Abel Herzbergs Kroniek der Jodenvervolging, 1940-1945 is 75 jaar oud, maar nog steeds vallen er belangrijke lessen uit te leren, betoogt Maxim Februari. Over ‘de grootste attractie van het nationaalsocialisme’, bijvoorbeeld. En over het geweld in Gaza.
Op 25 maart 2025 schreef een coalitie van oud-ministers en oud-diplomaten een openbare brief aan premier Schoof in Trouw. De briefschrijvers, onder wie Jan Pronk, Jozias van Aartsen, Bernard Bot en Laurens Jan Brinkhorst, riepen het kabinet op zich uit te spreken over oorlogsmisdaden in Gaza van de regering-Netanyahu.
De kans verglijdt, schreven ze, ‘om aan de goede kant van de geschiedenis te gaan staan’.
Dit was een uitermate interessante formulering. Je kunt het optreden van Netanyahu en de Israëlische regering veroordelen op basis van het Genocideverdrag, op uitspraken van het Internationaal Gerechtshof en het Internationaal Strafhof, en dat deed deze coalitie ook inderdaad in haar brief. Maar ze nam daarbij nog een voorschot op het oordeel van toekomstige geschiedschrijvers over ons eigen gedrag. Welk rapportcijfer zullen nog ongeboren onderzoekers ons straks geven?
De formulering maakte goed duidelijk dat we sinds halverwege de vorige eeuw in een historiografisch tijdperk leven, een tijd waarin we naar ons eigen handelen kijken vanuit het perspectief van latere geschiedschrijving.
Ja, we hebben principes en rechtsbeginselen die ons leiden, natuurlijk, maar minstens zo belangrijk voor de bepaling van ons huidige gedrag is het oordeel van de historici achteraf.
Zo’n focus op geschiedschrijving heeft gevolgen in de praktijk. Het Rode Kruis en Artsen Zonder Grenzen doen hard hun best publieke aandacht te krijgen voor andere conflicten dan dat in Israël en Gaza. Maar als westerse burgers zijn we niet zo bezig met schrijvers die zich in de toekomst over Soedan buigen, we maken ons zorgen over Israël, omdat de geschiedenis ervan onze geschiedenis is. Omdat we erin optreden. We proberen wanhopig aan de goede kant ervan te komen.
Precies vanwege dit gedeelde verleden duikt de ontstaansgeschiedenis van Israël voortdurend in onze actualiteiten op. Tijdens de campagne voor de Duitse verkiezingen aan het begin van dit jaar gaf de radicaal-rechtse partij AfD in Karlsruhe op straat ‘vliegtickets’ aan mensen met een mogelijke migratieachtergrond. Dan konden ze terugkeren naar het ‘land van herkomst’. Verdrijvingspropaganda heet zoiets en de Duitsers bleken het treurige verschijnsel te herkennen uit vroeger tijden.
De pers toonde althans vergelijkbare reistickets uit het einde van de 19de eeuw, toen Joodse burgers ze in de hand gedrukt kregen. Mensen met een vermoedelijk Joods uiterlijk of een Joodse naam werden via een zogenaamd treinkaartje door hun medeburgers gemaand naar Palestina te vertrekken en nooit meer terug te komen. Ter plekke, stond er, zouden Arabieren ‘mit scharf geladenen Maschinengewehren’ op ze schieten, zodat niet gevreesd hoefde te worden voor overbevolking van Palestina.
Dus, tja, hoe beland je aan de goede kant van deze ongezellige geschiedenis? Het kan geen kwaad het heen en weer reizen door de tijd serieus te nemen en op zoek te gaan naar blijvende normen voor gedrag.
In 1950 maakte Abel Herzberg met Kroniek der Jodenvervolging, 1940-1945 een vroeg begin met de geschiedschrijving van de Duitse bezetting in Nederland en de vervolging en vernietiging van de Joden. Al eerder, vrij snel na de bevrijding, had hij geschreven over zijn ervaringen als gevangene in concentratiekamp Bergen-Belsen.
Vijf jaar na de bevrijding – en dus ook na zijn eigen bevrijding – behoorde zijn Kroniek der Jodenvervolging internationaal tot de eerste pogingen een bredere analyse te maken van de gebeurtenissen.
Doordat hij zo vroeg was, kon Herzberg nog een eigen, levende vorm vinden voor de beschrijving van de oorlogsjaren. In onze tijd zijn we gewend geraakt aan een vast format, maar Herzberg schreef in 1950 nog uiterst laconiek over de verbijsterende gang van zaken. Nam de Raad voor het Bedrijfsleven nou serieus ‘een positief standpunt ten aanzien der ariseringen’ in, terwijl Joodse burgers op hetzelfde moment met hun kinderen naar Polen werden gestuurd en daar vergast? Herzberg noemde zo’n opstelling ‘toch wel minder gebruikelijk’.
De ironische literaire stijl paste bij zijn beeld van de geschiedschrijver. Die moest niet alleen chroniqueur zijn, en ook niet zozeer aanklager of verdediger, hij had een verantwoordelijkheid tegenover de lezer. Misschien zelfs tegenover de toekomst. Vanwege die verantwoordelijkheid weigerde Herzberg het geweld in bezet Nederland en de terreur in de Duitse kampen uitgebreid te beschrijven, want wreedheid is besmettelijk: ‘Je zou je zonder veel moeite aan het weergeven van allerlei details te buiten kunnen gaan, maar we zullen ons daarvan onthouden.’
Zo ongewoon was het tenslotte ook niet, zei hij, het nihilisme van de menselijke soortgenoot. ‘Hef je maatschappelijke en zedelijke normen op, dan bestaat er – de ervaring met de nazi’s leert het ons – in een ommezien geen enkele maat meer voor roofzucht, wellust en bloeddorst.’
Daarom was het van het grootste belang juist die zedelijke normen te benadrukken en te voorkomen dat wij, ‘en zo niet wij, dan toch ons nageslacht’, opnieuw tot nihilisme zouden vervallen.
Voor Herzberg had geschiedschrijving dus een andere functie dan voor de twee andere vroege geschiedschrijvers van de oorlogsjaren, Lou de Jong en Jacques Presser, die beiden historicus waren. De jurist Herzberg ging het om geschiedsinterpretatie. Oorzaken zijn belangrijker dan feiten, zei hij; wil je weten hoe je herhaling kunt voorkomen, dan moet je naar wordingsprocessen kijken. Shakespeares slagzin ‘though this be madness, yet there is method in’t’ had het motto voor Kroniek der Jodenvervolging kunnen zijn.
Als belangrijkste oorzaak van alle ellende zag Herzberg de aanval van het nationaalsocialisme op rechtsbeginselen en morele normen. Het besluit van de nazi’s om mensen in gaskamers te vermoorden kwam voort uit een doelbewust, ideologisch verzet tegen elk morele opdracht, een expliciete behoefte aan rechteloosheid. Het Jodendom en de Bijbel hadden de mensheid opgezadeld met de tien geboden en daar had die mensheid niet collectief zin in.
‘Gij, kerken, legt ons alleen maar verantwoordelijkheden op’, zouden de Duitsers gezegd hebben als je het ze had gevraagd. ‘Hitler neemt ze ons af.’ Dat is fijner.
De periode van de bezetting liet dan ook een gestage ineenstorting van het rechtsstelsel zien. Door een overvloed aan nieuwe maatregelen ontstond al meteen een wonderlijke mengeling van rechtmatigheid en willekeur. Joodse burgers werden officieel verdreven uit onderwijs, cultuur, sport, badhuizen, cafés, stranden, parken, plantsoenen, uit de ene stad na de andere, uit het ene beroep na het andere. Geld en bezittingen werden hun ontnomen, verhuizen werd voor Joden verboden, het eten van fruit werd voor de Joodse burger strafbaar.
En dat alles op basis van steeds wisselende bepalingen, met terugwerkende kracht geldende regels, vergunningen met onmogelijke voorwaarden, anti-Joodse maatregelen in strijd met het Landoorlogreglement, een karikatuur van een rechtsstelsel die de schijn van orde schiep. Stempels en lijsten met uitzonderingsgevallen boden bescherming totdat die op last van hoger gezag wegviel en mensen toch werden gedeporteerd naar strafkampen en vernietigingskampen.
‘De dingen gebeurden op die hocus-pocus-pilatus-pasmanier, die de oneerbiedige maar daarom niet minder juiste omschrijving is van wat officieel werd aangeduid als het leidersbeginsel’, schreef Herzberg.
De leider, Hitler, liet intussen weten dat het recht hem niet interesseerde. Hij handelde weliswaar volgens eigen zeggen legaal, en was best bereid met elk land een verdrag te sluiten, maar verklaarde meteen dat het recht hem niet zou beletten te doen wat hij in belang van Duitsland voor noodzakelijk hield. Deze houding tegenover de nationale en internationale rechtsorde pakte voor het doorsnee individu in de samenleving niet bijster gelukkig uit – en deze vaststelling is nu, 75 jaar later, nog steeds relevant. Het recht biedt wel bescherming, een leider niet.
Tegenover, of naast, de pervertering van het recht waren er spoedig ook de rauwe krachten op straat, zoals Herzberg ze noemt, de razzia’s en invallen, terreur die mikte op ‘schrikaanjaging, verbreiding van verbijstering, angst, wilsverlamming, met als gevolg volledige onderworpenheid’. Doodsberichten uit concentratiekamp Mauthausen werden tergend langzaam doorgegeven, om onder de bevolking de angst te verspreiden voor een gruwelijk lot.
Zelfs de Duitse bezetters waren bang voor de leider in Berlijn. ‘Vandaar een wedstrijd in antisemitisch geblaf, een rivaliteit in nationaalsocialistische orthodoxie.’
Zo werden Joodse burgers na verloop van tijd vogelvrij. In de herfst van 1942 werden ze het officieel in de woorden van politiechef Rauter. ‘Am 15. Oktober wird das Judentum in Holland für vogelfrei erklärt.’
Ze waren niet langer subject van rechten, maar rechteloze objecten. En vervolgens werden anderen dat ook.
De rechteloosheid bleek intussen aantrekkelijk voor veel mensen die er niet meteen zelf last van hadden. Dit werkte danig op de spotzucht van Herzberg.
Deugden als barmhartigheid en naastenliefde waren voor veel omstanders nu eenmaal niet sexy; schelden en schoppen waren leuker en je kreeg er, in 21ste-eeuwse termen, meer volgers door. De verspreiding van haat was een handige manier om jezelf op te werken: mensen verwierven macht en konden laten zien dat ze nergens bang voor waren. ‘Ze konden slaan, schieten, moorden, branden, en niemand die wat terugdeed.’
Dit fenomeen had Herzberg zelf in Bergen-Belsen aan het werk gezien en op grotere schaal bleek het zich overal in de rechteloze samenleving te hebben voorgedaan.
Voor de burgerij was het wegvallen van verboden een van de grootste attracties van het nationaalsocialisme. ‘Het is dezelfde attractie die iedere oorlog – de frisch-fröhliche Krieg! – altijd weer voor de brave burger heeft, die in het korset van huwelijk, moraal en maatschappij geregen is en zonder dat hij het zichzelf durft te bekennen naar zijn natuurstaat snakt.’
Overigens waren er ook mensen die de beschaving juist dapper overeind bleven houden. En die mensen vond je vooral op onverwachte plekken. Herzberg had diepe bewondering voor de deelnemers aan de Februaristaking, die hadden geprotesteerd tegen de Jodenvervolging ‘ter verdediging van de morele en maatschappelijke waarden die leven in het Nederlandse volk’.
De stakers hadden goed ingezien dat de Joden door de nazi’s werden misbruikt als fictieve vijand; hun gedrag strekte volgens Herzberg het Nederlandse volk tot onsterfelijke eer.
Veel teleurstellende lafheid vond je juist weer bij mensen in hoge posities, van wie je meer had mogen verwachten. Aan de wetenschappelijke instituten in Duitsland bestudeerden talloze geleerden gretig de ‘Judenfrage’ en ze pakten de Jodenvervolging met enthousiasme op. ‘Ze concurreerden er onderling lustig op los, met alle na-ijver, perfidie, persoonlijke rancunes en intriges die de geestelijke concurrentie in zoveel hogere mate dan de commerciële eigen kan zijn.’
Al met al deden te veel burgers in deze tijdelijke natuurstaat hun best de ander kapot te maken. Ze gaven elkaar aan bij de autoriteiten, belasterden, belogen en beschadigden elkaar. Maar dat bezorgde ze uiteindelijk geen vreugde, want tegelijk met hun haatobject richtten ze zichzelf ten gronde. De onvrede zat immers in hun eigen hart, concludeerde Herzberg met afstandelijke verbazing:
‘De mensheid morst met haar kinderen. Laten we niet zeggen: arme kinderen. Laten we zeggen: arme mensheid.’
Uiteindelijk bestonden er in deze agressieve natuurstaat toch nog gewoon zedelijke normen en rechtsbeginselen. Althans, dat is het centrale argument van Herzberg, zowel in zijn eerdere berichten over Bergen-Belsen als hier in zijn kroniek. De nazi’s konden de rechtsbeginselen wel overboord kieperen omdat ze de macht in de weg zaten, maar daarmee hadden die hun geldigheid nog niet verloren.
Het was ook het argument waarmee oorlogsmisdadigers na de bevrijding werden vervolgd op grond van recht dat de nationaalsocialisten nu juist hadden afgeschaft. De beklaagden konden zich niet beroepen op het zogenaamde recht dat onder het nazibewind wel had gegolden, luidde het oordeel, want dat was in wezen onrecht geweest. Het voldeed op geen enkele manier aan de eisen die je aan recht kunt stellen.
In 1946 had voormalig minister van justitie Gustav Radbruch een beroemd geworden artikel gepubliceerd onder de titel Gesetzliches Unrecht und übergesetzliches Recht – wettelijk onrecht en bovenwettelijk recht. Volgens Radbruch was onder het nationaalsocialistische regime geen sprake geweest van recht, maar hooguit van willekeur vermomd als wet.
Wilden wetten werkelijk kunnen gelden, zei hij, dan moesten ze voldoen aan een aantal eisen van rechtvaardigheid. De eis van rechtsgelijkheid, bijvoorbeeld, die verplicht tot gelijke behandeling van gelijke gevallen. De wetten van het naziregime, die ongeoorloofd onderscheid hadden gemaakt tussen mensen en ‘Untermenschen’, waren daarom niets dan wettelijk onrecht geweest. Het ontbrak ze aan rechtskarakter.
In 1948 waren zulke ideeën over bovenwettelijk recht terechtgekomen in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens.
Zonder naar deze discussie te verwijzen ging Abel Herzberg in 1950, zoals gezegd, nog een stap verder. Volgens hem ontbrak het de nationaalsocialistische wetten niet zomaar aan rechtskarakter: de nazi’s waren gericht ten strijde getrokken tegen het begrip van rechtvaardigheid en tegen de hele joods-christelijke moraal. Hoewel zelf niet kerkelijk of gelovig, duidde Herzberg de oorlog van de nationaalsocialisten daarom nadrukkelijk als een theologische krachtmeting. ‘Het waren goden die in de Jodenvervolging met elkaar streden.’
Door te moorden konden de nazi’s afrekenen met het geweten en het ‘ontledende, kritische verstand’ in de Bijbelse traditie. Ze maakten gebruik van het maatschappelijk antisemitisme, dat altijd al aanwezig was in de samenleving, voor politiek antisemitisme. Daarmee kwam een eind aan het rechtsdenken dat als ‘joods’ werd beschouwd.
Wilde je lering uit deze geschiedenis trekken, suggereerde Herzberg, dan moest je je niet blindstaren op de precieze verantwoordelijkheidsverdeling in de oorlogsorganisatie. De basisvraag was niet zozeer wat de daders elk afzonderlijk precies hadden geweten over de ‘Endlösung der Judenfrage’, de vraag was ‘of het hun iets kon schelen’.
Het probleem was dat leden van de SS en de Duitse politie zich geen moment hadden afgevraagd hoe de machine werkte waarvan ze een klein radertje waren. Dat ze hun zin voor rechtvaardigheid hadden opgeschort en klakkeloos aan het functioneren van die machine hadden meegedaan. ‘Want dát kan zich herhalen.’
Door recht en moraal af te schaffen was onder het nationaalsocialisme gaandeweg ieder taboe op het kwaad verdwenen. In februari 1945, toen het eind van de heerschappij in zicht kwam, zei Adolf Eichmann tegen een medewerker: ‘Ik zal lachend in het graf springen, want de idee vijf miljoen menselijke levens op mijn geweten te hebben is voor mij de bron van buitengewone voldoening.’
In 1961 werd Eichmann met deze uitspraak geconfronteerd in het strafproces dat in Jerusalem tegen hem werd gevoerd. De rechtsbeginselen bleken nog wel degelijk te gelden.
Kroniek der Jodenvervolging is 75 jaar oud en er valt weinig te vieren. In de voorlaatste zin van het boek wordt de staat Israël opgericht. De laatste zin luidt: ‘Hier begint een nieuw boek der kronieken.’
En inderdaad is daar een nieuw boek begonnen, een boek dat nu grotendeels wordt geschreven door Palestijnse auteurs, want de mensheid morst in Gaza opnieuw met haar kinderen en ditmaal onthutsend veel Palestijnse kinderen.
Het is niet aan de nieuwe generaties om in het wilde weg te verzinnen wat Abel Herzberg daar tegenwoordig over gezegd zou hebben, maar er valt wel iets te ontlenen aan zijn oordelen uit het verleden. In haar dissertatie Geschiedenis als opdracht (1998) schreef Connie Kristel dat Herzberg vijfentwintig jaar na de bevrijding ‘het ontbreken van enig begrip voor de Arabische positie’ in Israël betreurde. Hij signaleerde in het land ‘een volstrekt eenzijdig, zelfzuchtig, egocentrisch eigenbelang’.
In de Kroniek der Jodenvervolging had hij uitgelegd waarom een eigen staat voor de Joden onmisbaar was. Hij herhaalde ‘dat Joodse weerbaarheid zonder eigen vaderland een innerlijke tegenstrijdigheid vormt’ en ‘dat het zwerven, eenmaal begonnen, van nature bestendig zou zijn zonder eigen vaderland’. Na de oorlog was het nut van zo’n eigen vaderland ook niet minder groot dan ervoor, want het antisemitisme was onder de bezetting toegenomen en nam sinds de bevrijding merkwaardig genoeg nog verder toe.
Voor Herzberg waren kortom twee claims tegelijkertijd geldig. De claim op veiligheid in een eigen land. En de claim op rechtvaardigheid voor allen. Het recht gold niet alleen voor de eigen groep, het gold ook voor oorlogsmisdadigers, voor Adolf Eichmann, voor de beruchte Drie van Breda, het gold voor iedereen in Palestina en de nieuwe staat Israël.
Vraag je je af welke les hieruit valt te trekken in onze eigen tijd, dan betekent Herzbergs nadruk op gerechtigheid dat een land als Hongarije zich vanwege de situatie in Gaza kan terugtrekken uit het Internationaal Strafhof, dat een land als Israël een procureur-generaal kan ontslaan en oorlogsrecht kan schenden, maar dat het bovenwettelijke recht toch gewoon blijft bestaan. Door zijn geschiedschrijving als opdracht op te vatten, heeft Herzberg geprobeerd ons daarvan te overtuigen.
Oud-ministers en oud-diplomaten formuleren het nu in 2025 net een tikje anders als ze Nederland adviseren aan de goede kant van de geschiedenis te gaan staan. Dat van die goede kant klinkt inderdaad wel aanlokkelijk, maar het lukt helaas niet meer er verzeild te raken, daarvoor is de geschiedenis te lelijk.
Misschien moeten we ons ook minder druk maken over ons eigen rapportcijfer in de toekomstige geschiedschrijving dan over gerechtigheid voor iedereen. Hier schiet de Israëlische schrijver Amos Oz te hulp: in 2002 legde Oz in het programma NewsHour uit hoe het heet wanneer twee onderling onverenigbare claims tegelijkertijd blijken te gelden: een tragedie. De situatie tussen Israël en de Palestijnen is zo’n tragedie, zei hij, ‘a clash between right and right’.
Je kunt proberen die clash op te lossen in de shakespeareaanse traditie, dan eindig je met een toneel vol lijken en – oog om oog, tand om tand - een soort van rechtvaardigheid.
Of je kunt naar een oplossing zoeken in de traditie van Tsjechov en dan zijn alle spelers aan het eind weliswaar gedesillusioneerd en teleurgesteld, maar niettemin nog in leven. Zo’n minder spectaculaire oplossing heb ik met mijn collega’s van de vredesbeweging altijd nagestreefd. zei Oz. Geen shakespeareaans geweldfestijn, ook geen gevoelig happy end, maar een knarsetandend tsjechoviaans compromis.
Na lezing van Herzbergs Kroniek der Jodenvervolging hoop je dan maar dat op zijn minst zoiets ooit nog mogelijk zal zijn, zodra iedereen het snakken naar een natuurstaat heeft weten te bedwingen en het internationale recht eindelijk, eindelijk gewetensvol is toegepast: een knarsetandend samenleven.
Maxim Februari is rechtsfilosoof, essayist en schrijver, onder meer van de romans De literaire kring en Klont. Voor zijn beschouwend proza won hij in 2020 de P.C. Hooftprijs.
Abel Herzberg: Kroniek der Jodenvervolging, 1940-1945. Querido; 400 pagina’s; € 27,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant