Home

De dieren van Anton Koolhaas zijn raar en grillig. Ik kan nog steeds lachen om die dommige bliek

is columnist voor de Volkskrant.

Het is heel willekeurig, en daarom ook magisch, welke dingen uit je kindertijd je je heel scherp herinnert.

Zo heb ik met mijn broer en zus, met wie ik respectievelijk drie en één jaar scheel, kernherinneringen aan drie heel particuliere cultuuruitingen: de films Parenthood en On Golden Pond, en de dierenverhalen van Anton Koolhaas, vooral het verhaal over een bliek (dat is een soort vis).

Dat we ons nou precies die twee, niet extreem beroemde films herinneren, ligt denk ik aan het feit dat we thuis maar twee videobanden hadden, waar deze films op stonden. En die dierenverhalen, die moet onze vader ons hebben voorgelezen. En die vonden wij extreem grappig.

Je hebt allerlei soorten dierenverhalen: de bekendste in Nederland zijn die van Toon Tellegen, over dieren die vaak filosofisch aangelegd zijn en in het voorbijgaan vaak diepzinnige dingen opmerken. Je kunt ze cadeau doen aan pasgeboren kinderen met verstandige ouders, of aan mensen die troost nodig hebben. De verhalen van Anton Koolhaas zijn ongeveer het tegenovergestelde: zijn dieren zijn heel raar en grillig, hebben vaak malle, hoekige namen (Frot, Kruuk) en praten heel formeel, op het bizar-deftige af, of juist ineens heel informeel. ‘So what?’, zegt een muis die Dirk heet.

Ze zijn, wat wij mensen altijd leuk vinden als het over dieren gaat, ook heel menselijk. Over twee andere muizen, Karel en Door: ‘Hij had Door niet geheel en al zonder gêne gegroet en zij had hem peinzend nagekeken en was daarna wat aan haar nest gaan verschikken.’

Ons favoriete verhaal ging dus over een bliek en een snoek, en het heet Gekke witte. In een vijver woont een nogal uitgelaten bliek, Wissus, die zoals meer van Koolhaas’ dieren een eigen taalgebruik heeft. ‘Dàt zijn flinken, hogen sprongen’, zegt hij vaak over zijn eigen gespring. En als hij het spannende, koude stukje onder de brug succesvol is gepasseerd, roept hij altijd: ‘Voor een bliek niet gek!’ Misschien komt het doordat er vroeger geen iPads waren, maar wij konden als kinderen uren lol hebben over deze twee zinnen.

En ik moet eigenlijk nog steeds heel erg lachen om die dommige bliek.

Iets wat me fascineerde aan Anton Koolhaas zelf, was dat ik ooit had begrepen dat hij leraar was en al zijn verhalen in hoog tempo schreef, in de schoolvakanties. Hij was niet zozeer leraar, bleek nu ik dit opzocht, maar docent aan de filmacademie en journalist. Maar hij schreef zijn verhalen wel in hoog tempo, en in de vakantie. 5.000 tot 6.000 woorden per dag, in een soort manie die hij in een interview een ‘hel’ noemde. Hij scheidde lange tijd jaarlijks een bundel af.

Dat vond ik altijd heel geruststellend, als schrijver, dat je niet per se langzaam hoefde te schrijven om goed te zijn. Want ik haat langzaam schrijven.

Over onze columns
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant columns

Previous

Next