Volkskrant-redacteur Hassan Bahara heeft gemengde gevoelens over Marokko. Eerder dacht hij nog dat het nooit iets zou worden tussen zijn geboorteland en hem, later overweegt hij zijn zoons ook de Marokkaanse nationaliteit te geven. Waarna uiteindelijk de twijfel weer toeslaat. Waarom voelt hij zich zo verscheurd?
is media- en cultuurredacteur van de Volkskrant.
‘Ik háát Marokko!’, brult mijn jongste zoon (6) met rood aangelopen gezicht.
Hij meent het. Hij haat het geboorteland van zijn vader. Hij haat de tot snot gekookte groente in de couscous, hij haat het voor hem onnavolgbare Arabisch en Berbers, hij haat de vliegen die hem niet met rust laten, maar bovenal haat hij het feit dat we in Marokko nooit speelgoedwinkels met een fatsoenlijk Lego-assortiment tegenkomen.
‘Ik ben niet Marokkaans, ik ben Nederlands!’, schreeuwt hij.
Het is begin november, 2024. Met mijn vrouw en twee zonen ben ik op vakantie in Ouarzazate, in het zuiden van Marokko, mijn geboortestreek, en de afgelopen dagen overweeg ik of ik gehoor moet geven aan mijn vaders verzoek en bij de lokale autoriteiten de Marokkaanse nationaliteit voor mijn twee zoons moet aanvragen. Om, net zoals ik al mijn hele leven ben, dubbelenationaliteithouders van ze te maken.
‘Wanneer gaan we weer naar huis?’, vraagt mijn jongste onophoudelijk. ‘Duurt het nog lang?’
Wie had gedacht dat ik zou overwegen mijn nationale lidmaatschap op Marokko aan de volgende generatie over te dragen? Terwijl ik nog in 2018, na een rampzalig verlopen bezoek aan Marokko, definitief tot het inzicht leek te zijn gekomen dat het nooit iets zou worden tussen mijn geboorteland en mij.
Argumenten voor het aanvragen van de Marokkaanse nationaliteit voor mijn zonen: ze zijn half Marokkaans, ik wil later niet te horen krijgen dat ze zich door mijn schuld op enige wijze cultureel ontheemd voelen. En: ik wil ze meegeven dat er niets problematisch is aan hun etnische achtergrond.
Argumenten tegen: met een dubbele nationaliteit maak ik ze in de toekomst mogelijk doelwit van denaturalisatie (het afnemen van het Nederlands paspoort) en moeten ze in het uiterste geval aankloppen bij Marokko, niet het ideale land om een leven op te bouwen.
Overdreven? Zie anders het schuimbekkende enthousiasme waarmee de radicaal-rechtse politiek de criteria voor denaturalisatie wil oprekken (waarover later meer).
Kortom: is het een roekeloze gok, met de toekomst van mijn kinderen als inzet? Of juist een daad van affirmatie? Mijn zonen zijn óók Marokkaans, en iedereen die daar moeite mee heeft kan stikken in zijn onverdraagzaamheid.
We zijn Marokkanen, we sterven als Marokkanen. Niet alleen van huis uit kreeg ik mee dat ik vóór alles een Marokkaan ben. Ook op straat en op school werd dat mij en tal van andere migrantenkinderen ingeprent. Het Nederlanderschap moest ik hooguit beschouwen als een geleend jasje, handig om aan te doen als ik mijn slagingskansen in dit land wilde vergroten, maar míjn jasje was het niet.
Tel daar dingen bij op als een Marokkaanse wet die het onmogelijk maakt om afstand te doen van je Marokkaanse nationaliteit, de constante loyaliteitstestjes (‘Wat vind je leuker? Marokko of Nederland? Marokko, toch?’) en het wekelijkse Onderwijs in Eigen Taal en Cultuur, een programma op Nederlandse basisscholen in de jaren tachtig en negentig, bedoeld om kinderen van Turkse en Marokkaanse gastarbeiders voor te bereiden op een eventuele terugkeer naar hun ‘thuisland’.
