Home

Laat je overrompelen door de geweldige queerklassieker van Djuna Barnes – en lees vooral de nieuwe vertaling

De queerklassieker Nachtwoud drijft op de wonderlijke, woekerende taal van Djuna Barnes, nu in frisse nieuwe vertaling. Tussen de artistieke outcasts in het Parijs van de jaren twintig beleeft haar alter ego een pijnlijke liefde.

schrijft voor de Volkskrant over literatuur.

Iedereen die nieuwe vrienden maakt of verliefd wordt, kent het fenomeen van het heilige cadeaugegeven boek.

Iemand geeft je een boek en zegt: dit is het mooiste boek dat ik ken. Onderliggende boodschap: dit boek ben ik. Lees dit en je begrijpt mij.

Op die manier las ik in de loop der jaren Italo Svevo’s Bekentenissen van Zeno, J.-K. Huysmans’ Tegen de keer, Uitgenodigd van Simone de Beauvoir, Yoshikawa’s Musashi, Murakami’s Slaap – en: Nightwood van Djuna Barnes.

In geen van die gevallen begreep ik de cadeaugever beter door het lezen van het boek. In sommige gevallen begreep ik van de boeken weinig. Het alleronbegrijpelijkst vond ik Nightwood (1936), dat ik ook nog in het Engels las terwijl het wat stilistische complexiteit betreft in de buurt komt van Ulysses.

Wat ik wél begreep: Nightwood moet je niet lezen om iets te willen vinden. Hoe lees je het wel? Hoe ga je een boek als dit te lijf?

‘Volkomen onbegrijpelijk’

Iedereen die schrijft over Nachtwoud zegt twee dingen: het boek is moeilijk en het verhaal is makkelijk samen te vatten. Ook in de zojuist verschenen nieuwe vertaling van Erik Bindervoet komt dat terug. In haar nawoord schrijft Xandra Schutte dat het boek ‘volkomen onbegrijpelijk’ voor haar was toen ze het voor het eerst las. Bindervoet begint zijn toelichting met een citaat van de Duitse vertaler Wolfgang Hildesheimer, die schreef: ‘Sie hat es dem Leser nicht leicht gemacht’, en voegt daaraan toe ‘en de vertaler ook niet.’

Maar om begrip gaat het niet altijd. Zo vraagt bijvoorbeeld poëzie een andere leeshouding dan die van rationeel begrijpen alleen – oor voor muzikaliteit, gevoel voor taal, voor ongewone associaties, voor verrassingen. In die zin is Nachtwoud het beste te benaderen als poëzie. Het boek golft over je heen als je het achter elkaar leest, zonder dat je precies kunt zeggen waar je getuige van bent geweest, terwijl je ondertussen voortdurend blijft haken aan betoverende zinnen, scènes en beelden, en je doordrongen raakt van een bepaalde atmosfeer, zo je wilt: een bepaald gevoel.

Het is geen poëzie, zei T.S. Eliot bij de eerste uitgave van Nachtwoud, in 1936. Het is heus proza, ‘but only sensibilities trained on poetry can wholly appreciate it.’

Is dat een diskwalificatie? Ik denk het wel, voor velen wel. Toch niet gewanhoopt: Eliots goedbedoelde snobisme is ook weer niet de waarheid.

De waarheid is: Djuna Barnes (1892-1982) schreef een boek waarvoor ze geen betere titel had kunnen bedenken. Het woud van taal, personages en structuur die het verhaal vertellen van de noodlottige jonge vrouw Robin, haar geliefden Nora en Jenny, haar echtgenoot Felix, haar zoon Guido en Dr. Matthew-Mighty-grain-of-salt-Dante-O’Connor, die de onnavolgbare verbinding tussen hen allen vormt, is dicht en weerbarstig.

Monologen woekeren, overal schieten kronkelige zijpaden tevoorschijn, het is donker, je struikelt gemakkelijk en er loert gevaar. Om de beeldspraak compleet te maken: de stilistische biodioversiteit is enorm.

Niemand wilde het uitgeven

Barnes vertelde dat Nachtwoud was geschreven met haar eigen bloed ‘terwijl het nog stroomde’. Het was begin jaren dertig, ze was na het begin van een journalistieke carrière in New York naar Parijs vertrokken, waar ze deel uitmaakte van de artistieke avant-garde en een relatie had met kunstenaar Thelma Wood – ‘de jonge, mooie Thelma Wood die opgekruld en geparfumeerd ligt te lezen, beneden op de bank’, schreef ze aan een vriendin.

Maar Wood had affaires, er werd veel gedronken en genachtvlinderd en hun relatie liep stuk. Barnes was gebroken. Ze had op dat moment al verschillende boeken gepubliceerd, de dichtbundel The Book of Repulsive Women, de romans Ryder en Ladies Almanack en ze begon aan Nightwood. Een paar jaar later was het af, wilde niemand het uitgeven en schreef ze dezelfde vriendin: ‘Dus daar zit ik dan, afwijzingen aan elke vinger, langzaam zinkend, en zonder hart.’

In Nachtwoud schrijft ze over Nora, die beschouwd wordt als haar alter ego: ‘In het hart van Nora lag het fossiel van Robin, de intaglio van haar identiteit, en eromheen stroomde om dit te onderhouden Nora’s bloed.’

Robin zal gebaseerd zijn op Wood. Alle personages verliezen hun hart aan haar maar zij wringt zich los zodra er van haar gehouden wordt, stort zich in de nacht, drinkt, hoert en sloert, zoekt roes en extase en kwetst wie om haar geeft. Het type van het dolende, hunkerende personage, het cliché van ‘de schaduwzijde van de mens’, zoals Schutte in haar nawoord schrijft, maar ook een personage dat zich aan je vastklemt. Een personage dat enkel via anderen geportretteerd wordt en dat onder je huid kruipt door beschrijvingen als deze, een goed voorbeeld van Barnes’ stilistisch vernuft:

‘Op een bed, omringd door een wirwar aan potplanten, exotische palmen en snijbloemen, lichtelijk overkweeld door de klanken van ongeziene vogels, die leken te zijn vergeten – achtergelaten zonder de gebruikelijke kalmerende doek (die, als een mantel om een urn, ’s avonds over hun kooi wordt geworpen door brave huisvrouwen), half ontdaan van de steun van de kussens waarop zij haar hoofd had omgedraaid toen haar bewustzijn even dreigde terug te keren, lag de jonge vrouw, log en verfomfaaid.’

Groteske personages

Bizar kun je de manier noemen waarop Barnes haar personages portretteert, grotesk en onrealistisch: de stomdronken Robin, kruipend als een hond, haar parfum van ‘aarde-vlees, fungi’. Nora, nog onvolgroeid, ‘de boom die in haar naar voren trad, een nog niet gedocumenteerde weerslag van de tijd’. Barnes schreef al zo in haar journalistieke portretten, gebundeld in I Could Never Be Lonely Without a Husband. Waarheidsgetrouwe braafheid was haar altijd al vreemd. Ze sprak met mensen zonder aantekeningen te maken, ze nam details waar en verzon achteraf hoe het gesprek was verlopen.

Over James Joyce, met wie ze in haar Parijse jaren bevriend raakte, schreef ze: ‘Hij droeg een blauwgrijze jas – te klein, naar het scheen, deels omdat hij de panden achter zich liet fladderen, deels omdat de ceintuur eromheen zeker vijf centimeter boven de heupen zat.’ Ze beschrijft zijn handen (‘eigenaardig vlezig’), zijn purperkleurige vest, en somt op waarover ze met hem spreekt, Hamlet, ratten, vrouwen (‘in vrouwen leek hij een beetje ongeïnteresseerd’), vertelt hoe ze hem aantreft in cafés en karakteriseert in één virtuoze volzin zijn boeken.

Voor het personage dat in kwantitatieve zin de hoofdpersoon is van Nachtwoud, de dokter, wiens lange monologen het boek vullen, heeft ze wel meer dan één volzin nodig. Pagina’s lang schrijft ze over de avond dat Nora hem in bed aantreft, gekleed als vrouw in een kamer die ‘een ontstellende verloedering’ asemt – ‘toch was deze kamer ook gespierd, een kruising tussen een chambre à coucher en een trainingskamp van een bokser.’

Daar aan dat bed begint het gesprek dat de roman draagt. Nora is Robin kwijtgeraakt aan Jenny Petheridge (‘een gesnaveld hoofd en haar lichaam was klein, fragiel en vinnig’) en komt bij de dokter haar nood klagen. Zijn antwoorden zijn woekerende uitweidingen; apodictische, wijsgerige, raaskallende tirades over eenzaamheid, walging, het vlees, de nacht en de dood, slechts afgewisseld door Nora’s wanhopige vragen: ‘Wat moet ik doen?’; ‘Wat zal er van haar worden?’; ‘Alleen als ze dronken was en buiten westen, was ze de mijne.’

De dokter verhelpt haar lijden niet, hij vergroot het uit en spiegelt haar duisternis. En welke kant zijn relaas ook op schiet, het raakt overal aan de dolende, zwervende en verloren staat waarin alle personages het boek door kruipen. Gaandeweg wordt iedereen zoals de wandelende Jood die ergens op de eerste bladzijde, bij de aftrap van het verhaal, geïntroduceerd wordt.

Ruimte voor homoseksuele liefde

Nachtwoud is wel van antisemitisme beticht en even vaak werd dat weer gebagatelliseerd. Maar het zit erin, even tijdgebonden als achteloos, net als vele andere plompverloren stereotypen: mensen zijn zwakzinnig of stinkend of lelijk, hoeren zijn ranzige onderkruipsels. Daartegenover staat de grote, openhartige ruimte voor homoseksuele liefde. Robin, Nora, alle minnaressen worden als volwaardige en vanzelfsprekende liefdespartners neergezet, nergens een oordeel over gender, sekse en seksualiteit. Het maakte de roman uitzonderlijk in een literaire wereld waarin nog slechts boeken als The Well of Loneliness van Radclyffe Hall of, hier in Nederland, Twee meisjes en ik van A.M. Nijhoff waren verschenen.

De roman is in goede handen bij Bindervoet. Van Nachtwoud bestaat een eerdere vertaling door Gerardine Franken uit 1963, herzien in 1979. Ze zijn allebei goed, maar zonder de ene hoger aan te slaan dan de andere tonen zich duidelijk de verschillen. Die van Bindervoet is behalve rijkgeschakeerd heel fris en direct, heeft veel vaart en, geloof ik, meer gevoel voor humor dan de vorige – het ‘Klein Klein Leutertje’ voor ‘Tiny O’Toole’ is een voorbeeld van een typische Bindervoet-vondst. Waar bij Franken op de eerste pagina barones Volkbein wordt geïntroduceerd als ‘een zeer wilskrachtige soldateske schoonheid van Weense bloede’ is ze bij Bindervoet ‘een Weense vrouw van grote kracht en militaire schoonheid’ – de ‘military beauty’ van het origineel strekt haar rug.

Een lofzang op het nachtleven is Nachtwoud wel genoemd, maar is het dat? Eerder een pijnlijk en virtuoos afdalen in de duisternis, met gebruik van alle mogelijkheden van de taal, tot in het krankzinnige.

Ja, het verhaal is gemakkelijk naverteld (ook mijn duit nu in het zakje) maar het hart ervan is dat ene eindeloze verhaal waarop de halve wereldliteratuur is gegrondvest: dat van de liefde die pijn doet. Niet hanteerbaar, niet oplosbaar met modieuze, psychologische adviezen, maar gruwelijk en schrijnend. Het herstellen van een gebroken hart kost veel, doordringen in dit boek kost ook wat (tweede duit).

Gebruiksaanwijzing voor dit nachtboek: lees het één keer, inclusief de beide nawoorden, en pak het daarna af en toe weer op. Dan toont het zich als iets anders dan een verhaal dat je moet ‘uitlezen’. Het wordt een verzameling schitterende portretten, een explosie van zinnen en taal, een soort ijlgladde glijbaan de duisternis in – een duisternis vol exuberante schoonheid en gedurfde beschrijvingen.

Met een beetje geluk doorboort het uiteindelijk je hart.

Djuna Barnes: Nachtwoud. Uit het Engels vertaald door Erik Bindervoet. Met een nawoord van Xandra Schutte. Orlando; 224 pagina’s; € 23,99.

Abonnees van de Volkskrant kunnen Nachtwoud gratis lezen via Fluister

Source: Volkskrant

Previous

Next