Omdat mijn vader een elleboog had die steeds verder opzwol en koorts had die steeds hoger opliep, besloten wij rond middernacht naar de huisartsenpost van het OLVG West te gaan. Bij de balie kregen we te horen dat het niet mogelijk was om geholpen te worden zonder verwijzing; daarvoor moesten we eerst de huisartsenpost bellen. ‘Maar we zijn op de huisartsenpost’, zei mijn vader. De vrouw achter de balie knikte en zei: ‘Eerst bellen.’
We namen plaats in de wachtkamer en troffen een situatie aan die ik sindsdien moeilijk van mijn netvlies krijg: een ruimte vol min of meer creperende mensen met in één hand hun iPhone, de andere vaak voor het gezicht geslagen tegen de schelle plafondverlichting. Het had iets weg van een reclame voor Apple, maar dan uit de hel.
Kort nadat mijn vader te horen had gekregen dat hij 24 wachtenden voor zich moest dulden, had een van de creperenden inmiddels zulke hevige maagkrampen dat ze op de vloer van de wachtkamer ging liggen. Ze liet de rechterkant van haar gezicht op de vloer rusten, sloot de ogen opnieuw en legde haar iPhone op haar vrije wang. Ik vond dit een afschuwelijk aanzicht, maar wist niet of het eerbiediger was om wel of juist niet naar haar te kijken.
‘Maar dit kan toch niet?’, vroeg ik aan mijn vader. ‘Nee’, zuchtte mijn vader, ‘dit kan inderdaad niet.’ Ik zag hoe ook zijn ogen begonnen dicht te vallen. Zijn diepe ademhaling schikte zich naar het ritme van de stem aan de lijn, die hem om de zoveel seconden bedankte voor het wachten. ‘Dit is zo’n moment’, zei mijn vader na een lange stilte, ‘waarop mensen het woord kafkaësk beginnen te gebruiken.’
Plots hoorden we de in foetushouding liggende vrouw een gesprek starten; ze was aan de beurt en begon iets uit leggen dat geen van de omstanders nog verbaasde, namelijk hoe ongelooflijk ellendig ze zich voelde. Omdat iedereen in de wacht stond, luisterden we allemaal mee en ervaarden we een zekere collectieve opluchting op het moment dat ze haar verwijzing leek te krijgen. ‘Ja’, kreunde ze, ‘ja, dat is natuurlijk top.’ Met nog altijd gesloten ogen stelde ze de vraag die op ieder van onze lippen brandde: ‘Dus dan kan ik zeg maar doorlopen?’
Geholpen door een andere vrouw bewoog ze uiterst traag omhoog, waarna ze dubbelgeklapt naar de balie liep. Daar zagen we haar een kort gesprek voeren met de receptioniste, die hard op een knop drukte. Er vlogen twee deuren open. Langzaam schuifelde ze naar deze pas ontstane opening, maar voordat ze daar goed en wel doorheen was, draaide ze zich nog één keer om. Een kort knikje gaf ze ons en wij gaven haar een eveneens korte, maar eerbiedige knik terug.
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant