Dichter Sasja Janssen zoekt haar ziel – en treft De Jeugd van Tegenwoordig. ‘Niks intro, shit begint als het begint yo.’
Het Tekstboek Jeugd van De Jeugd van Tegenwoordig ziet eruit als een groot schoolboek. De kaft glimt, net als de tuimelende letters van het alfabet in heldere kleuren. De bladzijden ruiken zoet.
Maar bij het anlesen verdwijnt het beeld van een schoolboek en denk ik aan het nietsontziende gedicht Tot mijn pik van Menno Wigman (‘mijn pik, wat hebben we vandaag verricht?’). En meer nog aan de zinderende Arabische gedichten uit de 8ste eeuw die Hafid Bouazza vertaalde, zoals dit vers van Abu Nāwas: ‘Ik heb een vileine pik maar weet niet/ Waarom hém dit moet overkomen:/ Elke keer als hij een mooi gezicht ziet/ Begint zijn kwijl te stromen.’
Eerder ben ik in het schemerdonker door een merel gewekt. Het maakte me nerveus, zoals elk jaar in april, dat moeizame begin, alsof ik blanco ben en het leven opnieuw moet uitvinden. Ineens schoten de poëticale woorden van Willie Wartaal waarmee Tekstboek Jeugd opent door mijn hoofd en stelden me gerust: ‘Niks intro, shit begint als het begint yo’. Het boek verschijnt bij het twintigjarig bestaan van de hiphopgroep.
Je bent er gewoon en hoeft ‘deze shit’ niet te analyseren, geef je eraan over op de manier die hij voorschrijft: ‘Ey yo, mijn flow, is de essentie van alle rap/ Ik voel die shit in m’n ziel wanneer ik flow dan komt/ alles los (hiphop) (…) deze shit/ moet je horen met je oren, voelen met je ziel.’
Toch wil ik precies weten wat hun taal betekent, en als een brave studente koop ik het Smibanese woordenboek, want ik leef in mijn hoofd en niet op straat. ‘Je wilt mijn rijms ontcijferen? Veel plezier’, bijt Faberyayo, het alter ego van Pepijn Lanen, me toe. Nee, dat wil ik niet, maar wat wil ik dan wel?
Ik weet niet goed wat mijn ziel is, al ontwaar ik hem soms wel, maar ik kan wel proberen om zo dicht mogelijk te komen bij het Tekstboek Jeugd en uitvogelen wat ‘het ding’ wil. Dus duik ik in de semantische wereld van dat ‘ding’. Objectief wordt het nooit, maar ik heb mezelf lange tijd terug de opdracht gegeven elke tekst te beoordelen op grond van zijn eigen wetmatigheid.
Als ik van De Jeugd verwacht voorzichtig te zijn met eindrijm vanwege het dreunende ‘sinterklaaseffect’, of als ik meer variatie wil in de opsommingen van steeds dezelfde regels, dan zou ik de innerlijke logica van de teksten verloochenen. Hier worden het mantra’s. En misschien is dat wel wat rappen is, een ritueel dat naar een persoonlijke maar ook universele werkelijkheid verwijst.
Een werkelijkheid vol drugs (‘sos’, ‘pak’), seks, sletjes, bitches, liefde, romantiek en tederheid (‘hiphop bij haardvuur’), absurdisme, drank, depressie, genot, clubleven in al die ‘Maten vol met drama ja ik spit in mineur/ Ik vul m’n teksten met classics en m’n mik met bieur’, zoals Faberyayo dicht.
Gaandeweg leer je de drie personages kennen (naast Bas Bron, de muziekproducent, die een enkele keer wordt genoemd): Vjèze Fur (de gekste), Faberyayo (de artistiekste) en Willie Wartaal (de ongetemdste). Soms wisselen ze van rol.
Het is fijn om de teksten op papier te hebben, op papier ontgaat je geen enkel detail, wat je ervaring verdiept, want ze barsten uit elkaar van een bijna stampend taalplezier, meligheid, absurdisme, opschepperij, het dissen van elkaar (‘Gooi je rijms lekker in de prullenbak/ Bekkie dicht gast want je lult maar wat’) en zelfrelativering.
Er wordt in gewiept (geneukt), geclipt (gepronkt), gestunt (betekent onder andere ‘stelen’, niet in het Smibanese woordenboek te vinden). En verder zijn er onnoemelijk veel verwijzingen, naar literatuur (‘Vjèze Fur: ‘Literair ben ik er als Brusselmans of Zwagerman’), mediapersoonlijkheden, artiesten en hun invloeden (Wu-Tang Clan, Tupac), naar mode (Gucci, Yamamoto, Prada, Vans), online kopen (‘Beetje zweten beetje track en tracen’).
Hun referenties zijn ook de mijne (ik luister heus niet alleen maar naar de Goldbergvariaties), maar hun fysieke taal overrompelt me, maakt me vrolijk. Zo stoten ze, vrij naar Heidegger, het vertrouwde omver en openen ze een nieuwe ruimte.
De teksten zijn existentieel: ‘Maar hoe kan ik alles snappen, het leven is zo groot/ Het valt niet te bevatten, het is maar even tot de/dood’ (Faberyayo). Of in de woorden van Vjèze Fur: ‘Partytime is voorbij/ Nu is het tijd om te leven.’
Ook zijn ze geëngageerd, zo rapt Faberyayo: ‘Ik ben een klein kind, verkleed als volwassen man, die het nieuws niet durft te volgen en die bang is voor de krant (...) Vroeger was de toekomst iets als het beloofde land, maar nu is het dan nu en heel de mensheid staat in brand.’
Ik moet door de toon, heftigheid en harde humor denken aan Houellebecqs manifest Leven, lijden, schrijven – methode (1991) en zijn uitspraak: ‘Als u er niet in slaagt uw lijden te articuleren in een duidelijke structuur, dan bent u de lul.’ Lijden en De Jeugd van Tegenwoordig? Ja, lijden, vanwege het immer stuwende verlangen naar seks, de ander, de worsteling hoe te leven (‘hallo destructie, mag ik even door’).
Structuur ja, in de vorm van het lied, in het uitputten van vocaal klankgeweld, in het gedram van de herhaling, in ritme ritme ritme. ‘Back to back to back het leven maakt me gek.’
Nee, De Jeugd van Tegenwoordig is zeker niet de lul.
Heb ik dan helemaal geen kritiek? Nou ja, het schelden met kanker vind ik niet fraai, en ik zou nog meer absurdisme willen, of gegoochel met de syntaxis, maar nu spreekt de dichter. De merel heeft zich al een paar ochtenden niet meer laten horen en ik begin hem toch te missen. Gelukkig kun je De Jeugd keer op keer op afroep beluisteren en lezen, opdat ze schreeuwen in je ziel.
De Jeugd van Tegenwoordig: Tekstboek Jeugd. Nijgh & Van Ditmar; 192 pagina’s; € 20.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant