Het lichaam van Jan Schippers wordt in maart 1944 in Den Haag gevonden door twee schooljongens. De student was vastgebonden en mishandeld. Een reconstructie van de moord leidt naar het verzet en legt een van de laatste taboes van de Tweede Wereldoorlog bloot: ‘Praten over liquidaties deed je niet.’
Door Ernst Arbouw
Illustraties XF&M
Het is 6 juli 1945, twee maanden na de Bevrijding van Den Haag, als twee jonge mannen het hoofdbureau van de politie binnenlopen. Ze komen een moord bekennen. Eigenlijk is dat het verkeerde woord, maar zo staat het op dat moment in de boeken: de moord op student Jan Schippers, overleden – omgebracht – op 26 maart 1944. Een zondagavond.
Aert van Braam Houckgeest, student, en Phil van Nierop, administrateur van beroep, leggen een volledige, belastende verklaring af over zichzelf. Rechercheur Henk Rabeling schrijft het allemaal op, eerst met vulpen, daarna in zestien getypte vellen vol droge politietaal. Rabeling kent de zaak als geen ander. In het voorjaar van 1944 leidde hij het politieonderzoek naar de dood van de student. Een paar dagen na de liquidatie heeft hij zelfs een opsporingsbevel uitgevaardigd tegen Van Nierop, die daarop tot het eind van de oorlog moest onderduiken.
Van Nierop en zijn kompaan Van Braam vertellen in pijnlijk detail wat er is gebeurd, wat ze hebben gedaan, wat er misging. Aan het eind van de dag wandelen de mannen het politiebureau weer uit. Het opsporingsbevel tegen Van Nierop wordt een paar dagen later officieel ingetrokken.
Portretfoto van Jan Schippers als jongen, voor de Tweede Wereldoorlog.
Familiearchief
De zaak-Schippers is nooit voor de rechter gekomen. Van Braam, Van Nierop en hun kompaan Jan Willem Bosch waren, zoals het in het politiedossier staat, ‘vaderlandlievende mannen’ die handelden ‘in het belang van het algemeen’. Tegelijkertijd illustreert het verhaal dat scheidslijnen tussen ‘goed’ en ‘fout’ niet altijd scherp zijn. Jan Schippers was anti-Duits, maar verraadde zijn onderduikgeefster. Rabeling dacht in 1944 een moord op te lossen, maar zijn speurwerk bracht de betrokken verzetsmensen in direct gevaar. Van Braam, Van Nierop en Bosch hadden redelijkerwijs geen andere keus dan het ombrengen van Schippers, maar in ieder geval twee van hen worstelden na de oorlog met de gebeurtenissen.
Jan Schippers was dood, maar zijn liquidatie was een mislukking. Twee schooljongens vinden op maandagmiddag 27 maart zijn lichaam, ondersteboven in een poel langs de Schenkkade, in een veldje tussen de Laan van Nieuw Oost-Indië en de spoorbaan. Alleen zijn onderbenen steken uit het water – hij heeft opvallend mooie schoenen, vinden de jongens.
Twee gewaarschuwde marechaussees trekken even later het levenloze lichaam van Schippers op het droge. Voor ze zijn toegetakelde lichaam toedekken met een jas, doorzoeken ze zijn zakken. Ze vinden een dubbeltje en een cent, een tabaksdoos en een tweerittenkaart van de HTM. De enige aanwijzing voor de identiteit van het slachtoffer is een kwitantie van een brandstoffenhandel met daarop een naam en adres: de familie De Groot aan Park Leeuwensteijn, een dure buurt aan de zuidwestkant van Voorburg, niet ver van de Vliet.
Politiefoto van het stoffelijk overschot van Jan Schippers.
Haags Gemeentearchief
Aan de hand van de processen-verbaal in het politiedossier is het rechercheonderzoek stap voor stap te volgen: van de plaats delict, naar de getuigenverklaring van de twee schooljongens, naar het adres op de kwitantie voor de steenkolen. Daar krijgen de agenten de naam van het slachtoffer: Jan Schippers, bevriend met de zoon des huizes. Hij had de steenkolen opgehaald voor op zijn onderduikadres. De brandstof was gekocht op de distributiebonnen van de familie De Groot.
Ergens in die eerste stappen van het onderzoek moeten de agenten beseft hebben wat er aan de hand was – of minstens wat er globáál aan de hand was. Jan Schippers was een onderduiker. Dat wordt bevestigd als ze een dag later spreken met de moeder en de broer van het slachtoffer.
Schippers was in de loop van 1943 ondergedoken om te ontkomen aan gedwongen tewerkstelling in Duitsland. Moeder Janneke Schippers-Weisfeld verklaart dat zij haar zoon vanaf dat moment niet meer had gezien of gesproken en dat ze niet wist waar hij verbleef, maar dat lijkt onwaarschijnlijk: zijn jongere broer vertelt dat hij Jan begin 1944 heeft gesproken ‘op het Rijswijksche Plein alhier’. Hij noemt zelfs twee onderduikadressen, aan de Zuid-Oost Buitensingel (de huidige Boomsluiterskade) en later aan de Juliana van Stolbergenlaan.
In mei 1943, na de invoering van de zogeheten loyaliteitsverklaring, waarin studenten moesten beloven zich te ‘onthouden van iedere tegen het Duitse Rijk (...) gerichte handeling’, wilde Schipers onderduiken. Zo komt hij in contact met Van Braam, op dat moment leider van de zogeheten M.C. Groep in Den Haag, een verzetsorganisatie die zich onder meer bezighoudt met hulp aan geallieerde piloten en onderduikers en het vervalsen van persoonsbewijzen, en daarnaast beschikt over een uitgebreid verzetsnetwerk. Alleen is er zo snel geen geschikt onderduikadres. Daarom stalt hij Schippers tijdelijk bij een van de andere sleutelfiguren uit die M.C. Groep, Rode Kruis-verpleegster Miep Vrins-Otten, aan de Albertinestraat 24 in Bezuidenhout.
Miep Vrins-Otten
En dat gaat mis.
Over wat gebeurt bestaan alleen de naoorlogse getuigenissen, maar die laten er geen twijfel over bestaan: Schippers verraadt zijn onderduikgeefster Miep Vrins-Otten aan de Duitse Sicherheitsdienst. Een anonieme briefschrijver informeert de SD eind 1943 in detail over het verzetswerk van de M.C. Groep en de rol van Vrins-Otten, waarna de Duitsers een inval doen in haar huis. Bij verhoor in het hoofdkwartier van de SD op het Binnenhof krijgt ze in een onbewaakt moment de anonieme brief onder ogen en in de blokletters herkent ze het handschrift van Schippers.
Vrins-Otten komt aanvankelijk vrij, maar kort daarna volgt een nieuwe inval, waarna de leden van de M.C. Groep bijeenkomen. Stap voor stap gaan ze na wat er in de brief stond. Wie was op de hoogte van welke feiten? Uiteindelijk houden ze één naam over.
Liquidaties door het verzet, en zeker liquidaties van onderduikers, zijn een van de laatste taboes van de Tweede Wereldoorlog, zegt historicus Albert Oosthoek. Voor zijn promotieonderzoek aan de Erasmus Universiteit in 2015 beschreef Oosthoek 82 liquidaties in Rotterdam, met name tegen het einde van de Tweede Wereldoorlog. Daarnaast schreef hij met de eerder dit jaar overleden Friese nazi-jager Jack Kooistra het boek Recht op wraak (2009), waarin ook 23 zaken met onderduikers staan beschreven. ‘In werkelijkheid ligt dat aantal hoger. Denk eerder aan vele tientallen, misschien wel honderden’, zegt hij.
Oosthoek schetst het enorme dilemma waarmee verzetswerkers zaten als een onderduiker lastig, gevaarlijk of regelrecht onbetrouwbaar was. ‘Welbeschouwd was liquidatie dan de enige beschikbare oplossing. Vaak ook met grote gevolgen voor de betrokken verzetsmensen.’
De historicus noemt oud-verzetsman Leo van der Bijl uit Voorschoten. Van der Bijl was in 1988 de eerste die openlijk schreef over zijn betrokkenheid bij liquidaties van onderduikers. Het verzet in Voorschoten verborg gedurende de oorlog verschillende Duitse deserteurs, van wie zich een aantal in de loop der tijd gevaarlijk begon te gedragen of zelfs dreigde met verraad.
Van der Bijl, die betrokken was bij acht liquidaties, werd in maart 1945 gearresteerd door landwachters en ontsnapte zelf ternauwernood aan de dood. Toen hij op latere leeftijd last kreeg van emotionele problemen, schreef hij de oorlog van zich af in een openhartig boek, Zand over acht. ‘Maar hij is daarna door de rest van het oud-verzet uitgekotst’, vertelt Oosthoek. ‘Praten over liquidaties deed je niet.’
