De boekenredactie publiceert wekelijks een nog niet verschenen gedicht van een Nederlandse dichter. Deze keer: Pim Lammers.
Papa is in de tuin aan het werk
als jij hem een vraag stelt:
‘Waarom ben ik op de wereld?’
‘Nou,’ begint hij, ‘vroeger
vonden je moeder en ik elkaar
heel lief en toen –’
‘Nee-hee,’ zeg je snel.
‘Waarom zijn wij op de wereld?
Wat is de reden van ons bestaan?’
‘Gewoon genieten,’ antwoordt papa.
‘Daar gaat het om in dit leven.’
‘Waarvan dan?’
Maar voor hij antwoord kan geven,
denk jij: hoe kan ik genieten
van klimaatverandering?
Daarna vertel je papa
dat je vanmiddag een bericht zag
over vluchtelingen met bijna niets,
hun hele leven in één kleine tas,
en dat je vervolgens de reacties las.
Je wist niet dat mensen
zo gemeen konden zijn.
Zo kun je nog wel even doorgaan,
maar je weet ineens
de reden van je eigen bestaan:
deze wereld kan wel wat liefde gebruiken.
Ondertussen hangt papa’s heggenschaar
nog altijd stil boven de struiken,
aan zijn gezicht kun je zien
dat hij op zoek is
(voor jou én voor zichzelf)
naar troostende zinnen.
Je geeft hem een kus.
Je kunt er maar beter
meteen
mee beginnen.
Pim Lammers (1993) is schrijver en dichter – voor jonge lezers en álle andere lezers. Hij schreef onder meer De boer en de dierenarts (2018) en Het lammetje dat een varken is (2017), waarmee hij een Zilveren Griffel won. Zijn bundel Ik denk dat ik ontvoerd ben haalde in 2022 de bestsellerlijsten.
Dit gedicht komt uit Ben je vergeten dat babygeitjes bestaan?, die in november zal verschijnen bij Querido.
‘In wijsheid schuilt veel droefenis.’
Het Schriftwoord blijkt maar al te waar:
wij worden wijzer, ieder jaar
met minder monden rond de dis.
Wij spreken er niet over waar
wat dierbaar was verdwenen is,
maar koesteren een stil gemis
dat allen weten van elkaar.
En elk jaar schuiven wij weer aan,
de wreed gekrompen vriendenkring,
en heffen als vanouds het glas
op alles wat voorbij moet gaan
en alles wat nooit overging,
op wat er wordt, en wat er was.
Jean Pierre Rawie (1951) ontving in 2008 de Charlotte Köhler Prijs voor zijn gehele oeuvre. In 2024 verscheen zijn Verzamelde gedichten bij Prometheus.
Als iemand je vraagt je zo klein
als een week te maken, ontdoe je dan
van kleding, accessoires.
Rol op tot de kleinste botten die je bent,
en haal nog eenmaal diep adem.
Je zal alle adem nodig hebben.
Als iemand je vraagt je zo klein
als een week te maken, maak dan ook geen
geluid steek ledematen uit, over jou heen
moet naar een horizon worden gestaard.
Ontdoe je van handen, van aanraakbare huid, van
alle reizen die je in gedachten samen al had gemaakt,
wees alleen het hoogstnoodzakelijke.
Denk voorlopig ook je ouders, vrienden
kinderwens maar weg.
Wees maximaal wat in de broekzak van de
ander past, dus weg ook met ongeborstelde zaterdagen.
Verlang geen kampvuur en al helemaal geen
verjaardagen. Wees zo groot
als een geluksmunt, een kalmeringspil, een doffe
amulet.
Als iemand je vraagt je niet
groter dan een week te maken, weet dan
dat zo’n vraag alleen op de schouders
van giganten past.
Laurine Verweijen is dichter bij Van Oorschot en schreef onder andere de dichtbundel Gasthuis (2020).
Ik liep vandaag je schilderijen in
Als kind met woorden van de dag
Ik zag de dingen bij hun naam
De daken de randen van de wereld
Je huizen ontdaan van huizen
Je stem als van een levenslied
De deur de ingang en het binnen
De stille glimlach van je mond
Er was geen wind geen oorzaak
En gevolg de daken stil als bron
Het hek het raam de drempel daar
Je verwondering van huis en deur
De lijn het vierkant de rechthoek
Je oog en ogenblik je kleur
Op de achterkant de letters van je naam
Geschilderd in de woorden van je naam
Kees ’t Hart (1944) is schrijver, criticus en dichter. Zijn meest recente roman verscheen in februari: De rode olifant.
Toen je me een gele bloem gaf
geboren als een juichende zin in een stomme film
vergat ik dat ze van jou is
en geen geschenk voor het kille verblijf op mijn vensterbank
plastic als een goedkope keuken
Het Chinese meisje verkocht je met tegenzin
Haar taal ongeschikt voor jouw platte cactusoren
die je steeds blijft baren
In die verdoemde straat geen spoor
van vroegere oude kunst, Japans lakwerk, kompaskaarten, zinloze munten
maar epigonen van mannelijke schilders die zich net als jij
vermeerderen zonder dat ik jouw beweging begrijp
omdat je roerloos bent, al voel ik dagenlang mijn handpalmen
prikken zonder je aan te raken
De wereld is een mes, zal ik haar dat zeggen?
Je areolen als sterren geven oranjerood af
dezelfde kleur als het gesteente van Abiquiú met de verweesde
schedels van Georgia O’Keeffe die luchtgeesten ving
en een diepe wind door sommige dingen zag gaan
zoals een mes met jaden heft, het groene goud
zoals jouw stijve handen
kubist van de ronde vormen
Gij zijt goden, zeg je
Maar een gele bloem kreeg ik niet meer
Sasja Janssen (1968) is veelbekroond dichter. Deze maand lezen we in de Volkskrant Leesclub haar recente bundel Mijn vader zegt entropie mijn moeder logica.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant