Oud-staatssecretaris Jaap van de Doef voelde zich thuis in Zeeland, waar hij dertien jaar burgermeester van Vlissingen was. ‘Het gaat hier om de gewone dingen. Niet om de glamour. Daar hoor ik bij.’
Hij was geen Zeeuw, hield eigenlijk helemaal niet van de zee en had, zei hij, nooit met zijn handen gewerkt. Toch ervaarde Jaap van der Doef een sterk gevoel van thuiskomen toen hij in 1982 in Middelburg kwam wonen.
Van der Doef verhuisde naar Zeeland, nadat het kabinet-Van Agt II – hij was daarin staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat – was gevallen en hij terugkeerde naar de Kamer. Als Kamerlid (PvdA) kreeg hij onder meer het behartigen van de Zeeuwse belangen in zijn portefeuille. En dat kon je alleen goed doen als je daar woonde, vond hij.
De Volkskrant profileert regelmatig bekende en onbekende, kleurrijke Nederlanders die onlangs zijn overleden. Wilt u iemand aanmelden? postuum@volkskrant.nl
Later, in Vlissingen, stichtte hij na een scheiding een nieuw gezin, werd er in 1986 burgemeester en bleef dat tot aan zijn pensioen in 1999. Nadien zette hij zich nog in voor talloze organisaties in Zeeland, zoals Zeeuwse Milieu Federatie, het Van Randwijk Comité en Cultuurwerf Vlissingen.
Inwoners roemden zijn betrokkenheid en luisterend oor. ‘Hij wilde mensen tot hun recht laten komen. Verschil in levens proberen te maken’, zegt zijn echtgenote Lies. Om daar aan toe te voegen: ‘Ik denk dat zijn eigen jeugd daar moeilijk los van is te zien.’
Van der Doef groeide op in een armlastig gezin, dat een groot familiegeheim met zich meedroeg: vader, werkzaam als tuinder, had vastgezeten vanwege een zedenmisdrijf. Over wat er precies gebeurd was, en hoe lang hij opgesloten had gezeten, werd gezwegen.
Vanuit het Westland was het gezin naar Doorn gevlucht, waar het een nieuw leven probeerde op te bouwen, onder meer door het verhuren van kamers. Jaap groeide op in de crisis- en oorlogsjaren. Dat viel niet mee: eten moest worden verdeeld onder zeven kinderen. Ondervoed kwam hij uit de oorlog.
Na het afronden van de Mulo ging hij werken in een boekhandel, waarna een van de pensiongasten hem wees op het A.C. de Bruijn Instituut, waar vakbondsmensen werden opgeleid. Met behulp van een subsidie kon hij er gaan studeren. Het leidde tot een baan bij de vakbond voor transportarbeiders, in Limburg.
Het was de aanzet voor een lange politieke carrière. Hij was als staatssecretaris voor Verkeer en Waterstaat onder meer verantwoordelijk voor de invoering van de APK. Als burgemeester van Vlissingen kreeg hij te maken met de visserijfraude en maakte hij de opkomst en ondergang van het betaald voetbal in de stad mee.
Hij mocht in Vlissingen ook de eerste telefooncel waarin alleen met een betaalkaart in plaats van kwartjes betaald kon worden openen – het eerste gesprek voerde hij met de directeur van de VVV.
Het burgemeesterschap van de Zeeuwse stad noemde hij ‘een geschenk uit de hemel’. Vooral dankzij de inwoners, vertelde hij later tegen documentairemaker Helge Prinsen. ‘Het gaat hier om de gewone dingen. Niet om de glamour. Daar hoor ik bij. Daar voel ik me thuis.’
Jaap van der Doef overleed 15 februari op 90-jarige leeftijd. Pas ver na zijn pensionering, op zijn 83ste, vond hij de ruimte om het familiegeheim uit te zoeken over zijn vader, die in 1965 was overleden. Jaap had zijn eigen invulling gegeven aan wat hij over hem had gehoord en hem al ver voor zijn dood afgeschreven. ‘Een man van niks’, was zijn harde oordeel.
Hij volgde een schrijfcursus, sprak met familie, ploos archieven uit en werkte maandenlang aan het boek dat Op zoek naar een vader ging heten. Gaandeweg kwam hij erachter dat het allemaal veel genuanceerder lag dan dat hij het zelf had ingevuld, al die jaren. Zo werd het boek in plaats van een afrekening een monument. ‘Het is wat laat’, erkende hij in 2017 in de PZC, ‘maar eindelijk ben ik van mijn vader gaan houden.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant