Home

Filmmaker Peter Hoogendoorn: ‘Ik was eerst wel bang voor hoe mijn vader het zou opvatten’


Na eerdere aangrijpende films over de twee grote drama’s in zijn leven, liet filmmaker Peter Hoogendoorn zich voor Drie dagen vis inspireren door de relatie met zijn vader. Het werd een film over twee emotioneel geremde mannen. ‘Het is best universeel, denk ik.’

is filmredacteur van de Volkskrant.

De kiem voor Drie dagen vis werd tien jaar geleden al gelegd, toen een van zijn producenten eens zag hoe Peter Hoogendoorn afscheid nam van zijn vader. Twee mannen tegenover elkaar op het perron: vol opgekropte gevoelens, maar zonder het woord of gebaar om daar uiting aan te geven. Hoe jullie zo stonden, zei ze tegen de filmmaker, daar zat alles in; het was net een filmscène.

‘Misschien zit daar wel iets in, ja, dacht ik toen. Als je dát al spannend kunt houden, in één langer shot. Mijn toenmalige vriendin zei het ook: als ik jou en je vader samen zie rondbanjeren, dat is op de een of andere manier zo ontroerend. Maar ja, je bent jezelf natuurlijk, het is lastig om daar op macroniveau naar te kijken. Ik heb het even laten sudderen.’

Hoogendoorn (45) zit op een terras in Bos en Lommer, de Amsterdamse stadswijk waar de geboren en getogen Rotterdammer na zijn studie aan de Filmacademie enige tijd woonde. Helemaal aan het begin van zijn nieuwe film, die eerder dit jaar op het International Film Festival Rotterdam op een haartje na de publieksprijs won (de eer ging naar de Braziliaanse Oscarwinnaar I’m Still Here), zien we die vader en zoon ook zo staan aarzelen, bij aankomst op het perron.
‘Hé pa.’
‘Zo jongen… Hoe is-tie?’
‘Ja, weet ik veel... ik ben geen dokter.’
‘Nee… dat is waar.’

Ton Kas speelt de vader, Guido Pollemans de zoon. Samen wonnen ze de prijs voor beste acteur in de internationale competitie van het prestigieuze filmfestival in Karlovy Vary, Tsjechië, waar Drie dagen vis in wereldpremière ging.

De film gaat over de naar Portugal verkaste oud-busmonteur en COPD-patiënt Gerrie (Kas), die even terug in zijn oude domicilie Rotterdam een paar dagen optrekt met zijn naar binnen gekeerde zoon Dick (Pollemans). Een stadswandelfilm en tragikomedie vol uitgebeende humor, waar steeds iets van pijn in doorklinkt. Gefilmd in stemmig zwart-wit, in contrast met de lichtvoetige, jazzy muziek.

Moeizame relaties

‘Opa was geen prater en ik was geen prater’, reageert Gerrie als zijn zoon hem vraagt naar de herkomst van een familie-erfstuk, een antieke bajonet. ‘Als er twee niet praten, wordt er niet gepraat. Toch?’

Zoon Dick slikt antidepressiva tegen zijn paniekaanvallen, maar nu even niet, ‘omdat ze niet werken met bier drinken erbij’.

Ronduit subliem is de scène waarin het tweetal op zoek is naar het graf van Gerrie’s eerste vrouw, Dicks moeder. Een shot van twee minuten, in één take gedraaid, à la de hitserie Adolescence. Dick drentelt wat rond over de begraafplaats: kijken ze misschien op de verkeerde plek? Gerrie, eerder berustend dan teleurgesteld, weet dan al hoe laat het is. Dat graf is weg.

Als kijker in de bioscoop zou je die twee emotioneel geremde mannen soms willen toeschreeuwen: ‘PAK ELKAAR NOU GEWOON EENS BEET!’

Tegen Hoogendoorns eigen verwachtingen in, bestond er – ook ver buiten Nederland – een publiek voor Drie dagen vis. ‘Ik was daar eerst erg bang voor: welk buitenlands festival zou zo’n film nou selecteren? Het gaat niet over thematiek die nu hot is. Niet over gender-dingen, of racisme. Heb ik überhaupt wel bestaansrecht met een verhaal als dit? Maar het is ook best universeel, denk ik. Het gaat niet per se over een vader en een zoon, maar gewoon over moeizame relaties. Hoe kom je dichter bij elkaar? En móét dat wel altijd? Of is het ook oké als dat niet lukt?’

Macho-cultuur

Ondertussen draaide zijn film al in meer dan dertig landen op festivals, van India tot Australië. ‘Vooral in Oost-Europa en de Balkan doet-ie het goed. HBO wil ’m daar nu ook aankopen, geloof ik. Ze vonden het interessant, zeiden ze, zo’n film over kwetsbare mannen. Juist omdat ze daar nog zo’n macho-cultuur kennen. Zo had ik er zelf helemaal niet bij stilgestaan. De beschrijving die de jury in Tsjechië gaf vond ik mooi. Dat het, juist in een tijd met oorlogen en veel wantrouwen, fijn is om een film te zien die erover gaat dat mensen er gewoon een beetje voor elkaar moeten zijn.’

Zijn eigen vader Rinus, die op de aftiteling wordt bedankt, is COPD-patiënt en woont in Portugal met Hoogendoorns Kaapverdiaans-Rotterdamse stiefmoeder. Alles net zoals in de film, waarin de Kaapverdiaanse gemeente van Rotterdam ook een rol speelt. ‘Ik vond dat altijd al mooi, die warmte van de Kaapverdianen. En mijn vader en ik die daar dan als witte Nederlanders een beetje bij zitten.’

Rinus gaat Drie dagen vis binnenkort voor het eerst zien, in de Nederlandse bioscoop. ‘Was ik eerst wel bang voor: hoe hij het dan zou opvatten. Maar na al die goeie reacties uit het buitenland heb ik wel wat meer vertrouwen. Ik wil het niet autobiografisch noemen, je romantiseert alles toch een beetje, maar de film lijkt wel heel erg op de werkelijkheid. Het moest niet voelen alsof ik met mijn vinger naar mijn vader wijs. Zo van: je was er niet voor mij.’

Het is niet de eerste persoonlijke of autobiografisch getinte film van Hoogendoorn. Hij maakte eerder indruk met zijn afstudeerfilm Wes, over een jochie dat op voetbalkamp gaat terwijl zijn moeder op sterven ligt. En hij zag zijn speelfilmdebuut Tussen 10 en 12 in 2014 meteen geselecteerd voor Venice Days, het prestigieuze nevenprogramma van het filmfestival van Venetië.

‘Een uiterst knap gemaakt, ongelooflijk ontroerend debuut’, schreef de Volkskrant destijds over de film, waarin een jongen na het stappen aan de deur van zijn ouderlijk huis plots de politie treft, die meldt dat zijn zus is omgekomen bij een auto-ongeluk. Ook voor de sterk filmische scène waarin die jongen (acteur Ko Zandvliet) geen raad weet met zijn gevoelens en zich dan maar verplaatst in agenten (‘dit moet verschrikkelijk zijn voor jullie om te vertellen’), putte Hoogendoorn uit eigen ervaring.

Angsten onder controle

Wie hem tien jaar geleden meemaakte in Venetië, zal de regisseur vandaag wellicht niet meteen herkennen. Hij legde zijn toenmalige alcoholinname aan banden, viel 30 kilo af en traint nu zes dagen per week in de sportschool. Dat Hoogendoorn ooit als belofte gold in de jeugd van Feyenoord, voor hij het nachtleven ontdekte, is ineens weer voorstelbaar.

Ook heeft hij zijn angsten nu beter onder controle, inclusief die voor het vliegen. ‘Ik moest zo veel vliegen, vanwege al die landen waar Tussen 10 en 12 te zien was. Nu is het vliegtuig inderdaad gewoon een bus. Drie dagen vis ligt ook wel in het verlengde van mijn eerdere films, die geïnspireerd waren op de dood van mijn moeder en de dood van mijn zusje. Dan is dit, denk ik achteraf, een project over mijn angst om wéér een dierbare te verliezen.’

Toen hij zich aanmeldde voor de Filmacademie, eerst nog vergeefs, was Hoogendoorn helemaal niet van plan om persoonlijke films te maken. ‘Thrillers, horrorfilms – daar dacht ik aan. Die kunnen óók persoonlijk zijn, natuurlijk. Maar bij de Academie werd ik op de reservelijst gezet. Maak eerst iets persoonlijks, zeiden ze. Toen heb ik een film gemaakt over een angststoornis en werd ik wél aangenomen. Toen die agenten mij vroegen om met ze mee te rijden naar mijn vaders werk, net als in Tussen 10 en 12, rende ik eerst naar boven, waar ik de keukenkastjes kapotsloeg. Dat was ook uit angst. Angst om mijn ouders te moeten vertellen dat hun dochter het leven is ontnomen.’

Werken bij de post

‘Ik weet dat ik als kind heel erg op mezelf was. Mijn moeder had smetvrees én verlatingsangst: die hield me het liefst thuis. Dan was ik druk bezig met knuffels en poppetjes, waarvoor ik dan verhalen bedacht. En als ik bij mijn oma was, ging het vaak over wie wat had. Heb je het al gehoord? Tante Tilly heb kanker. Ik was te jong om mee te praten, maar ik speelde die gesprekken dan later in mijn bed na: en die heeft kanker, en die heeft dit... Deed ik ook weleens nadat we naar een begrafenis waren geweest. Dan vond ik het zo absurd hoe mensen daar dan stonden, en hoe ze praatten. Dan móest ik het spelen, er een verhaaltje van maken.

‘In die tijd kende ik alleen maar Hollywoodfilms, helemaal niks wat je auteurscinema noemt, of arthouse. Omdat mijn moeder me ook vaak thuis hield van school, vanwege al haar angsten, mocht ik in ruil daarvoor ‘s avonds vaak een horrorfilm zien. Op veel te jonge leeftijd, acht of negen. Doodsbang was ik, dat Freddy Krueger écht dwars door het behang mijn kamer binnen zou komen. Die films zijn gemaakt om je zo te doen voelen, legde mijn moeder uit. Dat vond ik interessant: dat je die angst dus ook doelbewust kunt zaaien. Oké, het wordt dus ergens gemáákt. Toen ging ik, als ik met mijn poppetjes speelde, ook zo over de schouders hangen alsof ik de cameraman was.’

Er zit ruim tien jaar tussen zijn debuut en deze tweede speelfilm. ‘Het was wel even inkomen, toen ik weer op de set stond. Ik had in de tussenliggende tijd helemaal niks geregisseerd. Ik weet ook niet of ik het type ben die er even zo’n serie films uit knalt.’

Wel heeft Hoogendoorn plannen zat voor volgende films, mogelijk nu eens die persoonlijke horrorfilm. Kan hij rondkomen van het filmmaken in zo’n tussenliggende periode? ‘Ja, dat kan, maar dan moet ik de huur wel laag houden, dus woon ik nu op een zolderverdieping. Ik heb ook wel een periode een uitkering gehad. En bij de post gewerkt. Dat levert me dan ook wel weer iets op. Ik denk dat het werk van een vuilnisman, bij wijze van spreken, méér met films te maken heeft dan het regisseren van commercials.’

Luister hieronder naar onze podcast Culturele bagage. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next