Home

Om verstandig te beslissen over oorlog moet je beter weten wat het echt is, zeggen deze experts

Moet Nederland militairen sturen naar Oekraïne, zoals de coalition of the willing wenst? Oorlogsdeskundigen Martijn Kitzen en Tim Sweijs pleiten ervoor na te denken over wat oorlog écht betekent. Want volgens hen is de politieke besluitvorming nu onrealistisch en naïef.

is economieredacteur en schrijft onder meer over de defensie-industrie.

Het is verschrikkelijk wat er in Hawija is gebeurd, vinden ook oorlogsdeskundigen Martijn Kitzen en Tim Sweijs. Toen een Nederlandse F-16 in 2015 een bermbommenfabriek van Islamitische Staat bombardeerde, verwoestten de explosies van de opgeslagen munitie ook een woonwijk rond de fabriek. Zo’n zeventig Irakese burgers kwamen om, onder wie tientallen kinderen. Pas vier jaar later werd dit door onderzoek van NOS en NRC bekend.

Het filmpje waarop de ravage werd vastgelegd, kwam pas onlangs boven water, na onderzoek van de Volkskrant.

Hoe verschrikkelijk ook: oorlogen hebben consequenties en die zien we te weinig onder ogen, vinden zij. Daarmee is de hele gang van zaken in hun ogen typerend voor de Nederlandse manier waarop we militairen op pad sturen.

‘Oorlog en oorlogvoering hebben jarenlang nauwelijks een plek in het maatschappelijk debat gehad’, schrijven ze in hun boek De oorlog van morgen, dat deze week is verschenen. ‘De Nederlandse bevolking dacht over Operatie Inherent Resolve dat het allemaal zo’n vaart niet zou lopen’, zeggen ze over het militaire strijdplan waaronder ook de aanval op Hawija viel. ‘Als zo’n missie dan niet zo schoon blijkt, leidt dat natuurlijk tot maatschappelijke verontwaardiging.’

Politici hadden veel beter moeten begrijpen dat we deelnamen aan een oorlog, zegt Kitzen, een voormalige beroepsmilitair die als hoogleraar werkzaam is aan de Nederlandse Defensie Academie in Breda en onlangs ook aan de Universiteit Leiden is benoemd tot bijzonder hoogleraar operationele inzet van de krijgsmacht. ‘De kabinetsleden hadden het niet over een oorlog, maar over de stríjd tegen IS. Dat is een veel minder beladen woord. Dan gaat er bij Kamerleden kennelijk geen lampje branden dat er misschien ook burgerslachtoffers kunnen vallen. Dat aspect wordt in de debatten zo veel mogelijk vermeden.’

En toen dat toch gebeurde, werd het weggemoffeld. Minister van Defensie Jeanine Hennis verzweeg jarenlang de doden van Hawija. Wanneer politici een onrealistisch beeld scheppen, is er ook een neiging om aan dat beeld te voldoen.

Nog steeds is de politieke besluitvorming over militaire aangelegenheden onrealistisch en naïef, signaleren Kitzen en Sweijs, onderzoeksdirecteur bij het Haagse Centrum voor Strategische Studies (HCSS). Ondanks de nieuwe daadkracht, ondanks het nieuwe geld, ondanks het nieuwe bewustzijn. Of juist daarom? Kitzen: ‘De neiging groeit om militairen te sturen, bijvoorbeeld straks op een missie naar Oekraïne. Wat wil je daarmee bereiken? Daar moet je goed over nadenken. Je moet nog steeds heel voorzichtig zijn met de inzet van militairen.’

Daarom hebben zij hun boek geschreven, zeggen ze. Meer kennis van de oorlogen van nu en het recente verleden helpt de oorlogen van morgen te voorzien. ‘Ze zeggen wel dat we in Nederland 17 miljoen bondscoaches hebben, omdat iedereen verstand van voetbal denkt te hebben’, zegt Sweijs. ‘We hopen dat we straks ook zo veel geïnformeerde mensen hebben die echt over oorlog kunnen meepraten.’

Al in de klassieke oudheid probeerden zieners uit de ingewanden van offerdieren en de patronen van vogelzwermen op te maken of het een goed moment was om ten strijde te trekken. Kitzen en Sweijs kijken vooral naar oorlogen uit het heden en recente verleden en naar geopolitieke en technologische ontwikkelingen.

‘We zien de laatste jaren dat sciencefiction een belangrijke rol speelt in het nadenken over toekomstige conflicten’, zegt Sweijs. ‘Het gaat niet alleen om het voorspellen, maar ook om het voorstellen van werelden die er nog niet zijn.’

Waar moeten we aan denken? Bionische soldaten?

Kitzen: ‘Haha, dan zie ik de film Universal Soldier voor me, met Jean-Claude Van Damme. Heel erg jaren negentig. Je ziet wel wat stappen in die richting, met externe skeletten. In zekere zin is die soldaat er al, met alle technologische hulpmiddelen. Neem de helm van de F-35, de Joint Strike Fighter. Dat ding zet je op, je kijkt naar beneden, je kijkt dwars door het vliegtuig heen. Je ziet wat de camera’s zien, maar je ziet ook bijvoorbeeld de luchtverdedigingsbatterij 50 kilometer verderop.’

Sweijs: ‘Denk ook aan het concept van zwermen. Nu staat de mens nog centraal. Straks heb je een soldaat die ergens loopt of een vliegtuig dat ergens vliegt, met daaromheen allemaal onbemensde systemen, zoals drones of rijdende robots, die in een zwerm kunnen opereren terwijl ze nog geleid worden door een mens. Dat is een tussenstap. De volgende stap is dat ook de leider geen mens meer is. De enorme opkomst van de drones in Oekraïne, nu nog grotendeels door mensen bestuurd, is een gamechanger. Er wordt in Oekraïne van alles uitgeprobeerd. Het is echt een war lab.’

Is de oorlog in Oekraïne dan eigenlijk niet al een oorlog van morgen?

Kitzen: ‘Je ziet daar goed wat oorlog is: een continue aanpassing, een continu gevecht om de slimste te zijn. Je ziet het bij de drones. De verdedigers verstoren de signalen, de aanvallers laten ze aan een kabeltje vliegen van soms wel 40 kilometer lang. De aanvallers laten ze in loopgraven ploffen, de verdedigers hangen visnetten op. Soms kunnen ouderwetse dingen heel innovatief zijn. Maar lang duurt het niet. Je hebt hooguit een paar weken voordeel en dan heeft de tegenstander weer iets bedacht.’

‘Er wordt vrij veel geëxperimenteerd met nieuwe systemen, zoals dat van Palantir (het surveillancebedrijf van Peter Thiel, vriend van Elon Musk en JD Vance, red.). Dat is een AI-platform dat probeert te voorspellen wat de commandant tegenover je gaat doen. Als je maar de goede data in het systeem gooit: hoe hij in het verleden in vergelijkbare situaties heeft geopereerd bijvoorbeeld, maar ook gewoon informatie van sociale media. Die helpt je anticiperen.’

Doen ethische grenzen er nog toe bij de ontwikkeling van nieuwe autonome technologieën? Landen als Rusland en China, maar ook Israël en de VS, lijken daar minder last van te hebben.

Kitzen: ‘Als ik met militairen spreek, dan zeggen die: wat de vijand doet, moeten wij ook kunnen doen. Tegelijkertijd beseffen zij ook dat je bij je eigen normen en waarden moet blijven. Als je die gaat verloochenen, waarvoor ben je dan nog aan het vechten? Je moet die al in het ontwerp van dit soort nieuwe mogelijkheden meenemen. Dat kan in de algoritmen. Dus dan opereert het systeem op een manier die wij als ethisch beschouwen.’

Zo makkelijk is dat niet. Ethiek wordt lastig als het ene gebod tegen het andere indruist en je afwegingen moet maken. Welke normen en waarden prevaleren, hangt af van de situatie.

Sweijs: ‘Ja, dan kom je bij de robotwetten van sciencefictionschrijver Isaac Asimov, waardoor een robot altijd dienstbaar en ondergeschikt blijft aan de mens. Maar ik zie de dichotomie niet. Ik denk dat we juist dit soort systemen moeten ontwikkelen met ethici, juristen, strategen en de operators uit de militaire praktijk. Zo kun je binnen de kaders van het humanitair oorlogsrecht de voorwaarden scheppen wanneer je zulke technologie mag inzetten. Ik heb het dus over Nederland. Het ministerie van Buitenlandse Zaken heeft recentelijk een commissie opgezet voor het verantwoorde gebruik van kunstmatige intelligentie in het militaire domein, ReAim, die wordt ondersteund door mijn instituut. Wat zijn de voorwaarden waaronder dat wel kan? En waaronder dat niet kan? We willen geen terminators bouwen.’

Martijn Kitzen (1978) was 17 jaar oud toen in Bosnië de door Nederlandse militairen bewaakte moslimenclave Srebrenica door Servische troepen werd overlopen. Zo’n achtduizend mannen werden vermoord. ‘Dat was voor mij de trigger om in dienst te gaan’, zegt Kitzen. ‘Een jaar later deed ik eindexamen en ben ik naar de KMA gegaan, de Koninklijke Militaire Academie in Breda. Ik dacht: als wij mensen willen helpen in de wereld, dan moeten we dat beter doen, en daar wil ik aan meewerken. Uit idealisme ben ik bij defensie gegaan.’

Voor Sweijs (1981) kwam het moment om zich met oorlog te gaan bezighouden op 9/11. ‘Ik studeerde geschiedenis in Amsterdam. Het was een dinsdagmiddag en ik zag tijdens een college de sms’jes binnenkomen op mijn telefoon. Ik vroeg aan de hoogleraar: meneer, Amerika wordt aangevallen, mag de televisie aan? En hij zegt: nee, we zitten hier bij geschiedenis. Het was bizar. Toen ben ik weggegaan en daarna ben ik oorlog gaan studeren, aan King’s College in Londen.’

Eigenlijk, zeggen ze, wilden ze dit boek al in 2016 uitbrengen. Maar toen had geen uitgever er behoefte aan: de belangstelling voor oorlog was minimaal. Tot hun verbazing, eigenlijk. De Russen waren al Georgië binnengevallen, de Krim was bezet, MH17 neergeschoten. Eigenlijk, zo zeggen ze, wees de speech van Poetin op de veiligheidsconferentie in München in 2007 al op een toenemende assertiviteit van Rusland. Toch bleef Europa, en zeker Nederland en Duitsland, doorgaan op de ingezette lijn. Handel zou Rusland in toom houden. De markt voor oorlog en boeken daarover was klein.

In het boek beschrijven Kitzen en Sweijs hoeveel van het denken over oorlog en vrede wordt bepaald door de ‘beschikbaarheidsbias’, het idee dat de huidige situatie in je eigen directe omgeving altijd zal blijven voortduren. Zo vatte na de val van de Muur het misverstand post dat grootschalige conventionele oorlogen met enorme veldslagen tussen legers met tanks en kanonnen tot het verleden behoorden. Met forse bezuinigingen op defensie tot gevolg.

Aanvankelijk kwamen daar (voor de westerse mogendheden) de ‘wars of choice’ voor in de plaats, in Irak en Afghanistan, en toen die ook afliepen, verschoof de focus naar de ‘hybride conflicten’ van cyberaanvallen, desinformatie, opstanden en alles wat onder de drempel van ‘gewapend conflict’ bleef. Daar is een hele gemeenschap omheen gebouwd, zegt Sweijs. ‘Niet onbelangrijk, want het gaat ook om de erosie van de democratie. Maar het werd niet gezien als oorlog.’

Het bleef iets waartegen je je als land met een beperkt militair apparaat kon verweren – en dus gingen de bezuinigen door. Ook de Russische annexatie van de Krim met ‘groene mannetjes’, gemaskerde figuren in camouflage-uniform maar zonder duidelijke militaire insignes, waardoor Rusland kon ontkennen dat het Russen waren, werd onder het hybride conflict geplaatst. Maar voor Kitzen en Sweijs maakte het duidelijk: de conventionele oorlog is terug van nooit echt weggeweest.

Kitzen: ‘We zagen dat je dus compleet voldongen feiten kunt creëren, namelijk de bezetting van andermans grondgebied, terwijl je onder de drempel van gewapend conflict acteert. We zagen de grenzen vervagen, er was een grote overlap met conventioneel conflict.’

Nu probeert Europa alsnog een inhaalslag te maken. Maar ook wat betreft de militaire wederopbouw lijkt Europa last te hebben van de beschikbaarheidsbias. Het gaat opnieuw uit van de wereld zoals die is: dat de Russen aan de poorten van Europa zullen blijven rammelen. Bestaat het risico dat we niet creatief genoeg denken?

Sweijs: ‘Dat zou kunnen, maar een conventionele oorlog is gewoon ook mogelijk. En daar moeten we ons dus op voorbereiden. Het Russische leger verliest in Oekraïne in een slechte maand veertigduizend militairen, dat zijn er evenveel als het volledige Nederlandse leger. We hebben veel te weinig militairen. We hebben veel te licht bemande brigades. We hebben nauwelijks munitievoorraden, luchtafweerraketten, drones. Er is een flinke inhaalslag te maken, in zowel mensen als materieel, en met name ook in het vermogen om dat materieel te creëren.’

Maar je hebt als land toch niet zo veel mensen en materieel nodig? Mocht het al zover komen, dan verdedigen we ons toch in Navo-verband?

Sweijs: ‘Dat klopt, of in Europees verband. Maar ook dan moet je in kwantiteit denken. Nederland draagt niet het benodigde bij.’

Kitzen: ‘Ondertussen mag je niet de blik afwenden van irreguliere conflicten. In 2023 waren er wereldwijd 59 gewapende conflicten waarbij minstens één staat betrokken was – dat is het hoogste aantal sinds de Tweede Wereldoorlog. In 23 gevallen gaat het om oorlogen waarbij zogenoemde irreguliere groeperingen, zoals rebellen en fundamentalisten, worden gesteund door andere landen. Daar kan Nederland ook mee te maken krijgen.’

De Nederlandse krijgsmacht krijgt het druk.

Sweijs: ‘Maar wij zeggen ook: bezint eer ge begint. Kijk vooraf al naar de verschrikkelijke gevolgen van militaire inzet. We hebben nu discussies over de vraag of wij militairen naar Oekraïne gaan sturen. Niet een paar, maar grote aantallen. Dan denk ik: maar wacht even, we hebben net dertig jaar bezuinigd op defensie. We hebben het hele leger uitgekleed. Als onze militairen ergens moeten worden ingezet, moet je dat doen, maar je moet nu niet halsoverkop ergens naartoe rennen voordat je daar ook echt klaar voor bent. Anders krijgen we een herhaling van zetten zoals we die uit Srebrenica kennen.’

Wat is jullie vrees dan voor zo’n vredesmacht in Oekraïne?

Kitzen: ‘Het is sowieso geen vredesmacht. Het is een reassurance force. Hoe zeg je dat in het Nederlands? Ze zullen in elk geval moeten kunnen vechten.’

Sweijs: ‘Ik vrees voor een scenario waarin wij als Europa met heel goede bedoelingen daarnaartoe gaan, maar de Amerikanen zich op enig moment terugtrekken, waardoor cruciale rugdekking wegvalt. Als dan de Russen een grotere aanval inzetten, met honderden of misschien enkele duizenden doden, dan zal de paniek toeslaan. Ik verwacht dat we ons dan terugtrekken en Oekraïne opgeven. Dat zou een enorme nederlaag zijn, ook psychologisch. En dat zeg ik als iemand die het voortbestaan van Oekraïne en de soevereiniteit van Oekraïne echt héél belangrijk vindt.’

Dat is zeer hypothetisch.

Sweijs: ‘Als je militaire inzet overweegt, moet je denken in hypothesen.’

Jullie pleiten dus enerzijds voor meer gevechtsbereidheid, maar anderzijds voor meer prudentie. Is de sfeer nu een beetje te overmoedig, te trigger-happy?

Kitzen: ‘Je moet je goed afvragen wat je met een militaire operatie – zoals mogelijk in Oekraïne – wilt bereiken, en wat je daarvoor overhebt. Wij, als kenners van het militaire middel, van oorlog dus, waarschuwen dat je erg voorzichtig moet zijn met de inzet ervan. Gek genoeg zijn we het daarover eens met vredesactivisten.’

Sweijs: ‘We willen geen Spartaanse samenleving creëren. Maar we zoeken wel naar manieren om een robuustere defensie te koppelen aan een bredere realiteitszin. En ja, dat vergt dus meer voorstellingsvermogen en gefundeerde speculatie. Dat je vooraf in alle openheid bedenkt wat de mogelijke gevolgen zijn van militaire operaties. Dat vergt ook gedegen democratische controle op wat het ministerie van Defensie doet. Voorzichtigheid is gepast en je moet niet te naïef zijn over wat je kunt bereiken. Zoals we schrijven: alleen de doden hebben het einde van oorlog gezien.’

Luister hieronder naar onze podcast de Volkskrant Elke Dag. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next