Home

Bestsellerschrijver Christien Brinkgreve: ‘Soms word ik een beetje naar wakker, dan denk ik: wat heb ik gedaan?’

Christien Brinkgreve was bang voor de mogelijke reacties op haar boek Beladen huis, maar niet bang genoeg om ervan af te zien. De ‘minst interessante figuur’ uit het schrijversgezin Heerma van Voss nam haar plaats in en kwam prompt op nummer 1 van de bestsellerlijst terecht. ‘Dat heeft iets grappigs.’

is redacteur van Volkskrant Magazine. Voor Volkskrant Magazine interviewt ze bekendere Nederlanders.

De meest onverwachte bestseller van de laatste jaren, zo werd Beladen huis van Christien Brinkgreve onlangs in deze krant genoemd. ‘Dat kun je wel zeggen’, zegt de 75-jarige schrijver, socioloog en emeritus hoogleraar zelf. ‘Totáál onverwacht. Ik vreesde voor een publieke afstraffing en voor negatieve reacties van bekenden. Ik was bang dat ik enorm op m’n lazer ging krijgen, vooral van mannen van de generatie van mijn man, die dit volstrekt ongepast zouden vinden.’

Dat gebeurde niet. Wat er wel gebeurde: Beladen huis bereikte de hoogste positie op de bestsellerlijst, er werden podcasts, debatavonden en leesclubs aan gewijd, en inmiddels zijn er ruim dertigduizend exemplaren verkocht.

Het boek is een rouwmemoir, een diepgravend portret van een huwelijk waarin Brinkgreve en haar man steeds verder uit elkaar groeien, tot op zijn sterfbed zelfs een goed afscheid niet meer mogelijk is. Gesprekken zijn pijnlijk of lopen op niets uit, de verwijdering blijft, en uiteindelijk blijft zij achter in het met spullen, boeken en papieren volgestouwde en ‘intens verwaarloosde’ huis. Die man was de in 2022 overleden journalist Arend Jan Heerma van Voss, door haar in het boek afgekort tot A.

Brinkgreve lag wakker van de mogelijke reacties, was er bang voor. Maar niet bang genoeg om van publicatie af te zien. Beladen huis is dan ook een boek dat juist gaat over ‘ruimte innemen’ en over hoe moeilijk ze dat vond, binnenshuis, terwijl ze buitenshuis carrière maakte als hoogleraar Vrouwenstudies. Ze publiceerde boeken en gaf lezingen over feminisme en de ondergeschikte positie van vrouwen, maar ontkwam thuis niet aan wat ze ‘de karrensporen van het patriarchaat’ noemt. Het is een subtiel verhaal, niet over een dader en een slachtoffer, maar over alledaagse vormen van ongelijkheid: een man die ruimte neemt, een vrouw die zichzelf steeds verder wegcijfert.

Ze liet veel mensen meelezen, blijkt uit het dankwoord achterin: Brinkgreve noemt er veertig. Tien versies schreef ze, ze deed er tweeënhalf jaar over. ‘Het was een precaire onderneming. Ik was continu in gesprek, ook met mezelf: kun je dit doen? Zie ik mezelf scherp genoeg? Van de meelezers kreeg ik goede reacties. Mijn uitgever zei: dit zullen veel mensen herkennen. Toen was ik er geruster op. Maar dan denk je aan misschien tweeduizend of drieduizend lezers. Dat het zó pakt, had ik nooit gedacht.’

Een dikke stapel uitgeprinte mails ligt op de keukentafel. Berichten van lezers uit het hele land, die hun eigen relatie of die van hun ouders in Beladen huis herkennen, maar ook mails van vrienden en kennissen. ‘Vrienden van hem, mensen die met hem hebben gewerkt, schrijven dat ze hem door het boek beter zijn gaan begrijpen. Ze vinden het een liefdevol boek. Ze zien het niet alleen als een verhaal over ons huwelijk, maar ook als een portret van een generatie, waarin de mannen vaak vrij vanzelfsprekend de toon zetten. Maar misschien zijn er ook allemaal mensen boos die me dat niet zeggen, hoor. Dat weet ik niet.’

In zijn werkkamer komt ze nog steeds niet graag, al is het opgeruimder en valt het licht er weer naar binnen. Vriendin Lotte Houwink ten Cate, historicus en schrijver, die ze na zijn dood leerde kennen, zit er tegenwoordig elke woensdagochtend te werken. ‘Een orkaan op fluistertoon’, noemt zij Brinkgreve. ‘Juist doordat het zo kalm van toon is, maakt dit boek zo’n indruk. Ze heeft hiermee iets gedurfd wat bijna niemand zou durven.’

Houwink ten Cate noemt het ‘knap’, dat een verhaal over een huwelijk dat zich afspeelt in zo’n specifiek milieu als Amsterdam Oud-Zuid, in een huis op een steenworp afstand van het Concertgebouw waarin een gezin met vier schrijvers woonde (naast Brinkgreve en haar man schrijven ook hun twee zoons), zo herkenbaar is voor zo’n grote groep lezers.

Het is dan ook geen portret van Oud-Zuid, zegt Brinkgreve. Wie zegt dat het boek een milieuschets is, mist de essentie. ‘Dat blijkt al uit al die reacties, dat het daar niet over gaat. De reacties komen van vrouwen én mannen uit alle sociale klassen. Dit huis, wat overigens een huurhuis is, is een decor, het boek gaat over genderdynamieken, die je van huis uit meekrijgt en vaak onbewust doorwerken. Het gaat over allerlei vormen van onvermogen die heel weinig met klasse te maken hebben. Ik vind het zelf vooral een verdrietig boek. Ik vind het eerder tragisch dan hoopvol.’

Dan weer monter: ‘Hoewel sommige mensen het ook weer hoopvol vinden. Als ik ze vraag waarom, dan zeggen ze: omdat je toch een manier kon vinden om door te gaan.’

Ze bladert door de stapel mails. ‘Hier: ‘bevrijdingsboek’. Dat schrijft een man, hè.’ Pakt een ander velletje, leest voor: ‘Het briljante aan het boek is dat je hem helemaal overeind houdt, zonder voorbij te gaan aan zijn vervelende kanten. Dat je je eigen onderschikking hebt onderzocht, een deel van de schuld op je hebt genomen. Dat vind ik grandioos. Je boek werkt bevrijdend, ik wapper ermee naar onbewust patriarchale vrienden en vriendinnen. Het is dus ook een strijdwapen.’

‘Dit deed me heel veel, vooral omdat ze schrijft dat ik hem overeind houd. Omdat ik dat zó heb gewild. Mijn grootste angst was dat het als afrekening zou worden gezien. Ik heb er zo lang aan gewerkt omdat het evenwichtig moest zijn. In de eerste versie had ik de blik erg op hem. Het boek is gaandeweg meer een zelfonderzoek geworden. Ik begon in te zien dat ik mezelf toch ook erg uit die relatie heb verwijderd, door veel weg te zijn, naar mijn werkkamer boven, en later drie dagen per week alleen naar ons huisje in Egmond.’

Zijn er dingen die je buiten het boek hebt gehouden, en waarom?

‘Ik heb het niet zoeter of zachter gemaakt, de pijn er niet uit weg willen halen. Maar er staat natuurlijk ook veel níét in, dat is logisch. Het is geen kinderboek met de titel De gemene streken van Arend Jan, het moest geen opsomming van nare scènes worden. Dat is niet interessant en daarmee doe je hem en het verhaal tekort. In een laat stadium kwam ik mails tegen die we aan elkaar stuurden, en waaruit ik in het boek heb geciteerd. Ook dat was een afweging, kan dat, mag dat? Ik vond van wel, ik kon op die manier zijn stem laten horen. En het laat zien dat we ondanks alles toch nog contact hadden. Dat was ik kwijt, dat was in mijn herinnering weggeslagen, overwoekerd geraakt. Uit die mails blijkt dat hij inzicht had in wie ik was en veel meer van me hield dan ik soms besefte.’

In een van die mails gaat het over hoe jij naar je moeder kijkt. Hij schrijft: ‘Ze had niet alleen de rol waarvan jij je wilde bevrijden, maar – in dat beknottende huwelijk – ook een waar je haar soms om benijdde, vanwege de verbondenheid die zij daarin vond.’

‘Ja, wat zag hij dat raak. Dat is het helemaal, mijn leven in een notendop. Ik wilde één ding, en dat was niet het leven van mijn moeder. En dat is me ook gelukt. Zij was zo getalenteerd, maar kon niets met haar tekentalent, omdat ze vier kinderen kreeg, het werk van mijn vader ging voor. Bij vlagen was ze depressief. Het was een fluctuerende beweging, als kind was ik er altijd op gespitst. Ik denk dat het mij gevoelig heeft gemaakt voor ontstemming, ik doe alles om dat te voorkomen, om in de noden van de ander te voorzien.’

Ergens benijdde je je moeder dus ook.

‘Omdat haar huwelijk met mijn vader hechter was dan mijn eigen huwelijk. En ik denk dat dat ook komt omdat zij als vanzelfsprekend meer op haar man gericht was dan ik. Zij was thuis het baken, en ik voelde hoezeer mijn vader haar daarvoor waardeerde, hoeveel warmte er was, aan het einde van hun leven. Die verbondenheid, daar kon ik erg naar verlangen, omdat die bij ons vaak ontbrak. Dat Arend Jan dat zag, in die mail, mijn gemis voelde, maar dat niet veroordeelde, is heel mooi.’

Hoe kan het eigenlijk dat mailen wel lukte en praten niet?

‘Hij vond het steeds moeilijker om mij aan te kijken, mijn blik te voelen. Dan kon hij zich niet goed concentreren, zijn gedachten niet meer ordenen, dan was hij bang dat ik hem wegvaagde. Dat zei hij ook. ‘Ik kijk gewoon lief naar je’, zei ik dan terug. Hij voelde zich veiliger in de werkkamer achter die laptop. Aan tafel was het moeilijker. Ik was altijd bang om iets verkeerd te zeggen, om ontstemming op te roepen, te enthousiast te zijn of juist te stil. Aan tafel hadden we het over koetjes en kalfjes, persoonlijke dingen deden we via de mail.’

Dus dan stuur je een persoonlijke mail, en de volgende dag zit je samen te ontbijten en niemand zegt er wat over?

‘Soms vroeg ik of hij mijn mail had gelezen, en dan zei hij ‘ja, ja, ik mail je straks terug’. Of hij zei: ‘Het was me nog even te machtig, ik moet ervan bijkomen.’ Soms zaten er ook een paar dagen tussen, en in de tussentijd kon het ook best gezellig zijn.’

Tien jaar geleden maakte huisvriend Pieter Verhoeff een documentaire, Privéterrein, over de gespannen verhouding tussen privé en publiek in jullie schrijversgezin. Heb je die nog teruggekeken, voor het boek?

‘Ja, daar zat alles eigenlijk al in hè? Ik was er beducht voor, maar ik vond het eigenlijk een heel raak portret, waarin je ook de gezinsdynamiek ziet, dat kleinerende naar mij. Als het gaat over de vraag of het voor mij moeilijk was om plek in te nemen in het mannengezin, neemt Arend Jan het woord om te beginnen over mijn ‘werdegang’ aan de universiteit, over dat het daar ook niet makkelijk was. Ik noem de universiteit dan, vergeleken met het gezinsleven, een makkie, qua plaats veroveren. De oudste zoon neemt het, zoals vaker, voor me op, door te zeggen dat werdegang geen aardig woord is, Arend Jan ontkent dat vurig, er ontvouwt zich een discussie over de woordenboekbetekenis van werdegang, en ik zit er een beetje bij. Het ging helemaal over mijn hoofd heen, en ik liet het gebeuren.’

Heb je tijdens het schrijven zijn blik gevoeld? Gedacht: wat zou hij ervan hebben gevonden?

‘Ja.’ Ze wijst naar een ingelijste zwart-witfoto aan de wand. ‘Ik heb de foto zo gehangen dat hij niet meekijkt als ik schrijf, als je begrijpt wat ik bedoel. Ik denk dat hij dit boek niet fijn zou hebben gevonden. Terwijl, en nu ga ik me weer verdedigen, het ook een liefdevol portret is. Maar nee, hij had dit zeker niet fijn gevonden. Ik had de ontvangst niet beter kunnen wensen, ook omdat het echt over de thema’s gaat, over de patronen, die breed worden herkend, en nauwelijks over hem. Maar ja, ik heb wél iets blootgegeven, ook van ons onvermogen, en door het succes wordt dat nog eens duizendmaal vergroot. Daar lig ik soms een beetje naar wakker van.’

Wat is precies de gedachte waarvan je naar wakker ligt?

‘Wat heb ik gedaan? Het gaat er in die gedachten altijd om wat hij ervan gevonden zou hebben. En daarin voel ik dat er iets doorwerkt waar het boek óók over gaat, namelijk dat ik altijd denk: ik doe iets verkeerd. Aan die beklemming, aan mijn angst voor de ontvangst, kun je aflezen wat de druk is om binnen de orde te blijven, om op je plaats te blijven. En wat het in jezelf oproept, als je meer plaats inneemt.’

Angst.

‘Ja, in mijn geval angst voor boosheid, voor de straffende hand, voor iemand die zegt: wie denk je wel dat je bent? Moet jij nou ook zo nodig? Die hoon is er eigenlijk nauwelijks, die zit in mijn hoofd.’

Arend Jan heeft zelf ook een memoir geschreven, Dokie, over zijn familiegeschiedenis.

‘In zijn boek is hij onbarmhartig over zijn ouders, die toen al niet meer leefden. Dokie is zijn zusje, dat op haar 7de overleed bij een verkeersongeluk. Hij was toen 3, en voor hem was zij een moederfiguur. Haar plotselinge wegvallen, en het aanvankelijke liegen van zijn ouders over wat er met haar was gebeurd, heeft bij hem geleid tot wantrouwen en verlatingsangst. Hij is in dat boek hard, heeft maar weinig mededogen met mensen die toch een kind hebben verloren. Dus ik denk ook: waarom zou ik het dan niet mogen doen, schrijven over pijnlijke zaken, over onvermogen in het intieme leven?’

Toen ze elkaar leerden kennen, ruim veertig jaar geleden, was hij nog getrouwd, hij had twee dochters. Brinkgreve was zelf al zes jaar gescheiden. ‘Ja, ik heb een rare levensloop. Toen ik 17 was kwam er een man voorbij, een kennis van mijn vader, een architect, een leuke, aantrekkelijke man voor wie ik viel als een blok. Dat deze man ook iets in mij zag, vond ik ongelooflijk, want ik vond mezelf vrij onaantrekkelijk. Ik dacht aldoor: ik val door de mand, nu ziet hij wat ik eigenlijk ben, maar hij bleef dol op me.’

‘Ik trouwde met hem, ook om te ontsnappen aan mijn ouderlijk huis, aan de depressies van mijn moeder en aan mijn onvermogen om haar te redden. Je kunt zeggen dat ik het bij Arend Jan wéér probeerde, hem te redden, en dat ik toen opnieuw tegen mijn eigen onvermogen ben aangelopen.’

Waarom hield het huwelijk met de architect geen stand?

‘Hij was als de vader die me de wereld liet zien, en ik werd in de loop der jaren een steeds opstandiger kind.’

Klinkt niet echt als een gelijkwaardige relatie.

‘Het was eigenlijk mooi zolang het ongelijkwaardig was. Zolang hij mij de wereld kon laten zien. Maar ik ging studeren, ik werd kritischer, vond dat hij soms domme dingen zei. Hij wist precies wat mooi en lelijk was. Ik studeerde sociologie en zei dat smaak afhankelijk was van tijd en context. Hij kon daar helemaal niet tegen. Ik heb hem eerst op een voetstuk gezet en daar toen vrij puberaal keihard vanaf getrokken. Ik was 24 toen ik vertrok. Wat ik eerst had overgeslagen, het studentenleven, het feesten, heb ik daarna enorm ingehaald. Een rommelige tijd. Veel relaties. Ik was 30 toen ik Arend Jan ontmoette. Hij had iets raadselachtigs wat me aantrok, hij kon goed luisteren en veel doorzien. Ik viel ook op zijn taal, die was zo scherp, zo helder.’

De uitgever noemt je boek ‘relationele archeologie’, een zoektocht naar het antwoord op de vraag waar na de eerste mooie jaren de verwijdering tussen jullie begon.

‘Wat ik hem kwalijk heb genomen, en mezelf ook, was het verkopen van mijn huis op de Noorderstraat. Hij was na zijn scheiding bij mij ingetrokken. We woonden daar, in het huis waar ik ooit met mijn ex-man had gewoond en dat ik na mijn scheiding van hem had gekocht. Arend Jan wilde in Oud-Zuid wonen. Hij was er niet gelukkig, zei hij, hij had er ook moeite mee dat ik daar met andere mannen had gewoond. Ik wilde niet weg, maar ik heb me, na aanvankelijk verzet, laten overtuigen.’

Maar erop terugkijkend had je, schrijf je in het boek, gewoon nee moeten zeggen.

‘Ik kon het niet. Ik denk dat ik bang was dat hij dan zou vertrekken. Ik was degene die inbond. Ik had de hoop dat hij in dit nieuwe huis gelukkiger zou zijn. Wat ook zo was, in het begin. We hebben hier goede jaren gehad. Beide zonen zijn er geboren, veel vrienden over de vloer.’

Wat ook opvallend is, is dat op vakantie de sfeer goed is, en thuis niet.

‘Op vakantie kon ik niet weglopen, op vakantie was ik aan hem toegewijd.’ Ze bladert door de stapel e-mails. ‘Ik kreeg een brief van een man van 73, ik zoek hem even op.’ Leest voor: ‘Die behoefte aan de zekerheid dat mijn partner zich helemaal op mij richt, herken ik. Ook de opperbeste stemming wanneer ik de deur van ons huis achter me dichttrek en samen met mijn vrouw op vakantie ga. Dan ben ik in een situatie die ik wil. Dan heb ik haar voor mezelf.’ Die man snapt het precies. Zo was het. Het verbaasde me dat, als we weer thuiskwamen na zo’n leuke vakantie, de stemming snel weer omsloeg.’

Hij noemt je op een zeker moment ‘een vrouw die er nooit was’.

‘Terwijl: ik was er veel vaker dan hij. Ik was veel meer bezig met de kinderen, richtte mijn werk zo in dat ik dat kon doen. Hij vond het gewoon dat hij zelf de deur uit ging, maar voor mij lag dat anders. Aan het eind van zijn leven vroeg ik hem hoe het kon dat de dingen die hij eerst aan me waardeerde, mijn autonomie, mijn werk, hem later juist in de weg zaten. Hij zegt: ‘Ik had gehoopt dat je je na je proefschrift helemaal aan mij zou wijden.’ Dat is natuurlijk niet een redelijk of volwassen verlangen, maar dit gaat ook helemaal niet over redelijke dingen. Hij had verlatingsangst, en die had met zijn eigen geschiedenis te maken. Maar dat had ik eerst niet in de gaten. Ik ging aanvankelijk ook uit van een gelijke verdeling.’

Niet echt, toch? De strijd om de taakverdeling in huis ging je niet aan, schrijf je. Je durfde het niet.

‘Ik denk dat ik snel in een oud, bekend patroon viel. Ik heb gedacht: wat is haalbaar en wat niet? Ik ging het conflict uit de weg. Er zat ook van meet af aan al iets ongelijkwaardigs in, hij had al twee dochters en hoefde niet zo nodig nog kinderen. Hij was heel blij met onze zoons, maar ík was degene die kinderen wilde.’

Dus voelde je je verantwoordelijk.

‘En dat is natuurlijk ook weer zo’n karrenspoor. Ja, ik voelde me verantwoordelijk, ik moest zorgen dat hij er niet te veel last van had. Ik zocht naar andere oplossingen. Ik zorgde dat ik twee dagen per week thuis kon werken en vond een oppas die vier dagen per week kwam. Hij kon vijf dagen per week blijven werken. Ik werd er wel op aangesproken, door feministische vriendinnen. Die vonden dat ik de strijd thuis niet aanging, en dat was waar.’

Het emancipatieproces van vrouwen tijdens de tweede feministische golf was voor sommigen van hen ‘een gemengd genoegen’, schreef je in 1988 in je oratie. Het leek aantrekkelijk: het combineren van interessant werk met de zorg voor kinderen, maar de combinatie kwam voor vrouwen vaak neer op ‘een overbelast en overgereguleerd bestaan’. Bovendien vereiste het een partner die meedeed, die het niet erg vond om ‘enige veren te laten wat betreft eigen carrièremogelijkheden of vrije tijd’.

‘Mijn generatie was de eerste die er geen baantje bij deed, maar echt een professioneel leven had, heel anders dan onze moeders. Een enorme vooruitgang, maar als je keek naar de praktijk, zag ik ongelijkheid: hollende vrouwen, schuldgevoel, een gevoel van tekortschieten. En de mannen die écht meededen waren schaars. Er waren veel mannen die de vrouwenstrijd in woord steunden, maar in de praktijk niet. Toen ik gebeld werd met de vraag of ik hoogleraar Vrouwenstudies wilde worden, was het eerste wat ik dacht: dat kan niet, want ik heb een kind. Ik voelde dat hij er niet om zat te springen. Ik deed het toch, maar het voelde alsof ik daarmee ergens tegenin ging.’

Het is toch gek, dat je zelf zo scherp ziet wat nodig is, maar binnenshuis geen discussie over de taakverdeling begint.

‘Ja, het is gek, ik liet dat kennelijk in mijn eigen huwelijk al snel varen. Het moest prettig blijven. Ik was pragmatisch, denk ik. Het leek me niet haalbaar, dat hij meer zou gaan doen. Op deze manier liep het.’

Het liep, maar je beschrijft de tijd met jonge kinderen wel als een tijd van ‘totale uitputting’, van ‘afzien’, zonder ruimte voor films, concerten en etentjes. Toen je over die vermoeidheid iets zei, in een interview in de Volkskrant naar aanleiding van je oratie, werd daar de kop ‘Altijd moe’ boven gezet.

‘Ik was wel echt ongelooflijk moe. Ik denk alleen dat ik nog vermoeider was geweest als ik thuis ook nog strijd had moeten voeren over de taakverdeling. Ik nam de weg van de minste weerstand.’

En hij begon er ook niet over, als progressieve man.

‘Nee. Dat is denkbaar, maar dat gebeurde in het algemeen zelden.’

Denk je dat in die ongelijke taakverdeling ook een oorzaak ligt van het uit elkaar groeien?

‘Ja, ik denk dat je gelijk hebt dat het afstand tussen ons veroorzaakte. Misschien dat de wrok over die ongelijke verdeling erger was dan ik wil toegeven. Ik was net hoogleraar, een heel zware baan, en onze oudste zoon was vaak benauwd, dus ik moest er ’s nachts vaak uit. Ik zag er afgepeigerd uit in die tijd. Maar ik dacht ook: als ik hem wakker maak, zijn we allebei wakker. Ik hield iets in stand, daar ben ik het mee eens. Het was oneerlijk, en tegelijkertijd telde ik mijn zegeningen, ik was blij dat ik het allebei kon doen, dat ik moeder was én hoogleraar. Het was een wankel bouwwerk, dat mocht niet in elkaar storten.’

Had je altijd een sterke kinderwens?

‘Nee. Als ik vroeger met mijn zusjes speelde, was ik altijd de vader. Dat leek me de ideale rol. Dat je thuiskwam en het eten klaarstond, de kinderen er waren. Ik ben lang bang geweest om kinderen te krijgen. Ik had als kind altijd het gevoel dat wij mijn moeder te veel waren, en ik wou kinderen niet belasten met dat gevoel. Mijn stiefdochters hebben mij uit die angst gehaald, ik vond het fijn als ze kwamen, ik viel mezelf in de omgang met hen erg mee. Toen dacht ik: ik kan dit wel.’

Je schrijft ergens: ‘Ik ontleende er ook veel aan door bij deze man te horen.’ Wat dan?

‘Ik liep niet over van zelfvertrouwen of van zelfrespect. Ik vond hem veel interessanter dan mezelf. Het feit dat hij op mij viel, daar ontleende ik iets aan. Als zo iemand als hij iets in mij zag, dan zal ik wel wat zijn. Eigenlijk precies zoals met mijn eerste man. Ik had de blik van interessante mannen nodig om mezelf de moeite waard te vinden.’

Wat voor invloed had hij op jouw zelfvertrouwen?

‘In het begin wel een goede, maar dat werd gaandeweg minder. Hij was een erg kritische man, zelden was iets echt goed. Ik voelde me vaak klein en onzeker. Al heb ik er ook veel aan gehad, op momenten, zeker in mijn werk, hij hielp mij autonoom te denken.’

Je beschrijft een scène aan zijn bed, een paar weken voor zijn dood, een gesprek over de vriendin van je zoon. Hij noemt haar ‘wel erg ambitieus’. Niks op tegen, ‘als het maar niet ten koste gaat van man en kinderen.’ Jij vraagt of hij jou daarbij in gedachten heeft. Hij zegt: ‘Maak jezelf toch niet altijd groter dan je bent.’

‘Dat was een vreselijke zin. Want dat was altijd precies mijn angst, het niets voorstellen. Het gevoel dat hij gelijk had. Er werd iets diep geraakt. En ik voelde ook woede, dat hij zo naar me keek. Hij had die kleineringsmacht, ook over anderen. Ik heb vrienden die zeggen dat ik goed overeind ben gebleven. Dat is waar, maar ik heb er ook onder geleden. Je hoopt van een partner iets anders, dat hij je optilt en alles gunt. Het is een verdrietige ontwikkeling geweest. Zeker na zijn pensioen, in 2006, toen stortte zijn leven eigenlijk in, terwijl ik in mijn werk juist vrijer en productiever werd. Dat verschil vond hij heel pijnlijk.’

Was dat jaloezie?

‘Dat kun je zo noemen. Hij voelde zich overbodig, was boos dat hij buitenspel was gezet.’

Lotte Houwink ten Cate zei: ‘De Christien die ik nu ken, was niet gebleven in dat huwelijk.’

‘Ik denk dat ze gelijk heeft, al voel ik me nog altijd verwant met degene die bleef. Ik kon het niet over mijn hart verkrijgen. Als ik had willen scheiden, had het eerder gemoeten. Na zijn pensioen kon het niet meer, ik was bang dat hij zou verkommeren. Hij was óók een weerloze man. Hij joeg me weg, maar had me ook nodig. En ik voelde me verantwoordelijk voor hem, misschien omdat ik dat van huis uit heb meegekregen. Ik vind het niet alleen een slechte erfenis. Ik ben gebleven, maar ik heb gezorgd dat ik zelf in stand bleef, bijvoorbeeld door drie dagen per week naar Egmond te gaan.’

Heb je er spijt van, dat je het zo hebt gedaan?

‘Nee. Ik wilde voor hem blijven zorgen. Maar ik voel wel wat het me gekost heeft. Het verdriet, de eenzaamheid. Ik voelde die laatste jaren maar weinig waardering voor wie ik was of wat ik deed. En dat gaat ook in jezelf zitten.’

‘Mannen nemen, en krijgen, meer ruimte om hun beschadigingen uit te leven,’ schrijf je. ‘Alsof ze meer recht hebben op begrip, op het aanpassen van de ander om in hun noden te voorzien.’ Jij noemt het de empathiekloof. Dit boek is ook, weer, een poging hem te begrijpen.

‘Dat klopt. Dit boek is een zelfonderzoek, maar inderdaad, ook weer een poging hem te begrijpen. Dat deed ik meer bij hem dan omgekeerd. Ik was al blij geweest als hij had gezegd: ‘Ik zie dat je verlangt naar meer verbondenheid, maar ik kan je dat niet geven.’ Dat zou al een vorm van intimiteit zijn geweest. Hij zei altijd alleen maar: ‘Ik weet dat het geen pretje is om met mij te leven.’ Einde gesprek.’

In Het archief, de autobiografische roman van je jongste zoon Thomas, wordt het sterfbed van een vader beschreven. Zijn zoon ziet in dat voor intimiteit niet altijd woorden nodig zijn. Hij zoekt het in naast elkaar zitten, het samen kijken naar een oude film, het ophalen van herinneringen aan acties van voetballers. De laatste weken, voor jou een ‘niet-afscheid’ en een open wond, worden in Het archief liefdevol beschreven.

‘Het was pijnlijk om te lezen, omdat ik dacht: het klopt, zo was het tussen hen. Ik was er ook jaloers op. Ik wou zo ontzettend graag waardering krijgen, terugblikken op hoe ons huwelijk was gelopen, op wat we wél gehad hadden, de mooie dingen terughalen. Toen ik het las, dacht ik: dit had ik ook moeten doen. Maar ik kon het niet. Ik was te boos, denk ik. De verwijdering was al te groot.’

Wat vond je van de moederfiguur in het boek, die geen hoogleraar is maar juf op een basisschool?

‘Ik voel vaak wat ongemak bij de moederfiguren in de romans van mijn zoons, die naar mijn idee kleiner en onbeduidender worden gemaakt dan ik ben. Ik vermoed daar een loyaliteit aan hun vader in, maar we hebben het daar nooit over gehad. De vader is in de boeken van de kinderen altijd de interessantere ouder.’

In 2013 nam je deel aan een door je oudste zoon Daan georganiseerd ‘literair tribunaal’, na het verschijnen van zijn autobiografische roman De vergeting. Je sprak hem daar in het openbaar toe omdat je pijnlijk was getroffen door hoe hij de moeder in dat boek had neergezet.

‘Ik heb dat gedaan omdat hij het me vroeg, maar ik vond het verschrikkelijk moeilijk. Hij had beschreven hoe hij als benauwd kind ’s nachts bij zijn vader op schoot zat, in de badkamer. Terwijl ik daar altijd zat, met hem. Dat was iets primairs, dat me dat werd afgenomen. Het idee van een literair tribunaal vond ik hachelijk maar interessant, over de vraag waar de grens ligt tussen wat je wel en niet mag opschrijven. Ik ben blij dat ik heb meegedaan, zonder ironie. Ik heb de pijn laten zien, mijn plaats ingenomen. En met dit boek doe ik dat eigenlijk weer.’

Er zijn vier kinderen, dat maakt dit boek ook tot een gevaarlijke onderneming.

‘Dat is het zeker. Ze vinden het alle vier moeilijk, maar ze gaan er verschillend mee om. Twee vinden het niet leuk, maar begrijpen hoe belangrijk het voor mij is en kunnen ermee leven. Bij de andere twee ligt het moeilijker.’

Gaat het om de inhoud van het boek, of dat het er überhaupt is?

‘Dat het er überhaupt is, denk ik. Ik hoopte: als ze het lezen, en ik liet het ze uiteraard van tevoren lezen, dan snappen ze het, dan is de lucht geklaard. Dat was niet zo. Ik vind het pijnlijk en verdrietig, maar ik heb dit boek toch willen publiceren. Ik merkte hoeveel mensen zich erin herkenden, dat was voor mij ook een belangrijke overweging om het wel uit te brengen. En anders zou ik doen wat ik in mijn leven al te veel heb gedaan: mijn eigen wensen ondergeschikt maken aan die van anderen.’

Het werpt wel een schaduw, neem ik aan, over het succes van het boek.

‘Het schrijnt. Ik vermoed dat het met de loyaliteit aan hun vader te maken heeft. Het is nu niet goed bespreekbaar. Misschien moet er tijd overheen gaan.’

Je schrijft: ‘Mag een moeder dit doen, mag ik als moeder dit boek schrijven? Overtreed ik een ongeschreven regel als ik het schrijverschap laat voorgaan boven andere afwegingen?’ En: ‘Wat betekent veiligheid bieden: betekent het een levenslange toewijding waarbij je zelf onuitgesproken blijft?’

‘Dat zijn vragen waarmee ik heb geworsteld. De orde is dat de mannen interessant zijn. Ik ben vanzelfsprekend, ik ben er, om de zaak in stand te houden. En die orde is nu verstoord. Die heb ik met dit boek verstoord. Daar voel ik ongemak bij. Dit hoort niet. Maar ik vind het ook goed dat ik het gedaan heb.’

Schrijver en journalist Joost de Vries schreef in de Volkskrant: ‘Dat zijn zonen, Daan en Thomas, na zijn overlijden veel en vakkundig over hem zouden schrijven zag iedereen aankomen. Essays, columns, autobiografische romans. Wat daarentegen niemand verwachtte, was dat het hun moeder, Christien Brinkgreve, was die er met de gouden eieren vandoor ging.’

‘Ik vond dat wel een grappig beeld, ik zag een tekening uit een kinderboek voor me, van een moeder met een schort die wegholt met haar zakken vol gouden eieren. En het heeft natuurlijk ook iets grappigs, dat de moeder, de minst interessante figuur uit het gezin, op nummer 1 van de bestsellerlijst terechtkomt.’

Cv Christien Brinkgreve

8 augustus 1949 Geboren in Amsterdam
1978 Boek Margiet weet raad. Gevoel, gedrag, moraal in Nederland (met Michel Korzec)
1979 De opkomst van het Psychotherapeutisch bedrijf (met Abram de Swaan en Jan Onland)
1984 Promoveert met proefschrift over de geschiedenis van de psychoanalyse in Nederland
1987-1991 Hoogleraar Vrouwenstudies aan de Universiteit Nijmegen
1988 De belasting van de bevrijding (oratie)
1991 Hoogleraar Primaire samenlevingsvormen, levensloop en identiteit aan de Universiteit Utrecht
1992 De vrouw en het badwater: over de lusten en lasten van het moderne (vrouwen)leven
1997 Van huis uit: een onderzoek naar sociale erfenissen (met Bram van Stolk)
1999 Huismensen: essays en columns over vrouwen, mannen en kinderen
2004 Vroeg mondig, laat volwassen
2006 Wie wil er nog moeder worden? (met Egbert te Velde)
2009 De ogen van de ander. De sociale bronnen van zelfkennis
2010 Licht en schaduw. Vijftienvrouwen over leven en overleven (met Halleh Ghorashi)
2010 De winst van verschil: masculiene en feminiene kwaliteiten in leiderschap (met Eric Koenen)
2012 Het verlangen naar gezag. Over vrijheid, gelijkheid en verlies van houvast
2014 Vertel. Over de kracht van verhalen
2017 Weten vraagt meer dan meten (met Sanne Bloemink en Eric Koenen)
2018 Het raadsel van goed en kwaad. Over wat mensen beweegt
2020 Taalkracht (met Eric Koenen en Sanne Bloemink)
2021 De ruimte van Herman Hertzberger
2025 Beladen huis

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Lees hier alle artikelen over dit thema

Source: Volkskrant

Previous

Next