Ik bedoel te zeggen: alles en iedereen om mij heen probeerde mij te kneden tot een eenduidig soort Marokkaan: het liefst Arabischsprekend, islamitisch en met meer liefde voor het Marokkaanse koningshuis dan voor Beatrix en consorten.
Maar ik had ook een drang naar autonomie. Ik wilde meester zijn over mijn zelfbeeld en opdringerig Marokkaans chauvinisme zat dat alleen maar in de weg.
Makkelijk was dat proces van losmaken niet. Als tiener en twintiger stond ik voortdurend bloot aan familieleden, vrienden en een heleboel wildvreemden die er automatisch van uitgingen dat mijn hart bij Marokko lag. Het giftige verwijt van zelfverloochening lag altijd op de loer. Het was lastig voor de brave jongen die ik ook ben, en verwarrend om die loyaliteitseis af te schudden en mijn eigen persoon te worden.
Het duurde uiteindelijk tot 2018, ik was inmiddels ver in de dertig, voor ik de enig mogelijke conclusie over mijn verhouding tot Marokko durfde te trekken.
Ik verbleef dat jaar een kleine week in hoofdstad Rabat. De Volkskrant had mij op het vliegtuig naar Marokko gezet om het Marokkaanse voetbalelftal te volgen dat bezig was zich voor te bereiden op het WK in Rusland.
Het werd een pijnlijke mislukking. Alles wat mij aan Marokko stoort kwam voorbij: onbehouwen douaniers die je bij binnenkomst in het land inwrijven dat je je vooral geen Nederlander moet wanen; wildvreemden die de draak steken met je gebrekkige Arabisch; de opzichtige leugens over hoe geweldig het gaat met Marokko, terwijl de armoede je overal in het gezicht slaat.
Daarnaast: het was ramadan, alle cafés waren overdag dicht en zonder mijn ochtendkoffie functioneer ik niet.
What the fuck doe ik hier eigenlijk, vroeg ik me elke dag af.
In het vliegtuig terug naar Amsterdam wist ik het zeker: het idee dat er nog een band is tussen dit land en mij, een die het onderhouden waard is, berust op zelfbedrog, op valse sentimentaliteit. Tot nooit meer ziens, Marokko, besloot ik.
‘Is je vrouw islamitisch?’, vraagt de douanier, terwijl hij verveeld door onze paspoorten bladert.
Daar gaan we weer, denk ik. Het aloude ‘schofterige Marokkaanse douanier moet mij even inwrijven dat hij mij maar een nep-Marokkaan vindt’-moment.
We staan op het vliegveld van Ouarzazate. Zes jaar daarvoor was ik voor het laatst in Marokko, maar mijn geboortestreek Ouarzazate zag ik zeventien jaar niet.
Even vrees ik een domme fout te hebben gemaakt, dat ik rechtsomkeert moet maken, terug het vliegtuig in. In plaats daarvan zet ik mijn vriendelijkste gezicht op.
‘Ze is zeker islamitisch’, antwoord ik, een geamuseerde blik op mijn vrouw werpend, die niet weet hoe snel ze zo meteen aan een glas wijn en een sigaret moet om te herstellen van de slopende vliegreis.
Niet een al te beste start van mijn hereniging met mijn geboorteland, maar ik probeer er niet te zwaar aan te tillen, ik ben hier niet om piemelmeetwedstrijdjes te houden met dit soort blaaskaken.
Met dat lichte en relativerende gevoel wandel ik de luchthaven van Ouarzazate uit, de warme buitenlucht in. Zelfs de taxichauffeur die 200 dirham (ongeveer 20 euro) rekent voor een ritje van niks naar ons hotel kan mij niet uit mijn evenwicht brengen.
‘Herken je het terug?’, vraagt mijn vrouw terwijl de taxi ons door een nieuwbouwwijk van Ouarzazate rijdt.
‘Nee, totaal niet’, antwoord ik. Ik ben te veel vergeten en er is te veel bijgebouwd om Ouarzazate te herkennen.
Ouarzazate heeft een meer verzorgde aanblik gekregen. Minder boerengat met overal rommel, aftandse wegen en sjofel geklede mensen, meer opgewekte provinciestad die z’n best doet iets voor te stellen. Er is van alles in aanbouw, bijna iedereen rijdt er in een Dacia (een Frans-Roemeens automerk dat sinds 2012 in Marokko wordt geproduceerd) en ik zie tal van jonge schoolmeisjes zonder hoofddoek om.
Ons hotel blijkt ook een aangename verrassing. We hebben een ruim en netjes ingericht appartement, met een groot balkon dat een fenomenaal uitzicht biedt op de Anti-Atlas, de zuidelijke uitloper van het Atlasgebergte. Terwijl mijn vrouw de koffers uitpakt, kijk ik uit over de stad. Ik probeer grip te krijgen op dit moment: het is alsof ik, inmiddels van middelbare leeftijd, getrouwd en met kinderen, in het leven van mijn jongere zelf ben gestapt.
Zeventien jaar geleden had ik besloten dat Ouarzazate mijn aandacht en betrokkenheid niet meer waard was. Ik was er voor een bruiloft van een familielid en werd na een middag al gek van verveling. Met de mensen had ik niks meer van belang te wisselen, onze werelden lagen te ver uit elkaar, en de hitte was ondraaglijk.
Dit stoffige, achtergebleven gebied, op de rand van een genadeloze woestijn, had niks meer met mij te maken. Het bood niks en hield alles en iedereen gevangen binnen een klein, bekrompen wereldje. Ik was een twintiger, een leeftijd waarop je genadeloos afrekent met alles wat energie ontbeert en niet de blik vooruit heeft.
Waarom ik Ouarzazate na al die jaren toch weer bezoek? Een eenduidig antwoord heb ik niet. Het is een complexe mix van mildheid die met het ouder worden komt, flink wat sentimentaliteit over wat is geweest, afgetopt met nieuwsgierigheid over wat er van mijn geboorteplek is geworden.
Maar de belangrijkste reden van mijn bezoek is mijn gezin. Dit is óók wie ik ben, ongeacht de afstand die ik van dit gebied heb genomen. Ouarzazate is een belangrijk decor geweest in mijn jeugd, hier heb ik vormende ervaringen – mooi en vreselijk – opgedaan.
Het begon te wringen dat mijn gezin op zo’n grote fysieke afstand stond van dat deel van mijn verhaal, dat ze niet op dezelfde grond hebben gelopen, niet door dezelfde bergpassen zijn gereden als ik, niet het lemen huis hebben aangeraakt waar ik ben geboren.
Het werd tijd dat mijn gezin kennismaakte met Ouarzazate.
Later die dag zitten mijn vrouw en ik op het balkon van ons appartement en zien we de zon ondergaan. We hebben even daarvoor door de binnenstad gewandeld. Terwijl mijn zonen van winkeltje naar winkeltje holden – in de hoop er interessant speelgoed te vinden, maar helaas – wees ik mijn vrouw waar vroeger het internetcafé zat waar ik aan de verveling probeerde te ontkomen, op welke terrasjes ik ontelbare flesjes Schweppes Tonic heb gedronken.
Het voelde goed om als vrolijke reisleider met mijn gezin langs al deze markeringspunten te gaan. Tot slot maakten we een korte stop bij een filiaal van Leclerc, een Franse supermarktketen, waar we een paar flessen uitmuntende Marokkaanse witte wijn wisten te scoren.
Proost, op alle lompe Marokkaanse douaniers.
‘Geen foto’s maken!’, roept mijn vader, maar het is al te laat.
Terwijl een agent mijn telefoon uit mijn hand grist, komt een ambtenaar brullend op mij af gelopen – of ik wel goed bij mijn hoofd ben. Direct word ik een kamertje binnen geduwd om tekst en uitleg te geven aan de qaid, de titel voor een lokale bestuurder die over alle burgerzaken gaat.
Met mijn vader ben ik die ochtend naar het gemeentehuis gegaan om mijn Marokkaanse identiteitskaart te vernieuwen. Een mooi, heuglijk moment, voor mijn vader, eindelijk keert zijn zoon, dat verdwaalde schaap, terug in de Marokkaanse moederschoot. En dan verpest ik het door kiekjes te schieten. Blijkt dat ze in Marokko best wel panisch reageren op mensen die foto’s maken in overheidsgebouwen.
Of ‘iemand’ mij heeft gestuurd om zijn gemeentehuis vast te leggen, wil de qaid weten. Ik bijt op mijn lip. Ik, een 007, op geheime missie in Ouarzazate.
Uiteindelijk weet mijn vader de zaak te sussen en kom ik ervan af met een berisping, en moet ik onder het toeziend oog van de qaid de foto – van een naambordje, niks bijzonders, ik maakte het als aandenken aan mijn ‘Marokkaanse reïntegratie’ – van mijn telefoon verwijderen.
‘Dachten ze dat ik aan het spioneren was voor Algerije of zo?’, grap ik tegen mijn vader. Maar hij kan er niet om lachen. ‘Dit is geen Nederland, jongen, hier zijn ze veel strenger.’
Eigenlijk doe ik dit meer voor mijn vader dan voor mijzelf. Al ver voor onze komst naar Ouarzazate had hij mij gesmeekt om een nieuwe Marokkaanse identiteitskaart aan te vragen. Het is belangrijk dat ik er eentje heb, zegt hij, om administratieve redenen (anders wordt het lastig om van hem te erven), maar ook om de band met mijn geboorteland aan te halen.
En dus zijn we sinds de vroege ochtend op pad om het papierwerk voor een nieuwe identiteitskaart in orde te krijgen. Dat blijkt nogal een klus. Omdat ik mijn oude identiteitskaart al meer dan twintig jaar kwijt ben en mijn nationale identiteitsnummer niet weet, moeten we langs verschillende instanties.
We gaan van gemeentehuis naar politiebureau, terug naar gemeentehuis, een tussenstop voor nieuwe pasfoto’s, weer naar het politiebureau, lunchen, langs bij een notaris, en uiteindelijk alle documenten inleveren bij het gemeentehuis. Over een week mag ik terugkomen voor een fonkelnieuwe identiteitskaart.
De gruwelijke bureaucratische rompslomp doet mij nauwelijks iets. Zelfs de steken onder water op het politiebureau – samengevat: ze vinden het maar raar dat ik nu pas mijn identiteitskaart hernieuw – weet ik van me af te laten glijden.
Ik geniet vooral van hoeveel plezier mijn vader beleeft aan dit vader-zoonuitje. Alsof hij met elke stempel op een stukje officieel papier, elke invoer in de Marokkaanse computersystemen, mij, zijn zoon, weer iets dichter bij zich heeft.
Ik snap hem wel. Want zo nauw is onze band niet altijd geweest. De moeizame relatie die we lang hadden is pas sinds kort veranderd in een normale, eentje waarin we elkaars gezelschap dulden.
Vooral de afgelopen dagen waren bijzonder. Met zijn allen – mijn vrouw, kinderen, mijn vader, ik – waren we verder zuidelijk afgereisd om mijn geboortedorp te bezoeken. Trots leidde mijn vader ons door het huis dat hij er onlangs heeft gebouwd en de weelderige tuin die hij er heeft aangelegd. Ontroerend was ook zijn rondleiding door de eeuwenoude kasbah, nu een half bewoonde ruïne, waar hij een deel van zijn jeugd doorbracht. Geduldig legde hij aan mijn vrouw uit hoe de kasbah was gebouwd als een vesting, compleet met uitkijktorens, om rivaliserende stammen buiten de dorpsmuren te houden.
‘Jullie verblijden mijn hart met jullie komst naar Marokko’, sprak mijn vader, in het Berbers, die dagen onophoudelijk uit. Maar de bekroning van dit alles was voor hem de aanvraag van de identiteitskaart, het ondubbelzinnige bewijs dat ik mijn geboorteland niet heb afgewezen, en in het verlengde daarvan het bewijs dat ik hém niet heb afgewezen.
‘Nu moet je je kinderen ook inschrijven’, zegt mijn vader als we eindelijk van al het papierwerk af zijn. ‘Het is belangrijk. Ze zijn toch ook Marokkaans?’
Grappig. In een niet zo ver verleden zou het verzoek van mijn vader op een diep, innerlijk verzet bij mij zijn gestuit, alsof hij mij gevraagd zou hebben om mijn kinderen uit te leveren aan dezelfde rigide opvattingen over identiteit waaraan ik als kind ben blootgesteld. Ik heb ze altijd willen weghouden van getouwtrek over wie ze wel of niet zijn.
Maar nu denk ik: tsja, waarom eigenlijk niet?
Kom kom, klinkt daarna het stemmetje in mijn hoofd dat opduikt zodra er te veel zoete emoties op de loer liggen, je lijkt wel een opgewonden bakvis.
Toch kan ik er niet omheen dat er de afgelopen dagen minder bitterheid in mijn oordeel over Marokko zit. Alsof ik de andere, redelijke kant van een problematisch familielid heb leren kennen.
‘Zullen we de Marokkaanse nationaliteit voor ze aanvragen?’, stel ik mijn vrouw diezelfde dag voor.
Ze trekt een wenkbrauw op. Niet sceptisch, eerder verwonderd.
‘Zou je dat echt willen?’
‘Kech’ noemt de hippe jeugd het tegenwoordig, uit te spreken als ‘cash’. Dat is kort voor Marrakech, de zuidelijke handelsstad die het afgelopen decennium aan een spectaculaire opmars bezig is geweest. Het wil het Dubai van Noord-Afrika zijn, een trekpleister voor de rijke jetset en vakantiegangers met geld om stuk te slaan.
De bouwwoede in Marrakech is voor Marokkaanse begrippen ongekend. Overal waar we kijken zien we hijskranen en villawijken in aanbouw. In sommige buurten zijn de huizen zelfs nog eerder aangelegd dan de toegangswegen, alsof van hoog boven een paar kant-en-klare gated communities lukraak over de stad zijn uitgestrooid.
We zitten achter een frietje en een hamburger in de buitenruimte van een indoorspeeltuin, in een deel van Marrakech waar een paar jaar geleden vooral onkruid groeide. Nu rijden de SUV’s er af en aan en worden er villa’s in het duurste segment aangeboden.
We hebben er afgesproken met een familielid dat anderhalf jaar geleden besloot Nederland achter zich te laten en met haar gezin naar Marrakech te verhuizen. Ze is een van het groeiend aantal Europese Marokkanen dat is ‘teruggekeerd’, een gekke formulering: ze zijn vaak in Europa geboren.
Harde cijfers over het aantal Marokkaans-Nederlandse ‘terugkeerders’ ontbreken vooralsnog, maar uit data van het CBS blijkt al langer dat in Nederland geboren kinderen van Marokkaanse ouders er vaker voor kiezen uit Nederland te vertrekken dan leeftijdsgenoten met een andere achtergrond. Op sociale media wemelt het van de accounts en besloten groepen die Europese Marokkanen een zalig leven in hun ‘thuisland’ beloven.
De terugkeerders hebben tal van redenen om zich in Marokko te vestigen: omdat ze het zich financieel kunnen veroorloven om zorgenvrij in een zonnig klimaat te leven, en/of om de islamofobie en het guur-rechtse politieke klimaat in Europa te ontvluchten.
Mijn familielid behoort vooral tot de eerste groep, en een beetje tot de laatste. Op een gegeven moment dacht ze: ik hoef me geen tweederangsburger te voelen in Nederland, ik pak mijn boeltje en verhuis naar een stad waar ik verlost ben van die onzin.
In Marrakech woont ze in een villa met zwembad, haar kinderen gaan naar de beste privéscholen. Vakanties brengt ze met haar gezin door in hun vakantiehuis aan de Spaanse kust of in Dubai. Nederland is nu vooral het land waar ze haar zakelijke belangen heeft, die ze makkelijk op afstand kan regelen. Het is dat ze er van tijd tot tijd moet zijn voor familiebezoekjes en zakelijke afspraken, anders had ze nooit meer naar Nederland omgekeken.
De speeltuin blijkt vol te zitten met zulke Europese Marokkanen als mijn familielid. Overal klinkt Frans met dat typisch knauwende Maghrebijnse accent. Ze zijn gestoken in dure merkkleding, hun flitsende auto’s staan voor de ingang van de speeltuin.
Diezelfde dag kijk ik op verschillende sites wat het aanbod aan onroerend goed is in Marrakech. Interessant, denk ik, als ik langs de luxueuze villa’s scrol, aangeboden voor bedragen waar je in Amsterdam nog niet eens een bezemhok voor kunt krijgen.
Zou ik het kunnen? Het ideaalplaatje – mooi weer, groot huis, PVV-vrij – is heerlijk om bij weg te dromen, maar er kleeft bij nader inzien ook iets verstikkends aan. Ik voelde het ongemak daarover al opkruipen in de speeltuin.
Iedereen had het er zichtbaar naar zijn zin, was er op zijn gemak zoals je Marokkaanse gezinnen niet vaak ziet in Europa. Maar het had ook kenmerken van een afgesloten bubbel.
Dit waren kapitaalkrachtige mensen, die hun in Europa opgebouwde kapitaal in Marrakech gebruikten om een eigen sociale laag te bouwen, met privéscholen, gated communities, exclusieve clubs, sportscholen en indoorspeeltuinen.
Dit leek mij niet ‘terugkeren’ naar Marokko, maar een eigen plekje uithouwen in een gebied met zon, luxe, een internationaal vliegveld nabij en met nauwelijks banden met de rest van het land, precies zoals de rijken overal in de wereld hun leven vormgeven.
En Marokko leek die vorming van een bubbel ook te stimuleren. Kom hier wonen, was de boodschap op de vele billboards, keer terug naar het land van je (voor)ouders, investeer je geld hier en leid een formidabel nieuw leven achter de hekken van je gated community.
Echt leven in dit land is, wat mij betreft, bewust en voluit onderdeel uitmaken van het maatschappelijk en politiek weefsel. En dat kan niet zonder te erkennen dat je de Europese democratie hebt verruild voor een land met een alleenheerser aan het hoofd, en overal abjecte ongelijkheid (tussen rijk en arm, en vrouw en man) en corruptie.
Ik vermoedde dat maar weinig mensen in de indoorspeeltuin in dát Marokko leefden. En ik zag het mezelf ook niet doen.
Laat ik het voorlopig maar houden bij de vraag of ik mijn kinderen een Marokkaanse nationaliteit moet aansmeren, besloot ik. Dat gaf mijn vrouw en mij stof tot nadenken genoeg.
Het is, hoe kan het ook anders, PVV-leider Geert Wilders die het startschot geeft.
Ik word vrijdagochtend 8 november wakker in een luxueuze villa in Marrakech. De zon schijnt. Mijn kinderen zijn allerliefst aan het spelen. Het gaat weer een prachtige dag worden. Totdat ik X open op mijn telefoon.
‘Arresteer en deporteer het multiculturele tuig dat supporters van Maccabi Tel Aviv aanviel in onze straten’, schrijft Wilders op zijn X-account.
In Nederland heerst die ochtend angst, verbijstering en woede over de ‘jodenjacht’ die op de nacht van donderdag op vrijdag in Amsterdam zou hebben plaatsgevonden.
Supporters van de Israëlische voetbalclub Maccabi Tel Aviv – berucht om zijn hardrechtse hooligans – waren in de hoofdstad neergestreken voor een wedstrijd tussen hun club en Ajax. Amsterdamse jongeren, vermoedelijk van Marokkaanse afkomst, zouden de Israëlische supporters hebben opgejaagd en in elkaar geslagen, als vergelding voor het wangedrag van de Israëlische supporters die anti-Arabische leuzen scandeerden en een Palestijnse vlag in brand staken.
De rest van het nieuws krijg ik die dag fragmentarisch mee. Na het ontbijt verlaten we de villa en stappen we in onze huurauto om terug te keren naar Ouarzazate. Daar zullen we de volgende dag het vliegtuig terug nemen naar Nederland. Van tijd tot tijd maken we een tussenstop bij souvenirwinkels en zie ik kans om de berichten uit Nederland bij te lezen.
In de auto proberen mijn vrouw en ik de brokjes informatie op een rijtje te zetten en tot een mening te komen. We ergeren ons aan de berichtgeving, die buitenproportioneel gericht lijkt op meningen (van Geert Wilders tot de Amerikaanse president Joe Biden), en minder op de feiten. En waarom is er zo weinig oog voor het wangedrag van Maccabi-supporters?
Maar ik voel ook schaamte. We staan er weer eens lekker op, als Marokkaanse Nederlanders, verzucht ik tegen mijn vrouw. Wanneer leren zulke gastjes nou eens dat één wandaad van hen terugslaat op een hele gemeenschap? Als opgroeien in Nederland mij een ding heeft geleerd is het dit: alles wat een Marokkaanse Nederlander flikt, kan ook mij worden aangerekend.
Eenmaal in Ouarzazate vul ik de rest van mijn dag met het lezen van nieuwsberichten op mijn telefoon. Wilders is niet te houden en gooit op X hele vaten olie tegelijk op het vuur.
‘De daders moeten het land uit.’ ‘Waar blijven de voorstellen om criminele moslims te kunnen denaturaliseren?’ ‘Criminelen het land uit knikkeren.’ ‘Expel islamic radicals.’
Ik zit op het terras van ons hotel en zie de zon verdwijnen achter de Anti-Atlas. Ik zou ervan moeten genieten, maar ik voel me verdoofd door het nieuwsgeweld en de verwondende taal die er uit Nederland klinkt.
Ik weet het niet meer, met dat plan om de Marokkaanse nationaliteit voor mijn zonen aan te vragen. Waar lever ik ze aan uit?
Vooralsnog kan denaturalisatie alleen bij een veroordeling voor terrorisme. Maar Wilders ziet zijn kans schoon om te pleiten voor het verschuiven van de doelpalen en ik ben niet helemaal gerust dat zijn verbale geweld geen effect zal hebben.
(In de dagen daarop is Wilders explicieter over wie er precies moeten worden gedeporteerd: ‘De daders – vooral Marokkanen – snoeihard straffen, Nederlanderschap afpakken en uitzetten’, schrijft hij op X. Ook andere politici zullen zich daarbij aansluiten. Minister-president Dick Schoof acht het ‘voorstelbaar’ dat het paspoort bij antisemitisme wordt afgenomen. VVD-leider Dilan Yesilgöz zal zeggen dat ze het een goed idee vindt ‘om te kijken waar dat (denaturalisatie, red.) verbreed kan worden.)
‘A’abar hli’hom Lmgharba fi Amsterdam’, zegt een douanier, als we de volgende ochtend op de luchthaven inchecken voor onze vlucht terug naar Nederland. Vrij vertaald: ‘De Marokkanen in Amsterdam hebben die supporters van Maccabi een lesje geleerd.’
De douanier probeert een momentje van verstandhouding te creëren. Ik ben een Marokkaan, dus moet mijn hart toch ook opzwellen van trots om wat Marokkanen in Amsterdam hebben gedaan, lijkt hij te willen overbrengen.
Hij ontbeert het besef dat ik ook Nederlander ben, met zorgen om Nederland die hij niet kan navoelen. ‘Hm’, zeg ik, en meer niet.
Mijn jongste zoon is ondertussen uitgelaten, dolblij dat we weer naar huis gaan, terug naar zijn Lego-verzameling.
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant