Home

Ik denk niet dat ik het zou kunnen, zo voortdurend moeten strijden, alleen, in mijn hoofd, of met God

Rinske van de Goor is huisarts en columnist van de Volkskrant.

‘Hoe is het?’, vraag ik. Ongeveer twee keer per jaar komt hij langs, al jaren. Een zachtaardige man, inmiddels 62 jaar oud. Hij woont op zichzelf. Jarenlang heeft hij psychiatrische begeleiding gehad, maar die hebben we gestopt: op het laatst had hij elk jaar een andere psychiater en daar werd hij alleen maar onrustig van.

‘Niet goed’, zegt hij. ‘Ik heb een zware winter gehad. God moest mij heel erg beschermen tegen de kwade krachten en hij heeft twee keer mijn hart moeten vernieuwen. Het is heel vermoeiend.’

Ik kijk naar hem. Hij ziet er verzorgd uit, keurig geschoren en met schone kleren aan. ‘Jeetje’, zeg ik. ‘Was je niet bang?’

‘Nee’, zegt hij, ‘God beschermt mij. Van de winter ben ik veel aangevallen door krachten die mij willen doden en God repareert mijn hart dan. Maar het is heel zwaar. Ik weet niet hoe lang ik het nog volhoud.’

‘Hoe voel je zo’n aanval?’ vraag ik. ‘Meestal voel ik het niet. Soms krijg ik pijn op de borst’, zegt hij. Oh jee, denk ik, zijn hart?

Over de auteur
Rinske van de Goor is huisarts en columnist van de Volkskrant. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

‘Hoe lang duurt dat dan?’ vraag ik. Het blijkt wel een hele dag te kunnen duren. De pijn straalt niet uit en hij is er niet zweterig bij, als het gebeurt. Hij wandelt vaak en veel, lange stukken, in een flink tempo, weet ik, maar daar heeft hij nooit pijn op de borst bij. Gelukkig, denk ik. Dat klinkt allemaal dan weer minder hart-achtig.

‘Deze winter ben ik vaak met negativiteit ingespoten. Dat is heel vermoeiend. Dan strijden ze heel hard in mij’, zegt hij. ‘Ik vind het maar dapper van je’, zeg ik. ‘Is het niet eenzaam, om dat allemaal alleen mee te moeten maken?’ ‘Nee’, zegt hij, ‘want God en ik vechten samen. En ik vraag voor alles wat ik doe toestemming aan God.’

‘Fijn’, zeg ik. ‘Vind je het goed dat ik je hart nog even nakijk?’ vraag ik. ‘Dat heeft geen zin hoor’, zegt hij. ‘God bepaalt toch hoe lang ik nog moet strijden. Maar het mag wel van hem.’

Zijn bloeddruk is prima. Ik vraag de assistente een ecg te maken, die gelukkig ook goed is.

‘Mag ik ook nog van die tabletten voor mijn ogen’, vraagt hij. ‘God vecht ook in mijn hoofd tegen de krachten en dan prikken mijn ogen en neus.’ ‘Prima’, zeg ik tegen hem. ‘Ik zie dat je ook je andere medicatie weer moet hebben, klopt dat? Neem je die nog?’ ‘Ja, God heeft me toestemming gegeven voor de medicijnen’, zegt hij.

‘Vind je het goed om ook weer de medicatiespiegel in het bloed te controleren, en dat ik dan meteen je cholesterol en suiker laat prikken?’ Maar dat wil hij niet – hij heeft zijn bloed op dit moment te hard nodig in de strijd. Ik dring niet aan.

‘Het lijkt me allemaal veel energie kosten, als je zo moet knokken’, zeg ik. ‘Hoe gaat het met slapen en eten?’ ‘Ik slaap goed’, zegt hij, ‘in de nacht blijft God in mijn lichaam doorvechten, maar dat voel ik
dan niet.’ Hij slaat het ontbijt over, maar hij luncht wel en ‘s avonds eet hij warm. Vaak magnetronmaaltijden, maar ook wel brood en fruit.

‘Ik vind het maar knap’, zeg ik, ‘hoe jij je staande houdt.’ Ik meen het. Ik denk niet dat ik het zou kunnen, zo voortdurend moeten strijden, alleen, in mijn hoofd, of met God, en – dat heb ik eerder nagevraagd – alleen een nicht die af en toe langskomt, en de spaarzame contacten met de huisarts. Maar hij woont volledig zelfstandig en doet het prima.

‘Kan ik je nog ergens mee helpen?’ vraag ik. Nee. God en hij doen dit samen en daar kan niemand hem bij helpen. ‘Dank voor je harde werken’, zeg ik. ‘Ik waardeer het enorm. Kom je over een paar maanden weer vertellen hoe het gaat?’ Dat belooft hij. Dan gaat hij.

Ik stuur het recept voor de antipsychotica en hooikoortsmedicatie naar de apotheek en plan in om hem over drie maanden te bellen. Ik zet erbij: bloedcheck? Met een vraagteken. Als hij niet wil, probeer ik het gewoon drie maanden later weer.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant columns

Previous

Next