Reputaties veranderen continu. In deze rubriek kijken we hoe de betekenis van denkers en kunstwerken, van schrijvers en hun personages, kantelt en evolueert. Deze week: Angels in America.
is chef kunst van de Volkskrant. Ze schrijft over toneel, film, series en popcultuur.
Niets gaat voor altijd verloren. Dat zegt de doodzieke Prior Walter in Angels in America, het schitterende aidsdrama van Tony Kushner (1991), dat in 2008 zeer succesvol door Toneelgroep Amsterdam werd gespeeld, in regie van Ivo van Hove.
2008. Ik was 30, Geert Wilders maakte Fitna, Rusland won het Songfestival. Deze krant noemde de voorstelling Angels in America een ‘hallucinerende theatergebeurtenis’ en prees acteur Hans Kesting om zijn ‘magistrale vertolking’ van de kwaadaardige advocaat Roy Cohn.
Was het in 2008 al mis bij het gezelschap? Was er toen al sprake van die ‘angst- en doofpotcultuur’, volgens onderzoek vorige zomer, waarin vernederen, uitschelden, pesten en fysiek geweld werden getolereerd en toegedekt?
Of kan een voorstelling uit 2008, als je hem nu weer opvoert, een tijdmachine zijn naar onschuldiger tijden? Een kortstondig doorkijkje naar een andere wereld, 17 jaar geleden, toen het wangedrag misschien nog niet plaatsvond? Of toen ik zelf in elk geval nog van niets wist; een tijd van zalige onwetendheid.
2008: Marco Borsato staat met drie nummers in de top 10 van best verkochte singles in Nederland. Medvedev lost Poetin af als president van Rusland. Israël bombardeert Gaza.
Hoe moet je je verhouden tot meesterlijke kunst van zich misdragende makers?
Ik heb jarenlang gesmuld van het werk van Van Hove; ik heb het verslonden, en bejubeld in de krant. Elke première was een grootse gebeurtenis, de geboorte van een nieuw kunstwerk waarvan ik wist dat het me fundamenteel zou raken. Ik beleefde catharsis na catharsis, domweg gelukkig in de schouwburgstoel. Momenten van bodemloze ontroering, en van groots, zielverheffend geluk. Het was uniek en onovertroffen.
Al voor de onthullingen van vorige zomer was de liefde bekoeld: het werk werd sleets, bewijs van een verziekte werksfeer sijpelde naar buiten. Maar toen bureau Verinorm en NRC omvang en aard van de ellende blootlegden was de schok desondanks groot. Het was alsof ik, na het einde van een dierbare relatie, alsnog afschuwelijke dingen vernam over de ex.
In haar belangrijke boek Monsters, dilemma’s van een fan noemt cultuurcriticus Claire Dederer dit ‘de smet’. Als je eenmaal weet hebt van laakbaar gedrag bij de totstandkoming van een kunstwerk, beïnvloedt die smet het werk, je herinnering eraan, je waardering ervan. ‘De smet [...] verspreidt zich vanaf dat moment, alsof er een theezakje in water wordt gedompeld, en kleurt het hele leven’, schrijft ze. ‘Het werk raakt besmet, en wij, het publiek, moeten daar maar mee om zien te gaan.’
Ik, het publiek, voelde me belazerd, omdat iets dat ik zo waardeerde minder fraai bleek dan ik dacht. Ik voelde me dom dat ik dat niet doorhad, medeschuldig, om mijn lof. Van de weeromstuit bande ik het werk, en het gezelschap, uit mijn leven.
Tot Angels in America. De keuze om deze regie van Van Hove nog te programmeren is kwestieus: hoe kun je zijn werk vieren terwijl talloze medewerkers nog herstellen van zijn schrikbewind? En dan ook nog met Hans Kesting in de hoofdrol, die in het artikel van NRC zacht gezegd een zorgwekkende bijrol had.
En toch.
Daar was ze weer, zomaar, de vertrouwde opwinding over die onmiskenbare kwaliteit van toen: de schok van die meedogenloos kaalgestripte regie, het hypnotiserende acteren onder hoogspanning, de ontroering bij de goedgekozen Bowie-songs.
Even reisde ik door de tijd, naar dat gekoesterde verleden. En naar een betere toekomst, want de mooiste rollen in deze enscenering zijn die van Minne Koole (Louis) en ’Ntianu Stuger (de engel) – twee jonge acteurs uit een nieuw Ita-tijdperk. Zo bewoog ik opgelucht tussen nostalgie en hoop.
Maar bij Hans Kesting als Roy Cohn strandde dit zelfbedrog. De spiegel waarmee ik zo behendig naar toekomst en verleden keek had een lelijke barst in het midden, in het nu.
Kesting speelt de bruut Cohn duivels en explosief, en het is maar al te gemakkelijk om te denken dat ze samenvallen. Cohn/Kesting is weerzinwekkend en angstaanjagend. En Kesting is formidabel. Ik wil het niet vinden, maar ik vind het toch.
Bij het beschrijven van dit dilemma komen mensen vaak aanzetten met Louis Ferdinand Céline (geniaal schrijver, virulent antisemiet) en dat je de kunst heus kunt scheiden van zijn maker. Maar stel dat Céline levend en wel in je huiskamer zijn werk zit voor te lezen? Hoe scheid je de acteerprestatie van de mens, als die mens die prestatie voor je ogen levert? En dan ook nog eens die prestatie. Zó’n prestatie. Ik veroordeel het gedrag. Tegelijk bewonder ik de kunst.
Het is ongemakkelijk, maar ze blijken, hier en nu, samen te kunnen gaan. Er is niets vergeven, maar het werk blijkt onaangetast door mijn morele oordeel. En het is verwarrend, maar ook héél fijn om daar weer van te genieten. Niet onbekommerd, nee, juist bekommerd. Maar toch.
Niets gaat voor altijd verloren, ook liefde niet. Ook niet als daar in een complexe cocktail van emoties, woede, schaamte en afkeuring bij zijn gekomen. Wat blijkt: om het gedrag te kunnen veroordelen hoeft de liefde niet te worden uitgewist. Het kan er allebei zijn. Dat is ook waar Claire Dederer in Monsters na eindeloos ethisch slalommen in gekmakende denkpistes op uitkomt: besmette liefde, ja, maar wel: liefde.
Die liefde mag geen vrijbrief zijn voor wangedrag, en in de kunstwereld lopen die twee zaken vaak gevaarlijk dooreen. Maar dat de kracht van de kunst dit overstijgt en ondanks alles overeind blijft, is een klein wonder. En een grote troost.
Luister hieronder naar onze podcast Culturele bagage. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant