Home

Hoeveel energie steek je in het behoud van de energie-intensieve industrie? ‘Eindelijk denkt Den Haag: oeps, we moeten iets doen’

De alarmbellen hebben geklonken: energie-intensieve bedrijven vertrekken uit het ‘te dure’ Nederland. Daarmee dreigt een keten uit elkaar te vallen. Is dat erg? En zo ja, moet het kabinet in de Voorjaarsnota met oplossingen komen?

is economieredacteur. Hij schrijft over de energietransitie.

Het terrein in het Rotterdamse havengebied waar chemiebedrijven LyondellBasell en Covestro nu nog halffabrikaten maakt, biedt vrij zicht op de energie van nu én van de toekomst. Aan de ene kant steken de hoge schoorstenen van een elektriciteitscentrale de lucht in. Verder, verspreid over de Tweede Maasvlakte, malen wieken van windturbines in de frisse voorjaarswind. En tegenover de ingang van de fabriek liggen de gigantische funderingen voor de molens die nog in zee worden geplaatst.

Maar de stroom die die turbines in de Noordzee zullen opwekken, gaat de fabriek niet meer bereiken. De fabriek ligt stil. In de loop van volgend jaar beginnen slopers met de ontmanteling van het uitgestrekte staketsel van buizen, reactorvaten en schoorstenen, waarin de basismoleculen worden gemaakt voor onder meer isolatiemateriaal, matrassen en windmolenbladen.

Het bericht over de sluiting is al enkele weken landelijk nieuws. Samen met de mededeling van multinational Tronox, die, iets verderop in de haven, stopt met de fabriek waar pigmenten voor onder meer verf en plastics worden gemaakt.

In hun alarmerende persberichten – ‘Het is vijf over twaalf voor de Nederlandse chemische industrie’ – roepen bedrijven, de gemeente Rotterdam, de provincie Zuid-Holland en het Havenbedrijf Rotterdam nog wat andere voorbeelden in herinnering: raffinaderij Gunvor, die stopt met de productie van motorbrandstoffen. Indorama, dat geen plastic voor frisdrankflessen meer maakt. En chemieconcern Westlake, dat een onderdeel sluit dat chloorproducten maakt. Opgeteld zouden er bij de vijf bedrijven zo’n zevenhonderd arbeidsplaatsen verloren gaan.

Domino-effect

Het Havenbedrijf ziet deze sluitingen als voorbode voor veel meer dat komen gaat. ‘De hoofdkantoren van bedrijven in het hele gebied beraden zich op hun investeringen in Europa.’ En dan kan het ineens heel hard misgaan, is de vrees. De kracht van de 20 kilometer lange strook van bedrijven in het havengebied is namelijk dat ze zo dicht op elkaar zitten. Over het hele gebied lopen allerhande pijpleidingen heen en weer tussen verschillende bedrijven. Het maakt de haven tot een superefficiënte plek, maar tegelijkertijd ook tot een kwetsbaar geheel. Als er cruciale schakels uit dit ‘ecosysteem’ verdwijnen, kan dat een domino-effect hebben op aanpalende bedrijven.

De industrielobby wil dat er in de Voorjaarsnota, waarover de coalitie in Den Haag de komende week gaat onderhandelen, iets wordt gedaan. Zo pleit ze voor het afschaffen van de extra CO2-belasting die Nederlandse energie-intensieve bedrijven betalen boven op de Europese CO2-prijs. Ook maakt ze bezwaar tegen de hoge kosten die Nederlandse bedrijven betalen voor gebruik van het stroomnet. En ze wil dat de Nederlandse heffing op plasticproductie wordt geschrapt. Alles om de bedrijven een ‘gelijk speelveld’ in Europa te geven.

‘Al dik twee jaar roepen we dit, maar iedereen riep: er vallen toch geen bedrijven om’, zegt directeur chemie en verduurzaming Ronald van Klaveren op het hoofdkantoor van LyondellBasell, direct naast het Centraal Station in Rotterdam. ‘Nu gebeurt dat en hebben we de aandacht. En beseffen ze in Den Haag: ‘Oeps, we moeten toch wel iets doen’.’

Noodkreten

De noodkreten van de industrie worden inderdaad gehoord in Den Haag. Zelfs GroenLinks-PvdA pleitte er recentelijk voor bedrijven te hulp te schieten met lagere belastingen of lagere energiekosten, zolang het maar bedrijven zijn die een plan hebben om te verduurzamen.

De fabriek van LyondellBasell/Covestro op de Maasvlakte was daarmee niet te redden geweest, geeft Van Klaveren toe. ‘Voor een van de twee producten die we daar maken, geldt dat China op dit moment de wereld overspoelt. Dat materiaal is zogezegd goed op de boot te zetten, dus zien we dat we daar op de lange termijn geen businessmodel hebben.’

Maar voor de andere grote fabrieken die Lyondell in de Rotterdamse haven heeft, ligt dat anders. Zoals voor de vestiging waar onder meer een stof wordt gemaakt die verwerkt wordt in benzine, waardoor voertuigen zuiniger kunnen rijden. Voor die fabrieken is een gelijk Europees speelveld van levensbelang, zegt Van Klaveren.

Het alternatief

Toch is lang niet iedereen ervan overtuigd dat Nederland er goed aan doet de chemische industrie te hulp te schieten. Een groep van dertien prominente economen waarschuwde namens actiegroep Advocates for the Future het kabinet: de energie-intensieve industrie in Nederland slokt veel ruimte en energie op, maar ze draagt slechts voor 1 procent bij aan het bruto binnenlands product. Investeer je geld niet in het overeind houden van zulk soort oude bedrijvigheid, is hun advies.

Ook Pieter Hasekamp, directeur van het Centraal Planbureau, waarschuwde het kabinet afgelopen week. Hij schreef een column die begint met het voorbeeld van Nedcar in Born, dat een jaar geleden failliet ging. Van de vierduizend mensen die daar hun baan verloren, heeft 90 procent alweer werk gevonden, schrijft Hasekamp.

Er is kortom een schreeuwende behoefte aan technisch personeel. Met de chemische industrie gaat het inderdaad slecht, erkent Hasekamp (20 procent minder productie sinds 2021). Maar de industrie als geheel groeide met 4 procent. De machine-industrie groeide, opgestuwd door chipmachinefabrikant ASML, zelfs met liefst 32 procent.

Het verhaal van de critici is kortweg dit: de energie-intensieve industrie is mede in Nederland ontstaan door goedkoop gas en gunstige fiscale regelingen. Dat een deel van die bedrijvigheid verdwijnt nu energie duurder wordt, is dus logisch. Zeker in de huidige economie, waar Nederland door schaarste aan personeel, fysieke ruimte en tekort aan betaalbare energie kampt met te hoge inflatie. Dan is het zelfs wenselijk dat een deel van de bedrijvigheid vertrekt.

Belang voor Europa

Deze critici weten zich gesteund door een publicatie afgelopen week van De Nederlandsche Bank (DNB). Uit onderzoek van de bank blijkt dat de chemische industrie niet fundamenteel geholpen is met een gelijk speelveld door allerhande landelijke regelingen te staken die de industrie in Nederland nu extra belasten. Groene energie is in Nederland de komende jaren gewoon te duur voor de zeer energie-intensieve chemie, is de conclusie. De relatief dure windmolens op de Noordzee kunnen niet op tegen goedkopere zonnepanelen in Spanje of waterkracht in Scandinavië, concluderen de onderzoekers.

‘Het zijn typisch de redeneringen van macro-economen’, zegt de Utrechtse hoogleraar duurzame energiesystemen Gert Jan Kramer. Hij is voorzitter van het Sustainable Industry Lab, waarin universiteiten samen met overheid, industrie en ngo’s nadenken over de toekomst van het Nederlandse industrie.

Kramer vindt dat die macro-economische blik blind is voor de samenhang van de hele Nederlandse chemie. ‘Daar kun je niet zomaar een paar bedrijven tussenuit laten wegvallen, dan is er een cascade effect en ben je een hele sector kwijt.’ Zo dreigt Europa een bedrijfstak te verliezen die essentieel is om een eigen duurzame economie op te bouwen, waarschuwt hij.

Strategische autonomie

Daar raakt Kramer een punt dat eigenlijk door alle partijen in de discussie over de toekomst van de industrie wordt onderschreven: strategische autonomie. Zeker afgelopen jaar is pijnlijk duidelijk geworden hoe riskant het is dat Europa zo afhankelijk is van landen die van vriend in vijand veranderen.

Om die afhankelijkheid te verkleinen en de Europese plannen voor een competitieve, duurzame en klimaatneutrale economie te realiseren, is de chemische industrie cruciaal, bleek ook uit het gezaghebbende rapport dat oud-ECB-president Mario Draghi vorig jaar schreef in opdracht van de Europese Commissie. Het beste is dan, aldus deskundigen, als vanuit Brussel wordt bekeken welke industrieën in Europa absoluut moeten worden beschermd.

Maar zo’n plan is er niet, althans nog niet. En zonder zo’n plan lijkt politiek Den Haag bevreesd om een industrie voortijdig te laten kapseizen. Belangrijkste vraag lijkt dus vooral: hoever komt de regering-Schoof de energie-intensieve industrie tegemoet?

Een van de onderdelen die daarin een rol spelen, zijn de maatwerkafspraken. Waar de extra CO2-heffing de stok was om de industrie tot snelle verduurzaming aan te zetten, zijn de maatwerkafspraken de wortel. Met geld en garanties wil de overheid zo’n twintig energie-intensieve bedrijven ondersteunen om te verduurzamen.

Volgens hoogleraar Kramer willen de meeste bedrijven die maatwerkafspraken best offeren als in ruil daarvoor de extra Nederlandse heffingsmaatregelen verdwijnen. ‘Zonder namen te noemen, weet ik dat er veel bedrijven zijn die zeggen: de afspraken zijn goed bedoeld, maar ze werken niet. Er wordt al meer dan twee jaar met bedrijven gesproken en er is slechts één maatwerkafspraak getekend.’ Met het Sustainable Industry Lab werkt Kramer aan een alternatief voor de maatwerkafspraken, waarbij niet per bedrijf maar per sector een deal zou kunnen worden gesloten. ‘Dat hopen we binnen enkele maanden te publiceren.’

Complexe verbindingen

Gesteld voor de vraag of de maatwerkafspraken ook wat LyondellBasell betreft van tafel kunnen, schudt Ronald van Klaveren zijn hoofd. ‘Nee, liever niet.’ Eventuele subsidie is daarbij wat hem betreft niet eens het grootste punt. ‘Het gaat erom dat we echt met elkaar in gesprek zijn.’

Zo is voor LyondellBasell een belangrijke eis voor verduurzaming dat er ook vraag is naar de gerecyclede kunststoffen die het bedrijf kan maken. ‘Als we zeker weten dat die vraag er is, kunnen we een serieuze investeringsbeslissing nemen. Als er vervolgens een gelijk Europees speelveld is, kan de beslissing natuurlijk nog altijd zijn dat Nederland niet de beste vestigingsplek is. Met zo’n beslissing is niets mis.’

Dat het schrappen extra maatregelen de transitie uiteindelijk tot stilstand brengt, gelooft Van Klaveren niet. ‘In Europa is wetgeving die maakt dat we voor 2050 klimaatneutraal moeten produceren, dus die stok blijft er wel degelijk. Maar je moet er niet zo hard mee slaan dat we bezwijken.’ Dat uiteindelijk misschien bedrijven vertrekken omdat energie in Nederland te duur is, ziet ook Van Klaveren als logisch onderdeel van de economie. ‘Alleen dan wel met een gelijk speelveld.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next