Na het overlijden van haar moeder kwam Volkskrant-journalist en -columnist Sheila Sitalsing achter een groot familiegeheim: haar opa was een hoge NSB’er in de oorlog. Ze ging op onderzoek uit en schreef er een boek over. ‘Het ingewikkeldste wat ik ooit heb gedaan.’
Verdomd, de roomboter! Sheila Sitalsing was al enige tijd op de hoogte van het familiegeheim dat haar moeder net niet mee haar graf in had genomen, toen ze plots terugdacht aan een lezing die ze een paar jaar daarvoor had gegeven, een vrijheidscollege in aanloop naar Bevrijdingsdag.
Ze was dat college begonnen met een anekdote. Haar moeder smeerde de roomboter altijd dik op haar brood, vertelde Sitalsing, ‘met grote gele klodders’. Tijdens de oorlog had ze naar weinig anders zo verlangd. Dat je ‘zonder enige terughoudendheid’ roomboter op je brood kon smeren, symboliseerde voor haar de vrijheid, vertelde Sitalsing.
Er was een fotograaf bij haar langsgekomen, die brood en meerdere pakjes roomboter meebracht. Sitalsing moest in dik besmeerde sneetjes happen, waarbij resten boter aan haar bovenlip bleven plakken. De foto’s verschenen in de Volkskrant, die een ingekorte versie van de lezing afdrukte. Haar moeder had haar nog gecomplimenteerd.
Nu keek ze met afschuw op die lezing terug. Als ze toen had geweten dat haar Nederlandse grootvader fout was geweest in de oorlog, dat hij een hoge NSB’er was geweest met een portret van Mussert in de woonkamer en de Prinsenvlag wapperend aan de gevel, dan had ze een hele andere lezing gegeven. Moest ze de organisatie haar excuses aanbieden?
Sitalsing (56) vertelt er luchtig over, zittend aan de eettafel in de Delftse nieuwbouwwoning die ze bewoont met haar man Mario en hun twee dochters. En dat terwijl ze haar nieuwe boek karakteriseert als ‘het ingewikkeldste wat ik ooit heb gedaan’.
Het boek heet Waar ik me voor schaam, het gaat over die foute grootvader en het is persoonlijker dan haar andere werk, zoals de columns die ze sinds 2011 schrijft voor de krant. ‘De toon van mijn columns is vrij afstandelijk’, zegt ze. ‘Ik ben geen Sylvia Witteman, ik schrijf eigenlijk nooit over mezelf. Het heeft ook lang geduurd voordat ik dacht: dit is een boek! Mijn uitgever heeft me ertoe aangezet. Ik had het zelf nooit bedacht.’
Dat verhaal over haar grootvader was zomaar uit de lucht komen vallen. Het was begin 2017, Sitalsing was naar Curaçao gevlogen voor een laatste bezoek aan haar moeder, die ernstig ziek was en niet lang meer te leven had.
‘Ze scharrelde nog wat rond en af en toe kroop ze achter een laptop die naast haar bed stond. Ik vroeg nog: wat zit je nou te doen de hele tijd? Kom nou, ga liggen, eet wat! Maar nee, ze wilde nog een paar dingetjes doen. Vlak voordat ze stierf, vertelde ze dat ze iets had opgetikt, het stond op haar laptop, ik moest het maar lezen. Het is goed mam, zei ik, ik lees het wel.’
Maar dat kwam er niet van, niet meteen in ieder geval, niet op het moment dat ze er nog vragen over had kunnen stellen. Het was druk, er kwamen mensen langs om afscheid te nemen, ze moesten koffie zetten en boodschappen doen. Bovendien: haar moeder had niet gezegd dat het belangrijk was.
Dat was het dus wel. Een paar dagen na de dood van haar moeder opende Sitalsing de laptop. Er stond een bestand van drie pagina’s op, vol haastig geformuleerde zinnen. De titel: biografie.doc.
In dat bestand las ze over Nederlands-Indië, waar haar moeder was geboren in een familie van vermogende Hollandse kolonialen. Het leven was er comfortabel geweest, tot de jaren dertig, toen de suikerindustrie instortte en het gezin naar Nederland verhuisde. Daar sloten opa Sjarrel en oma Tootje zich al vroeg aan bij de Nationaal Socialistische Beweging (NSB). Ze waren tot het einde van de oorlog lid gebleven.
Wáárom ze lid waren geworden, las Sitalsing niet in het document van haar moeder. Er stond alleen dit over haar grootvader: ‘Hij was altijd een groot Jodenhater geweest, ik weet niet waarom.’
Wat was je reactie?
‘Ik was verbijsterd. Waarom had ze dat nooit verteld? Terwijl ik een kind was dat altijd van alles vroeg, ook over de oorlog. Dan vertelde ze allemaal verhalen, over die roomboter bijvoorbeeld. Later ben ik erachter gekomen dat dat zo werkt bij mensen die iets te verbergen hebben. Die zwijgen door veel te praten. Mijn moeder jokte niet, maar ze vertelde overal omheen.’
Ze had het je vader ook nooit verteld.
‘Toen ik hem vroeg wat hij wist, zei hij dat hij wel een vermoeden had gehad. Iemand had een keer een opmerking gemaakt, maar daarover was hij niet met mijn moeder in gesprek gegaan. Later hoorde ik van andere nazaten dat zoiets vaker voorkwam: er werd vaak niet over gesproken, ook niet binnen huwelijken.’
Vlak voor haar dood bedacht ze zich, en schreef ze het op. Waarom zou ze dat hebben gedaan?
‘Ik dacht: potverdorie, had het dan eerder verteld! Nu bleef ik zitten met allemaal vragen die ik niet meer kon stellen. Misschien heeft ze gedacht: Sheila zit in de journalistiek, ze komt er misschien toch een keer achter, het is goed als ze het alvast weet.’
Terug in Nederland vertelde je het direct aan je twee dochters.
‘Ik was nog in shock, ik had het idee: dit is heel erg, want mijn moeder heeft er nooit over gesproken, dit moet geheim blijven. Maar mijn dochters reageerden heel laconiek. Ze vonden het bijna een bak.’
Volgens je man Mario zeiden ze: Karma is a bitch. Zagen ze direct de ironie?
‘Mijn man is een Surinamer, mijn dochters zijn heel bruin met enorme bossen kroeshaar. En ja, ze maakten zich er vrolijk over dat een NSB’er zulke achterkleinkinderen had. Moet je ons nou zien, lékker voor hem! Toen ze dat zeiden, begon ik het ook wel grappig te vinden.’
Jij hebt een Nederlandse moeder en een Surinaamse vader, je bent in Paramaribo geboren. Maakt dat het makkelijker om met deze geschiedenis naar buiten te komen, omdat mensen er misschien eerder van uitgaan dat je zelf geen racist bent?
‘Dat maakt inderdaad wel uit, denk ik. Het is doorgaans lastig om liefdevol over foute ouders of grootouders te spreken zonder meteen de verdenking op je te laden dat je iets aan het goedpraten bent. Bij mij denken mensen vermoedelijk dat ik met dat foute gedachtegoed echt niets te maken heb. Dat geeft me een kleine voorsprong.’
Twee jaar na de dood van haar moeder besloot Sitalsing op zoek te gaan naar details. Wat was er gebeurd? Hoe erg was het wat haar grootouders hadden gedaan? Dagenlang bracht ze door in de studiezaal van het Nationaal Archief, waar ze zich boog over de inhoud van ‘de bruine dozen’, zoals ze het materiaal in het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging consequent noemt. Ze worstelde zich door de naoorlogse strafdossiers van Sjarrel, Tootje en alle anderen die met de geschiedenis van die twee waren verbonden.
Ook thuis las ze zich ‘te pletter’: van kampliteratuur en familieverhalen tot oude exemplaren van Volk en Vaderland, het NSB-weekblad waarop haar opa was geabonneerd. En ze sloot zich aan bij de Werkgroep Herkenning, de stichting die nazaten van foute Nederlanders een stem geeft. Op de bijeenkomsten leerde ze lotgenoten kennen.
Zo kwam een boek tot stand dat ze zelf had gemist, een handboek met elf wenken over hoe te handelen als je met zo’n beladen familiegeschiedenis te maken krijgt. ‘Aanvankelijk dacht ik: mijn verhaal is hooguit interessant voor mezelf en mijn zus. Maar toen ik meer nazaten van NSB’ers leerde kennen, zag ik de overeenkomsten tussen onze verhalen. Ik besefte dat mijn zoektocht ook voor anderen van belang kon zijn. Voor veel nabestaanden blijft het ingewikkeld om erover te praten. Er rust nog altijd een stigma op. Uit recent onderzoek blijkt dat eenvijfde van de Nederlanders het onprettig vindt als nazaten van foute ouders publieke functies bekleden, alsof ze genetisch besmet zijn. Dat vind ik verbijsterend.’
De eerste wenk in haar boek: Verzamel de feiten. Tijdens haar onderzoek leerde ze dat opa Sjarrel in 1935 lid was geworden van de NSB, samen met oma Tootje. Dat hij al snel districtspenningmeester werd en adjudant van de gewestelijk leider van de partij in Zuid-Holland. Dat ze tijdens de Tweede Wereldoorlog trots lid bleven. Dat hun dochter, Sitalsings moeder dus, op haar 10de bij de Jeugdstorm ging, dat haar grootouders na de bevrijding – ze waren inmiddels gescheiden – allebei werden opgepakt, waarna Tootje een half jaar vastzat en Sjarrel vijf jaar.
Ondertussen zocht Sitalsing ook naar context, duiding en verklaringen – naar antwoorden op moeilijke vragen, kortom. Waarom voelden haar grootouders zich aangetrokken tot de NSB? Bekleedde Sjarrel als penningmeester en adjudant een hoge positie binnen de partij? En ook: wist hij van het allerergste, de gaskamers in Auschwitz?
Ze schetst in het boek hoe haar grootouders het weelderige leven in Indië noodgedwongen moesten verruilen voor een karig bestaan in Nederland, waar Sjarrel met een compagnon een bedrijf oprichtte voor de productie van ‘een wonderzalf tegen een lichamelijk ongemak dat de mensheid al eeuwen teistert’, zoals Sitalsing schrijft. Sjarrels avontuur in de ‘aambeienzalfbusiness’ strandde toen de keuringsdienst een giftig goedje in de zalf ontdekte: loodwit. Het bedrijf ging ten onder, hij bleef berooid achter. ‘Berooid en beter gewend’, schrijft zijn kleindochter negentig jaar later, ‘het is een linke combinatie’.
Met de vraag over Auschwitz ging je naar historicus Robin te Slaa, mede-auteur van het standaardwerk over de geschiedenis van de NSB.
‘Ik vond het eigenlijk een kindervraag, hij gaf er ook geen antwoord op, maar hij zei iets belangrijks dat voor mij een eyeopener was. Zelfs als we de gaskamers buiten beschouwing laten, dan nog kunnen we een oordeel hebben over iemand die bewust en actief NSB-lid was. De NSB was een radicale, antisemitische club die geweld verheerlijkte. Niet voor niets was de NSB al aan het einde van de jaren dertig verboden voor ambtenaren, het was duidelijk dat die beweging niet deugde. Toch heeft opa zich erbij aangesloten en hij was trouw en toegewijd, hij wist heel goed wat hij deed.’
Nijdig: ‘En dan toch liegen hè tijdens zijn verhoor. Dat vond ik zo miezerig allemaal, daar was ik boos over. Je kunt zeggen dat je niet wist waar het zou eindigen, maar je doet wel mee met zo’n systeem van onderdrukking.’
De bordjes met de tekst ‘Voor Joden verboden’ moet hij hebben gezien, bedoel je?
‘Ja precies, en daar was hij het ook mee eens. Dat paste helemaal bij zijn denkbeelden. Na de oorlog heeft hij daar geen afstand van genomen.’
Hoe weet je dat?
‘Dat heeft een familielid mij verteld en ik heb ook brieven van hem teruggevonden. Hij was boos en verongelijkt over wat er was gebeurd. Hij is altijd een antisemiet gebleven.’
Daarover laat je in het boek ook geen misverstand bestaan. Je oordeelt hard over hem. Doe je dat ook omdat je bang bent ervan beschuldigd te worden zaken goed te praten?
‘Toen de uitgever zei dat ik hiervan een boek moest maken, dacht ik: mijn God, dit is geen boek, dit is een mijnenveld.’
Waarom een mijnenveld?
‘Omdat je gauw iemand tegen het hoofd stoot. Er is veel ruzie gemaakt over de vraag hoe je moet praten over deze oorlog. Wie heeft recht van spreken, wie niet? Het is ingewikkeld om verklaringen te geven zonder ervan te worden beschuldigd de boel te vergoelijken.
‘Ik wil ook niets vergoelijken. Mijn opa was slim, hij had gestudeerd, hij had gereisd, hij had veel gelezen. Dan mag je – nee, dan moet je – hard over hem oordelen. Zijn handelen is niet te vergelijken met de jongens die ik tegenkwam tijdens mijn onderzoek, jongens die zich op hun 16de per ongeluk opgaven voor de SS en die vervolgens aan het oostfront zijn gesneuveld. Zij maakten eenmalig een verkeerde keuze. Mijn opa persisteerde in zijn keuze.’
En je oma?
‘Over haar ben ik milder omdat vrouwen toen een andere positie hadden. Ze is lid geworden van de NSB omdat haar man lid werd. Maar ze was fel in de leer en na de scheiding van opa kreeg ze een relatie met een Duitse militair. Toen ik in 1986 naar Nederland kwam om te studeren, woonde ze in een bejaardentehuis in Ede. Ik heb haar daar geregeld opgezocht, ze was een bokkige, zure vrouw geworden. Ze heeft geen leuk leven gehad.’
Je schrijft dat je je voor veel dingen schaamt, waar het deze geschiedenis betreft, maar vooral voor het feit dat je moeder het niet aan jou heeft verteld.
‘Eerst vond ik het vooral verdrietig voor haar dat ze haar hele leven met zo’n geheim heeft moeten rondlopen. Later zag ik in dat haar zwijgen iets afdoet aan de goede relatie die we hadden. Ik voel me een beetje bedonderd en dat is een naar gevoel.’
Is jouw beeld van je moeder gekanteld?
‘Ik ben gaan beseffen dat ze een afschuwelijke jeugd moet hebben gehad. Ze was als NSB-kind waarschijnlijk al niet populair. Toen kwam de oorlog. Daarna woonde ze bij haar oma in Den Haag, omdat haar ouders vastzaten. Haar eindexamen deed ze in haar eentje.’
Uiteindelijk trouwde ze met een Surinaamse man. Heeft dat nog gedoe met opa Sjarrel opgeleverd?
‘Dat weten we niet. Hij was niet op haar huwelijk, omdat hij na zijn vrijlating naar het buitenland vertrok. Mijn moeder was ook al in de dertig toen ze trouwde. Misschien was ze niet zo gevoelig voor zijn mening.’
Heb je door je onderzoek meer begrip voor haar gekregen?
‘Een van mijn belangrijkste drijfveren was om te begrijpen waarom ze had gezwegen. En dat is gelukt. Ik heb zoveel mensen gesproken uit NSB-gezinnen en ik heb gezien dat zwijgen een normaal patroon was, dat het verklaarbaar is. Mijn moeder moet hebben gedacht: als ik er niet over spreek, dan is het er niet. Ze heeft haar verleden zo veel mogelijk weggestopt.’
Terwijl Sitalsing de laatste hoofdstukken van haar boek schreef, raakte het Nationaal Archief verwikkeld in een rel rond de openstelling van de oorlogsarchieven. Het idee was dat de strafdossiers van opa Sjarrel, oma Tootje en ruim 400 duizend andere van collaboratie verdachte Nederlanders vanaf 2 januari 2025 vanuit de luie stoel online doorzoekbaar zouden zijn. Er ging langdurig en soms moeizaam overleg aan vooraf, tussen nabestaanden van Joodse slachtoffers, verzetsmensen en NSB’ers. Vlak voor de geplande openstelling stak de Autoriteit Persoonsgegevens een spaak in de wielen: in de dossiers kwamen bijzondere persoonsgegevens van nog levende personen voor.
Hoe kijk jij naar die discussie?
‘In de dozen van de leidinggevende van mijn opa vond ik lijstjes met namen die zijn doorgestuurd naar de Duitse bezetter, omdat zij mogelijk in het verzet zaten. En een briefje dat adviseerde een bepaalde meneer op te pakken als gijzelaar. Mij zeggen die namen niets, maar voor anderen is het misschien het ontbrekende puzzelstuk in het leven van hun opgepakte of omgekomen dierbare. Ik vind het hartverscheurend dat nabestaanden geen idee hebben dat dat briefje in een archiefdoos zit. Daar is die digitalisering voor nodig.’
Dan kunnen mensen dus ook in de doos van opa Sjarrel gaan neuzen.
‘Klopt. En dat heb ik heel ingewikkeld gevonden, want er zitten best wat persoonlijke dingen in. Een liefdevolle brief aan mijn moeder bijvoorbeeld. En fotootjes van een hondje. Ik dacht eerst: die informatie is van mij! Maar waarom eigenlijk? Omdat ik toevallig van hem afstam? Kijk, mijn moeder had een rechtstreeks belang. Die kwam er zelf in voor. Op dat punt geef ik de Autoriteit Persoonsgegevens gelijk. Zelf heb ik dat belang niet. Inmiddels vind ik dat alle stukken waarin geen levende personen voorkomen online mogen. Het is van ons, maar ook weer niet.’
Het viel ons wel op dat je nergens de achternaam van Sjarrel en Tootje noemt. Waarom niet?
‘Dat vroeg mijn zus ook. Jij bent toch zo voor openheid, waarom gebruik je dan niet zijn volledige naam? Mijn opa had een veelvoorkomende achternaam. Zou ik, door die te noemen, misschien allerlei mensen belasten met dezelfde naam? Ik wist ook niet of mijn moeder dat gewild zou hebben en ik kan het haar niet meer vragen.’
Je kunt haar ook niet vragen of ze dit boek wel had gewild.
‘Misschien ga ik over haar grenzen heen. Ik klamp me vast aan haar woorden vlak voor haar dood. Je moet het maar lezen, zei ze, misschien wil je er nog iets mee doen. Dat zie ik een beetje als toestemming.’
Nog even over die roomboterlezing. Heb je daar uiteindelijk nog je excuses voor aangeboden?
‘Nee, dat heb ik niet gedaan. Maar ik ben nagegaan in welke columns en lezingen ik allemaal mooie oorlogsanekdoten van mijn moeder had gebruikt. Dat viel gelukkig mee.’
In het boek schrijf je dat je je ook afvroeg of je nog wel voor de Volkskrant kon werken, of je nog columns kon schrijven over de democratische rechtsstaat en de opkomst van extreemrechts.
‘In het begin heb ik echt gedacht: o God, wat betekent dit, wat zegt het over mij? Ik had een opa en een oma die verkeerde keuzes hadden gemaakt, kon ik dan nog wel belerende en hoogdravende stukjes blijven schrijven over wat de politiek wel en niet goed doet? Het is een absurde gedachte, maar ergens had ik het gevoel dat het tegen me gebruikt kan worden. Omdat Nederland niet klaar is met de oorlog en vooral niet klaar is met de collaboratie.’
Je bent toch doorgegaan. Waarschuw je nu meer voor de gevaren van extremisme?
‘Dat denk ik wel. Ik heb veel gelezen over de jaren dertig en weet hoe makkelijk mensen toen radicaliseerden. Zo’n krant als Volk en Vaderland, die ik dagen achter elkaar heb zitten lezen, kweekte een denkwereld waarin het volstrekt normaal was om een bordje ‘Verboden voor Joden’ op te hangen. Als je elke dag die krant las, dan was het vanzelfsprekend dat die bordjes er kwamen. Want die Joden, dat waren verschrikkelijke mensen.
‘Toen ik aan mijn boek begon, was ik nog van mening dat je de tijd van nu niet mag vergelijken met de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog, want de geschiedenis herhaalt zich nooit. Totdat ik ging rondvragen bij historici en politicologen: zagen zij parallellen? Ja, die zagen ze. Toen dacht ik: dan mag ik de parallel hier en daar ook wel trekken. Je kunt op een voedingsbodem van ressentiment en onzekerheid heel makkelijk een systeem bouwen dat tot verschrikkelijke dingen kan leiden.’
Dit jaar hield je een lezing bij de Dokwerker in Amsterdam, tijdens de herdenking van de Februaristaking. Heb je getwijfeld of je dat moest doen?
‘Toen ik daarvoor werd gevraagd, heb ik Jaïr Stranders, de voorzitter van het herdenkingscomité, laten weten dat ik het ongepast vond om daar te gaan staan, omdat ik een foute opa heb. Ik was bang om mensen tegen het hoofd te stoten. Er komen daar ook oud-verzetsstrijders.’
Wat antwoordde hij?
‘Dat ik het daarom juist wel moest doen. En toen heb ik toegezegd. Bij het schrijven ben ik vervolgens op zoek gegaan naar een manier om mijn opa in de lezing te fietsen, zonder dat het verhaal over hem zou gaan. Ik was die dag ontzettend zenuwachtig. Dat heb ik anders nooit. Ik plaste bijna in mijn broek, zo bang was ik dat ik mensen zou beledigen. Dat ze zouden denken: hier zijn we onze helden aan het eren en dan staat daar zo’n vrouw van de foute kant, dus nu is de herdenking bedorven.’
En wat gebeurde er?
‘Helemaal niets. Ik kreeg een paar reacties van kleinkinderen die ook zo’n opa hadden. Een van hen mailde me en schreef dat voor hem de cirkel nu rond is. Omdat ik daar had gestaan.’
De titel van je boek is ‘Waar ik me voor schaam’. Waar schaam je je voor?
‘Dat ik zo’n familiegeschiedenis heb. Je kunt zeggen: het is lang geleden en ik kende mijn opa nauwelijks, dus wat heb ik daar nou mee te maken? Maar dat is te rationeel gedacht. Ik heb toch het gevoel dat het verleden op me afstraalt, alsof er iets valt goed te maken. O jee, dacht ik aanvankelijk, nu mag ik nooit meer op de stoep fietsen.’
Je voert ook je twee dochters op in het boek, nu 16 en 19 jaar oud. Zij halen hun schouders op over die familiegeschiedenis. Ze hadden het steeds over ‘die opa van jou’.
‘Ze hebben het manuscript meegelezen en toen kwamen ze die opmerking tegen. Ja, sorry mama, zeiden ze, dat bedoelden we niet zo hoor. Maar die man voelt voor hen heel ver weg. Ik ben nog steeds ambivalent: moet ik me hiervoor schamen of niet? Mijn dochters zijn dat gevoel voorbij. Het laat zien dat de scherpe randjes eraf gaan met het verstrijken van de jaren. Dat vind ik hoopvol.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant