Home

‘Is dat geluid mijn hartslag? Of de echo van de volgende raket?’

Journaliste Rita Baroud houdt voor NRC een dagboek bij vanuit Gaza. Dit is de eerste aflevering. ‘Elke druppel die we drinken is vervuild.’

Voor het eerst sinds het begin van deze oorlog zijn woorden echt machteloos. Niet omdat het tafereel vaag of complex is, maar omdat het veel te duidelijk is.

Dit is hongersnood.

Geen naderende dreiging, geen opdoemende mogelijkheid. Het is hier, nu, en ontvouwt zich onder ons.

Het vreet aan de lichamen van kinderen. Het brengt klagende moeders tot zwijgen – omdat klagen niemand meer voedt.

Een kind dwaalt rond, op zoek naar een stuk brood of een slokje water dat hem niet vergiftigt.

De honger is teruggekeerd naar Gaza.

En ook de dorst – met zijn scherpe tanden.

Brood is een droom

In Deir al-Balah maakt brood geen deel meer uit van de dag. Het is een droom.

Elke ochtend zie ik lange rijen zich uitstrekken voor de keukens van de voedselhulp – mannen, vrouwen en kinderen met holle ogen en een afwachtende houding.

Velen gaan met lege handen terug.

Soms wordt er een klein kommetje rijst of linzen uitgedeeld. Soms helemaal niets.

Gisteren hield een man een half brood omhoog en zei met tranen in zijn ogen tegen me: „Ik zweer het, dit is de eerste keer in dagen dat ik mijn kinderen echt brood geef. Niet bedorven. Niet klef. Gewoon brood.”

Toen huilde hij.

Water

Water? Vraag het me niet.

Elke druppel die we drinken is vervuild.

In Gaza is water een strijd geworden.

We meten het in milliliters. We nippen eraan alsof het een heilig ritueel is – niet omdat het heilig is, maar omdat het schaars is.

Sinds de gemeentelijke waterleidingen in maart werden afgesloten, overleven we op wat de tankwagens brengen, of op wat er nog in oude putten staat.

Maar zelfs dat water is niet veilig. De kleur is veranderd. De smaak is veranderd.

We drinken het terwijl we onszelf ervan overtuigen dat het ‘prima’ is – ook al weten we dat het niet zo is.

De angst voor besmetting is als de angst voor luchtaanvallen: onzichtbaar, maar altijd aanwezig.

Ik drink al drie dagen uit dezelfde beker. Ik kook het water, laat het afkoelen en drink het dan in kleine slokjes op.

Ik kan me niet herinneren wanneer ik voor het laatst echt gedoucht heb.

Een emmer, een plastic bekertje, en een paar minuten schaamte en kou – dat is mijn dagelijkse ritueel.

Foto Mahmoud Issa

Alles hier in Gaza is veranderd.

Zelfs de mensen. Zelfs hun gezichten.

Als ik over straat loop, heb ik het gevoel dat ik me beweeg tussen geesten.

Mensen lopen langzaam.

Niemand kijkt je recht in de ogen.

De schaamte van armoede, van honger, van hulpeloosheid is sterker dan spraak.

Honger

Wat me de laatste tijd het meest pijn doet, is niet slechts de honger – maar de manier waarop er met de honger wordt omgegaan.

Ik ken een winkelier in een straat verderop. Zijn deuren zijn altijd op slot.

Hij heeft meel, olie, pasta, maar verkoopt het niet.

Hij wacht op het moment dat we volledig instorten, het moment dat we bereid zijn neer te knielen en wat dan ook te betalen.

Een paar dagen geleden hoorde ik een vrouw buiten zijn winkel schreeuwen: „Waar is je geweten? Mijn dochter heeft al twee dagen niets gegeten!”

Maar hij antwoordde niet. Hij deed niet open. Hij bewoog niet.

Niemand grijpt in.

Bij een liefdadigheidskeuken in Khan Younis wachten ontheemde jongeren op eten. Een Palestijnse jongen van dertien, volgens zijn familie ondervoed, wordt aangekleed door zijn vader in een vluchtelingenkamp op de Gazastrook. 

Geen wetten. Geen toezicht. Geen menselijk fatsoen.

We leven onder een nieuwe vorm van autoriteit – niet alleen bezetting, maar de heerschappij van hebzucht en onverschilligheid. Elke keer dat ik een groentekar zie, of iemand een blik bonen hoor aanbieden voor drie keer de prijs, voel ik dat we niet alleen van buitenaf worden belegerd, maar ook van binnenuit.

Een blik melk – als je het kunt vinden – wordt verkocht voor de prijs van vier maaltijden.

Eieren zijn van de markt verdwenen.

Een kilo tomaten wordt geruild tegen een kilo rijst.

Voedsel is niet langer alleen een middel om te overleven.

Het is een symbool van vernedering geworden.

Van dood.

En meel?

Meel is bloed geworden.

Elke zak die ik zie, herinnert me aan de mensen die gebombardeerd werden terwijl ze erop wachtten.

Ik kan er niet naar kijken zonder de gezichten van de doden te zien.

Martelaren

Het enige ziekenhuis dat nog ‘functioneert’ in mijn omgeving is het Al-Aqsa Martelarenziekenhuis.

De spoedeisende hulp is er altijd vol – niet alleen met slachtoffers van luchtaanvallen, maar ook met nierpatiënten die geen dialyse kunnen krijgen, uitgedroogde kinderen en zwangere vrouwen die dringend geopereerd moeten worden zonder dat er instrumenten zijn.

In de buurt zijn tenten medische posten geworden.

In een ervan werden vroeger ontheemde gezinnen ondergebracht – nu heet de tent een ‘kliniek’. Binnen zit een arts, niet ouder dan 25, met een kapotte stethoscoop en twee vrijwilligers.

Geen medicijnen.

Geen laboratoriumtests.

Geen apparatuur.

Alleen pijnstillers die allang over datum zijn, en handen die proberen te verzachten wat niet te verzachten valt.

Hij vertelde me zachtjes: „Eerlijk gezegd behandelen we niet. We proberen alleen de pijn te verlichten. Elke dag sterft er iemand omdat we geen enkele pil te bieden hebben.”

De dood is in Gaza niet langer de uitzondering.

Het is de norm. Wat er overblijft aan leven is simpelweg een koppige weigering om te verdwijnen.

De nachten zijn ondraaglijk geworden.

Elke nacht probeer ik te slapen bij het geluid van oorlogsvliegtuigen in de lucht.

Elke ochtend word ik wakker met het nieuws van een bloedbad.

Elke keer als ik mijn telefoon check, zie ik een nieuw beeld van een kind – bedekt met stof of bloed.

Ik ben bang geworden om te overleven.

Bang om de last te dragen van het documenteren van nog meer pijn, terwijl iedereen om me heen sterft.

Deze angst is anders dan alles wat ik ooit heb gekend.

Hij is dieper. Zwaarder.

Hij verplettert de ziel.

Angst

Mensen verwachten van me dat ik schrijf. Verslag uitbreng. Documenteer.

Maar soms weet ik niet eens hoe ik mezelf moet vinden.

Ik schrijf over angst terwijl ik tril.

Ik schrijf over honger terwijl mijn maag verkrampt.

Ik schrijf over luchtaanvallen terwijl ik bij elke explosie mijn hoofd tegen de grond druk.

Ik word soms wakker terwijl ik stik.

Niet door stof, rook of hitte – maar door de angst dat ik nog leef.

Ik leg mijn handen op mijn gezicht, mijn borst, mijn ledematen – gewoon om er zeker van te zijn dat ik nog besta.

Ik luister naar mijn adem en vraag me af: is dat geluid mijn hartslag? Of de echo van de volgende raket?

Ik zit gevangen tussen twee versies van mezelf: een journaliste die zichzelf dwingt om deze hel te documenteren – en een mens die elke nacht neerstort in een kussen, huilend zonder geluid, met het gevoel dat er niets verandert, hoe hard ik ook schreeuw.

In Deir al-Balah doorleven we alle tegenstrijdigheden van deze wrede tijd.

Ons wordt verteld geduldig te zijn – terwijl we verhongeren.

Ons wordt verteld hoop te hebben – terwijl we onze kinderen begraven.

Ons wordt verteld te zwijgen – terwijl we stikken van de pijn.

En toch schrijf ik nog steeds.

Omdat schrijven mijn enige manier is geworden om te overleven.

Ik schrijf over deze honger, over deze holle gezichten, over zout water en een zinloze dood.

Ik schrijf over kinderen wier grootste dromen nu een blikje tonijn en een zak chips zijn.

Ik schrijf over Gaza – niet alleen als stad – maar als een gewond lichaam, dat langzaam wordt afgeslacht voor de ogen van de wereld, zonder dat iemand schreeuwt.

Als ik het niet doe, wie zal de wereld dan vertellen dat we hier zijn?

Dat we honger hebben?

Dat we dorst hebben?

Dat we gebombardeerd, verraden en vergeten zijn – maar nog steeds menselijk, nog steeds vechtend om te overleven?

Source: NRC

Previous

Next