Mijn eerste Maigrets stopte ik mijn mond, mijn opa had ze liggen op zijn salontafel. Het speelde op mijn 0de, ik zat in de orale fase (Freud). Vieze boekjes, vond ik het. Taai ook. Eenmaal in mijn anale fase (ook Freud) kreeg ik ze niet in mijn reet gestoken. Gelukkig werd de fase fallisch (drie keer raden wie) en kreeg ik door dat er op ieder boekje een grote, keiharde, zwarte pijp stond afgebeeld.
Wanneer we naar Zuid-Frankrijk reden in onze besteleend, vermeden mijn ouders Parijs. Dat terwijl ik mijn moeder bij iedere Simenon die ze dichtsloeg, hoorde verzuchten dat ‘ze geen zin had om te koken, maar in Parijs wilde zijn’. Er zelf eentje lezen kwam niet in me op.
Simenon begon aan te dringen. Hij moest iets van me. Vooralsnog werd het gespeeld via mijn moeder. Omdat niet koken maar naar Parijs gaan om er te flaneren geen haalbare kaart was gebleken, wilde ze alle Maigrets bezitten. Dat is tenminste mijn verklaring. Voor het verzamelen, dat eraan vooraf dient te gaan, nam ze een mannetje in de arm, namelijk: mij. Ik had van Deetman een studenten-OV-kaart gekregen, en daarmee reisde ik alle antiquariaten in Nederland af. Alles met stadsrechten ken ik. Daar ga ik prat op.
‘Als ze toen al Boekwinkeltjes.nl hadden gehad’, zegt mijn vriendin Jet, ‘dan kende jij niets met stadsrechten.’
Da’s waar. Scherp. Laatst, in een discussie over vliegen, waarvan ik vind dat het verboden moet worden, heb ik beweerd dat je ook prima op vakantie kunt met Google Streetview. Nu doen mijn schoonzus en zwager dat weleens na, hebben ze opgebiecht. Zit een van beiden achter de laptop en dan vraagt de ander: ‘Wat doe je?’ Krijg je antwoorden als: ‘O, Peter en ik beklimmen de Kilimanjaro.’
Het spoorwegennet afraggend, scharrelde ik begin jaren negentig alle 81 Maigrets bij elkaar, de Zwarte Beertjes van A.W. Bruna. Geinige boekjes, omslagen van Dick Bruna, inderdaad, de man van Nijntje en het lijk zonder hoofd en Het pistool van Nijntje.
Als een huurling leverde ik de Simenons af bij mijn moeder. Uren zat ik ermee in de trein, maar nooit kwam ik op het idee er eentje te lezen.
Ik heb een jaar bij Pandora gewerkt, het pocketmerk van (onder meer) Uitgeverij Atlas. ‘Jongens’, zei de grote Emile Brugman op een dag, ‘jullie gaan Simenon doen.’ Die jongens waren ik en Arend Hosman. Maandenlang was het Maigret wat de klok sloeg: omslagen maken, vertalers regelen, folders, pijpenrekjes. Ik geloof dat we er een stuk of twintig hebben gedaan – de rek leek er wat uit. Ze staan hier op de plank. Dat wil niet zeggen dat ik ze ook heb gelezen.
Zonder voortekenen of aanleiding greep ik er eentje uit de kast, Maigret op kamers. Werd het tijd? Of zijn de tijden aan het eindigen en weet mijn onbewuste dat (Freud)? Geen idee, maar twee uur later was ik halverwege mijn eerste Simenon. Mja, nee, heel aardig. Sfeervol, verraderlijke eenvoud. Ik snap mijn moeder wel. En eigenlijk is deze Maigret precies zoals ik altijd gedacht heb dat een Maigret zou zijn.
Verder lezen, zin in. En oppassen dat ik ze niet ga lopen verzamelen.
Source: Volkskrant columns