Wat bewoog Jan Schippers om de vrouw die hem een onderduikplek gaf te verraden? Rancune, zo lijkt het. Hij was gekwetst. Van Braam vertelt in zijn naoorlogse verklaring dat Schippers zich opdrong aan Vrins-Otten. Hij deed ‘ongepaste toenaderingen’ en ‘pogingen om tot een intieme verhouding te komen’. Vrins-Otten, ‘wier echtgenoot zich als krijgsgevangene in Duitsland bevond’, wees hem af.
‘Ik kreeg den indruk dat Schippers zich hierdoor in zijn eigenwaarde gekrenkt voelde’, aldus Van Braam.
Extra verdenking aan het adres van Schippers was het feit dat zijn vader zeer actief was binnen de NSB, niet alleen in Wassenaar, waar de familie woonde, maar ook landelijk. In zijn dagboek, dat deel uitmaakt van zijn naoorlogse strafdossier, schrijft Schippers senior onder meer over een bespreking met NSB-voorman Meinoud Rost van Tonningen, en na een radiotoespraak van Adolf Hitler noteert hij: ‘Rede van de Führer, schitterend als altijd.’
Toch denken Schippers en zijn vader verschillend over politiek. Als Jan onderduikt, schrijft zijn vader een ingezonden brief aan de redactie van NSB-krant Volk en Vaderland, met een uitgewerkt idee voor het opsporen van ondergedoken studenten.
‘De reden hiervoor is, dat ik n.l. een zoon heb die niet alleen geweigerd heeft de loyaliteitsverklaring te tekenen, maar bovendien (…) zonder mijn voorkennis onderdook. (…) Voor al deze redenen heb ik mijn uiterste best gedaan mijn zoon alsnog te laten oppakken.’
Was getekend (‘Hou Zee’), Ir. E.H. Schippers te Wassenaar.
Minstens drie keer probeert het verzet Schippers om het leven te brengen, en telkens gaat er iets mis. Van Braam vertelt de politie na de oorlog dat hij onder meer heeft geprobeerd Schippers van achteren neer te schieten, maar dat zijn pistool precies toen blokkeerde. ‘Schippers, die op dat moment bezig was met het uitzoeken van een boek voor mij, bemerkte echter niets van den voorgenomen aanslag.’
Op 26 maart 1944 lokt Van Braam de nietsvermoedende student met een smoesje naar de Gerard Reijnstraat in Bezuidenhout. Schippers denkt dat hij een nieuw, vervalst persoonsbewijs krijgt. In werkelijkheid wordt hij in de voorkamer opgewacht door Van Nierop en nog een derde verzetsman, Jan Willem Bosch.
Er bestaan drie beschrijvingen van wat dan gebeurt: de verklaringen van Van Braam en Van Nierop uit juli 1945, en de getuigenis van Bosch, die pas in oktober door de politie werd gehoord. Die drie verklaringen verschillen op details, maar de grote lijn is gelijk: zodra Schippers de voorkamer binnenkomt, slaat Van Nierop hem van achteren neer met een met lood beklede houten knuppel. Schippers valt op de grond, maar is niet bewusteloos. Daarop probeert Van Braam het slachtoffer met een ploertendoder alsnog buiten westen te slaan. Als dat ook niet lukt, gebruiken de mannen uiteindelijk een in huis aanwezige fles chloroform om Schippers te verdoven.
Daarna binden ze hem vast en wikkelen ze zijn lichaam in een opengeknipte juten zak, en terwijl Van Braam achterblijft om bewijsmateriaal te vernietigen, fietsen Van Nierop en Bosch met de bewusteloze Schippers dwars over de bagagedrager richting Voorburg. Daar willen ze het lichaam, verzwaard met een betonblok, laten verdwijnen in de Vliet.
Ze zijn nauwelijks een kilometer onderweg als ze twee politieagenten tegenkomen. Van Nierop bedenkt razendsnel een list: hij vernielt zijn fietslicht. Afhankelijk van welke verklaring je leest, trekt hij het snoertje los of doet hij iets met de verduisteringskapjes op zijn koplamp, maar het resultaat is hetzelfde: de agent houdt hem tegen, zodat Bosch, met achterop nog steeds Schippers, er snel vandoor kan fietsen.
Terwijl een van de agenten het persoonsbewijs van Van Nierop controleert, glijdt iets verderop, bij het spoorviaduct richting Voorburg, de bewusteloze, vastgebonden Schippers bij Bosch van de bagagedrager. Hij krijgt het lichaam niet meer terug op zijn fiets gesjord, en schuift Schippers uiteindelijk dan maar onder het prikkeldraad van een braakliggend landje bij het spoor. Daarna fietst hij snel terug naar de Gerard Reijnstraat.
Daar overzien de drie mannen wat zojuist is gebeurd. Ze hebben een rancuneuze verrader halfdood achtergelaten aan de rand van Bezuidenhout. Als Schippers bijkomt, zijn niet alleen zijzelf, maar hun hele verzetsgroep én alle onderduikers die ze helpen, acuut in gevaar.
En dus gaan ze terug.
Ondanks het late uur stappen Van Braam en Van Nierop op de fiets. Oók dat gaat niet goed. Terwijl Van Braam Schippers, die hoorbaar rochelend ademhaalt, met zijn hoofd in een poel water legt om hem te verdrinken, worden ze gestoord door twee voorbijgangers. Die voorbijgangers melden zich later bij de politie met een signalement van de twee verzetsmensen.
Drie dagen na de liquidatie heeft rechercheur Rabeling een doorbraak. Hij krijgt een proces-verbaal van een politieagent die op de avond van 26 maart een fietser met een kapotte lamp heeft aangehouden. Hij schrijft dat er twee mannen waren, waarvan er één (‘met een pakket van ongeveer een meter dwars op zijn bagagedrager’) snel was weggefietst. De andere fietser had hij rennend weten te achterhalen.
‘De man maakte zich aan mij bekend als Philipus Adelbert van Nierop. (...) Hij was zeer nerveus.’ Dezelfde dag nog gaat een opsporingsbericht uit naar politiebureaus in heel Nederland: ‘Bij aanhouding wordt verzocht kleeding en schoeisel in beslag te nemen.’
Overzicht van de plaats van het misdrijf. Rechts de Laan van Nieuw Oost-Indië. Een man markeert waar het lichaam werd gevonden.
Haags Gemeentearchief
Phil van Nierop zit dan al ondergedoken in de kelder van een groot huis in Haarlem, waar hij zich tot de bevrijding verschuilt. Om de dagen door te komen borduurt hij tafelkleden. ‘Dat soort dingen kon hij gewoon, al denk ik niet dat hij na de oorlog ooit nog geborduurd heeft’, vertelt zijn dochter Ilene van Nierop (78).
‘Mijn vader was een hele lieve man, maar eigenlijk was hij knettergek. Dat klinkt misschien oneerbiedig, maar hij is als psychiatrisch patiënt uit de oorlog gekomen.’
De eerste jaren na de bezetting ging het nog wel, maar daarna stortte Van Nierop in. Zijn dochter vertelt dat hij onder behandeling kwam van de Leidse hoogleraar Jan Bastiaans, destijds vermaard om zijn behandeling van getraumatiseerde oorlogsslachtoffers. In de loop der jaren werd Van Nierop verschillende keren opgenomen in een psychiatrische inrichting. ‘Als hij thuis was, waarschuwde hij bijvoorbeeld dat we ons moesten verstoppen onder de vensterbank ‘want de Gestapo komt eraan’. In werkelijkheid waren het de verplegers van de kliniek die hem weer kwamen ophalen.’
Jan Willem Bosch, die na de oorlog naar Canada emigreerde en daar huisarts werd, worstelde volgens zijn kinderen op zijn eigen manier met het verleden. Zijn dochter Renée de Bakker-Bosch vertelt hoe haar vader op hoge leeftijd zijn kinderen een voor een bij zich riep en (‘in een kamer vol sigarenrook’) vertelde over de liquidatie. In al die jaren had hij het verhaal alleen gedeeld met zijn echtgenote.
In een nagelaten oorlogsherinnering uit de jaren tachtig schreef hij alleen hoe hij op een nacht ‘met een zeer compromitterende vracht achter op de fiets’ politie tegen het lijf liep.
Jan Schippers wordt op zaterdag 1 april 1944 in alle stilte begraven op Oud Eik en Duinen in Den Haag. Diezelfde middag heeft vader Herman Schippers volgens zijn agenda ‘onderhoud met Insp. Pegels en Rech. Theunissen’ – Steven Pegels en Johannes Teunissen, twee beruchte NSB’ers en jodenjagers bij de Haagse politie die zich vanaf dat moment actief met het onderzoek gaan bemoeien. Zonder resultaat. In zijn latere leven krijgt Herman Schippers meer en meer schuldgevoel over de dood van Jan. Hij rekent zich de gebeurtenissen persoonlijk aan.
Agenda van de vader van Jan Schippers. Op 29 maart 1945 schrijft hij: ‘Bericht ontvangen omtrent Jan’.
En op 1 april: ‘10 uur begrafenis Jan’ en ‘namiddags eerste onderhoud met Insp. Pegels en Rech. Theunissen’.
CABR, Nationaal Archief
Van Braam, Van Nierop en Bosch duiken onder, maar Van Braam, die niet officieel wordt gezocht, keert na enige tijd terug in Bezuidenhout, waar hij met Vrins-Otten het verzetswerk weer oppakt.
Miep Vrins-Otten maakt de bevrijding niet meer mee. Zij komt op 3 maart 1945 om het leven bij het vergisbombardement op de Haagse wijk Bezuidenhout.
Van Braam werkt na de oorlog onder meer voor Shell in Iran. Midden jaren zestig wordt hij in Groningen hoofd voorlichting van de net opgerichte Gasunie. Hij overlijdt in 1974 op relatief jonge leeftijd bij een verkeersongeluk.
Jan Willem Bosch haalt in 1946 zijn artsexamen. Kort daarna gaat hij voor het Internationale Rode Kruis op een repatriëringsmissie naar Oost-Europa. Tijdens de koloniale oorlog dient hij als geneeskundig officier bij het Nederlandse leger op Sumatra. Begin jaren vijftig emigreert hij met zijn jonge gezin naar Canada, waar hij zich in een plaatsje in Ontario vestigt als huisarts. Hij overlijdt in 2014 op 97-jarige leeftijd.
Phil van Nierop overlijdt in 2002, 82 jaar oud. Hij is zijn hele verdere leven geplaagd door de gebeurtenissen tijdens de oorlog – niet alleen zijn eigen verzetswerk, maar ook de moord op een deel van zijn familie in de Holocaust.
‘Mijn vader was de meest zachtaardige man die je kunt voorstellen’, zegt zijn dochter. ‘Als er vroeger een vlieg in huis was, zei hij nog: ‘Probeer hem nou te vangen met een glaasje, dan kun je hem buiten vrijlaten.’ Ik denk weleens: hoe bestaat het dat hij dit heeft moeten doen. Hoe bestaat het dat dit uitgerekend op zíjn pad is gekomen.’
Voor dit verhaal is gebruik gemaakt van informatie uit het Haags Gemeentearchief, het Stadsarchief Amsterdam, Erfgoed Leiden en het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging, beheerd door het Nationaal Archief in Den Haag. Daarnaast zijn verschillende boeken en (amateur)historisch onderzoek geraadpleegd.
Er is contact gezocht met familieleden van de drie verzetsmannen die Jan Schippers hebben geliquideerd. Er is gesproken met de dochter van Phil van Nierop, en de zoon en dochter van Jan Willem Bosch. De kinderen van Aert van Braam Houckgeest besloten niet in gesprek te gaan met de krant, maar deelden wel een aantal pagina’s uit een familieboek met informatie over het verzetswerk van hun vader.
Jan Schippers had geen kinderen. Twee van zijn drie broers zijn tijdens de oorlog gesneuveld, één in dienst van de Nederlandse Koninklijke Marine, één in dienst van de Kriegsmarine. Hij had nog een derde broer en een oudere zus die de oorlog wel overleefden. Er is uitgebreid gesproken met de zoon van zijn zus.
Sinds historicus Chris van der Heijden doorbrak met zijn boek Grijs verleden, is de oorlog zijn thema. Dat hij het SS-verleden van zijn vader daarin verzweeg, kwam hem op scherpe kritiek te staan. Nu besluit hij dat pijnlijke verhaal alsnog te vertellen.
Fokko's vader was een wrede SS’er in kamp Amersfoort. Lange tijd wist Fokko weinig van hem. Tot hij de liefdesbrieven van zijn vader aan zijn moeder las, verstuurd uit de gevangenis. Wie was zijn vader? Lees het verhaal van kampbeul Willem van der Neut.
De studiezaal van het Nationaal Archief zit al een week vol met bezoekers die in het collaboratie-archief willen uitzoeken wat hun familieleden fout hebben gedaan. Vaak blijkt er weinig aan de hand: ‘Dit veroorzaakt onnodige stress.’
Source: Volkskrant