net alsof je iets lekkers zat te eten.’

Hoe was uw terugkeer in Nederland?

‘Schandalig. Nadat ik vrij was gekomen op 29 april 1945, heb ik nog een paar maanden in een ziekenhuis en een sanatorium in Zweden gelegen, met dubbele tbc. In de zomer kwam een telegram waarin stond dat Wim nog in leven was. Ik durfde het niet te geloven, maar gelukkig was het waar. Mijn zus Leny en broers Jaap en Daan hadden de kampen ook overleefd, we waren met zijn vieren over van ons grote gezin.

‘Eind oktober was ik voldoende hersteld om terug te keren naar Nederland. Aangekomen op Schiphol vroeg de marechaussee: ‘Waar wilt u naartoe?’ Ik zei dat ik 2,5 jaar geleden was weggehaald en niks meer had. Ze gingen eten en lieten mij wachten. Iemand bood mij aan mij naar het Centraal Station in Amsterdam te laten brengen. Ook daar wisten ze niet wat ze met mij aan moesten. Ik dacht ineens aan een nicht van Wim die niet Joods getrouwd was, die zou misschien nog leven. In het telefoonboek vond ik haar naam, ik mocht haar bellen en kon een paar weken blijven logeren.

‘Ik zocht Wim op in het ziekenhuis waar hij lag met vlektyfus. Ik was bang dat hij was veranderd, maar hij bleek dezelfde te zijn gebleven: ‘Dag Elly!’, zei hij. We zijn maandenlang van adres naar adres gegaan, totdat we een kamertje konden huren waar net een opklapbed en een tafeltje in pasten.’

Heeft u na de Holocaust nog momenten van geluk kunnen ervaren?

‘Een heleboel! Ik had een zeer gelukkig huwelijk met Wim. Hij slaagde er na een moeizame start in een inkomen te vergaren met de verkoop van kantoorartikelen. En we kregen een lieve dochter met een buitengewoon goed karakter. Voor haar kregen we een zoon, Ed. Ik was heel blij, want ik wilde Wim zo graag een bloedverwant geven – van zijn gezin was hij de enige overlevende. Een tegenvaller was dat Ed een zware variant van het syndroom van Down had. Ik heb Wim maar één keer in mijn leven zien huilen, en dat was toen Edje werd begraven, 13 jaar oud.’

Wat zou u, met uw levenservaring, jongere generaties willen meegeven?

‘In de eerste plaats: nooit iemand haten. Daar komt oorlog van. Niet opgeven, altijd hoop houden, niet terugkijken, maar vooruit. En altijd schoonheid blijven zien. Zelfs in de kampjaren kon ik genieten van de opkomende zon elke ochtend. Ik ben blij dat ik dat kon. In alle omstandigheden is er iets om van te genieten, je moet het alleen willen zien.’

‘Hij noemde me Elly’, door Femmetje de Wind, uitgeverij Overamstel, €23,99

Elly Vleeschhouwer-Blocq

Geboren: 5 december 1924 in Amsterdam

Woont: zelfstandig, in Amsterdam

Familie: twee kinderen (een overleden), twee kleinkinderen, vijf achterkleinkinderen

Weduwe sinds 2007

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next