De documentaire van Luuk Bouwman onderzoekt het leven van zelfbenoemd ‘filmtsaar’ Jan Teunissen, de miskende regisseur die in 1941 hoofd van de NSB Filmdienst werd.
‘Een tragische mislukking.’
‘Overschat deze heer zichzelf niet een beetje?’
‘Willem van Oranje opnieuw vermoord.’
Natuurlijk, met een scherpe filmrecensie is niets mis, maar zelden was een eindoordeel vernietigender (en grappiger) dan die laatste zin. Normaal gesproken zou er in zo’n geval toch enige sympathie uitgaan naar de filmmaker in kwestie. Want ja, dit was ook maar een door film bezeten man die van zijn hobby zijn werk had gemaakt, en die heus de beste bedoelingen had gehad met zijn film Willem van Oranje (in 1934 nota bene de eerste Nederlandse geluidsfilm).
Maar na het zien van de fascinerende documentaire De propagandist kan al dat medelijden snel de prullenbak in. We hebben het over Jan Teunissen (1898-1975), een gefortuneerde heer uit Den Haag die in het begin van zijn carrière weliswaar filmgeschiedenis schreef, maar later de boeken in zou gaan als onze eigen Leni Riefenstahl. Na het floppen van Willem van Oranje kwam Teunissen jarenlang niet aan de bak en moest hij noodgedwongen aan de slag als editor, terwijl hij ondertussen lijdzaam toezag hoe vanuit Duitsland gevluchte Joodse regisseurs wél werk kregen in de Nederlandse filmwereld.
En dus zag Teunissen zijn kans schoon toen de Duitsers Nederland binnenvielen. Hij sloot zich aan bij de NSB en werd in 1941 hoofd van de NSB Filmdienst, die voor zijn aanstelling een zooitje was. En nee, Teunissen ging heus niet bij de NSB omdat hij geld nodig had of vanwege politieke motivatie: hij was slechts ‘een filmgek’. Zoals hij het zelf samenvat in oude opnamen: ‘Ik heb alleen maar gevochten voor mezelf. Ik wilde alleen maar een behoorlijk leven hebben, en ik wilde graag films maken.’ Mooie manier om jezelf vrij te pleiten, natuurlijk: hij deed het alleen maar voor de filmkunst! Wat hielp, was dat het bioscoopbezoek in Nederland goed bleef tijdens de oorlog. Werk genoeg dus.
De propagandist biedt daarmee een fascinerend inkijkje in filmland Nederland tijdens de oorlog, maar is bovenal een geslaagde karakterstudie van iemand met een hoogst bijzondere rol in de vaderlandse filmgeschiedenis. Regisseur Luuk Bouwman (Gerlach) tuigt de boel vooral op aan de hand van oude filmbeelden, commentaar van historici Rolf Schuurman en Egbert Barten, en veel correspondentie van en met Teunissen zelf (waaronder opgenomen gesprekken die Schuurman in de jaren zestig met hem voerde).
Uit die gesprekken doemt een beeld op van een man met de nodige morele flexibiliteit, maar zonder enige zelfreflectie. Zijn uitspraken worden steeds absurder. Zo noemt Teunissen zichzelf graag de ‘filmtsaar’, verwijt hij de Joodse bevolking van Amsterdam dat ze zich wel erg nadrukkelijk liet zien in het straatbeeld en zegt hij over de democratie: ‘Ach ja, de democratie, daar heb ik niet zo veel respect voor.’
De kritiek op Willem van Oranje was natuurlijk niet de enige druppel voor deze opportunist, maar zelden had de van oudsher ingewikkelde band tussen maker en criticus zulke bizarre gevolgen. Onderschat nooit de invloed van vernietigende kritieken. Voor je het weet wordt een miskend regisseur ineens de filmchef van het polderfascisme.
Documentaire
★★★★☆
Regie Luuk Bouwman
108 min., in 37 zalen.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant