is wetenschapsredacteur van de Volkskrant. Hij schrijft over natuur en biodiversiteit.
Natuurbeheerders slepen kadavers van wilde dieren naar de natuur. Maakt dat wolven minder bang voor mensen?
Met wat geluk is het bloedbad op de provinciale wegen nu zo’n beetje opgedroogd. Tot zo’n drie, vier dagen nadat de zomertijd is ingegaan (afgelopen zondag), worden elk jaar opvallend veel meer wilde dieren doodgereden. De oorzaak is bekend: de mens kan wel zijn klok verzetten, dieren niet hun biologische klok.
Reeën, herten en wilde zwijnen zijn actief in onze ochtend- en avondspits en steken als kippen zonder kop wegen over, zeker nu de geboortetijd nadert en mannetjes op zoek zijn naar nieuwe territoria. Zo eindigen jaarlijks, naar uiteenlopende schattingen, tussen de tien- en vijftienduizend dieren onder de wielen van automobilisten. De cijfers zijn even vertrouwd als de jaarlijkse oproepen om op provinciale wegen snelheid te minderen; snelheidsduivels laten zich er niet door afremmen.
Natuurorganisaties bezorgen de slachtoffers een tweede leven: ze leggen ze op heidevelden en in bossen. Daar zijn de kadavers waardevolle voedselbronnen. ‘Na een dag of drie gaat het dode dier stinken’, licht Natuurmonumenten toe op de eigen website. ‘Voor wilde zwijnen het signaal dat er wat te eten is’, evenals voor vossen, dassen, buizerds, marters, raven en zeearenden. Aaskevers, vliegen en andere insecten leggen hun eitjes in het rottende vlees; koolmezen en spreeuwen pikken er later dankbaar hun eiwitrijke maden uit. Calcium en fosfor uit de botten verrijken de bodem.
In de natuur wordt de dood altijd gevierd met een feestelijke dis.
Vorige week werd dat feestje van de kringloop ruw verstoord in Den Haag, waar politieke aasgieren en angsthazen om elkaar heen dartelen. In hun jacht op de gevreesde wolf vroegen Kamerleden Caroline van der Plas (BBB) en Dion Graus (PVV) zich af wat deze praktijk betekent voor de wolf. De aangevoerde kadavers van ‘valwild’ (zoals autoslachtoffers worden genoemd) ruiken immers naar mens. Dat zou ertoe leiden dat wolven mensengeur niet meer associëren met gevaar, maar met vriendelijke maaltijdbezorgers, zo hadden ze gehoord. ‘Met alle risico’s van dien.’ Vorige week dienden de twee tijdens het ‘wolvendebat’ eensgezind een motie in om dit te laten onderzoeken.
In deze rubriek geeft Jean-Pierre Geelen, natuurredacteur van de Volkskrant, zijn persoonlijke commentaar op opmerkelijke confrontaties tussen mens en natuur.
Overbodig, want dat onderzoek bestaat al. Vijf ecologen praatten de Kamerleden op de website Nature Today afgelopen dinsdag bij. Valwild speelt op de menukaart van de wolf een marginale rol, was hun conclusie. ‘In de periode 2020-2022 werd van 94 valwildkadavers op de Veluwe vastgesteld dat vier keer een volledig dier is benut dan wel meegenomen door wolven. Van twee aanvullende keren is dit waarschijnlijk, maar valt het niet met zekerheid te zeggen vanwege een niet-functionerende camera. Buiten de Veluwe is twee keer vastgesteld dat een wolf een dood dier bezocht. Beide keren is daar niet van gegeten’, schrijven de ecologen vanuit het veld. En: ‘Wolven eten 98 procent wild, maar als de wilde optie niet voor handen is, vallen ze terug op makkelijke voedselbronnen zoals schapen.’
Die schapen ruiken onvermijdelijk naar de mensen die hen houden. Met evenveel recht zou je – in de redeneertrant van Van der Plas en Graus – dus kunnen pleiten voor een onderzoek naar het ongewenste effect op de wolf van de schapenhouderij (waarvan een groot deel toch al weinig diervriendelijk aan z’n einde komt).
Het zou een geheel nieuwe wending geven aan ‘het wolvendebat’: ‘BBB en PVV pleiten in motie voor einde aan de schapenhouderij’. Onderzocht wordt nog wat zal worden opgediend aan de feestelijke dis.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns