Rottumerplaat is geen eiland, maar een kunstwerk, in de civieltechnische zin van het woord. Het is gebouwd. Het heeft geen geschiedenis, behalve de recente: werklui hadden vier decennia nodig om een stuifdijk op het kale rif te maken en beplanting aan te brengen. Een Waddeneiland uit het niets, dat nooit had bestaan zonder het zweet van de arbeid, de puindammen en betonmatten die nog steeds bij Rottumerplaat horen. Net als de eindeloze schelpentapijten, de bleekwitte duinvalleien, de zwarte zee-eenden en mantelmeeuwen die als accolades in de dunne blauwe voorjaarshemel hangen.
Dat is het mooiste: zodra de ingenieurs zich gewonnen gaven, nam de natuur het over en liet zien waartoe zij in staat is. Rottumerplaat verdwijnt niet, maar groeit. Het is zijn eigen ingenieur geworden. Het strekt alweer een arm uit naar het zuidoosten, bezet met honderden zachte duintjes de boorden van de nieuwe binnenzee. Kwetsbaar, streng verboden eiland, legaal alleen te bereiken door autoriteiten, vogelwachters en vrijwilligers van de Stichting Vrienden van Rottumeroog en Rottumerplaat, die er soms na jaren wachten op werkweek mogen, een goed alibi om daar te zijn. Acht geluksvogels die van maandag tot en met vrijdag de dakgoten van de dienstgebouwen legen, nieuwe deuren voor de werkschuur timmeren – ze houden in stand wat anders verdwijnt, inclusief de al bijna vergeten cultuurgeschiedenis.
Over de auteur
Toine Heijmans is rondreizend columnist van de Volkskrant. Daarnaast is hij romanschrijver.
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Een zeearend houdt uitkijk als dienstvaartuig Harder, twee uur eerder uit Eemshaven vertrokken, vastloopt onder Rottumerplaat. De bijboot brengt eerst de mensen, die in lieslaarzen naar de strekdam waden, en vaart dan heen en weer voor pallets met proviand en water. De trekker uit de werkschuur tilt het timmerhout aan wal.
Nog een misverstand: dat er geen bebouwing is. Uit het duin komt eerst de grote, groene loods tevoorschijn met het aggregaat, de dieseltank en het gereedschap, daarachter staat een gebouw dat zich het beste laat omschrijven als jeugdherberg. Hier woonden de werklui, van maandag tot vrijdag, van de jaren vijftig tot in de jaren negentig, en bouwden het eiland in naam van Rijkswaterstaat.
Alles origineel: de keuken, de woonkamer met de houtkachel, en kasten vol flessenpost en andere strandvondsten, de twaalf tweepersoonsslaapkamers met matrassen en dekens en gordijntjes, douches en toiletten – voor contact met de wal zijn er marifoons.
Dit was een voorpost: van hieruit moest de Waddenzee worden ingepolderd. Het zou land voor de boeren betekenen, en bescherming van de kust. Dat Rottumerplaat inmiddels als onbewoonde oernatuur wordt gezien, spiegelt waarschijnlijk andere verlangens en angsten.
De bouw verliep met tegenslagen. Een van de verantwoordelijken, Piet Bouwsema, schreef er in 1983 een ‘notitie’ over, opdat het niet werd vergeten. De stuifdijk die de ingenieurs voor ogen hadden, de steile hoge ruggengraat begroeid met wuivend gouden helmgras, legde het telkens af tegen de elementen; de rijshoutschermen die het zand moesten vangen, werkten niet snel genoeg. Dus gingen de arbeiders met grof geschut aan de slag: bulldozers schoven de dijk op zijn plek, die met puin en betonmatten werd ‘verdedigd’; over een smalspoor reden kiepwagens met meer materiaal.
Nog steeds is dat het eerste wat je ziet van Rottumerplaat: de verdediging. Puin in korven, op kunststof verlijmde betonblokken, steendammen die naar alle kanten de zee in steken. Zelfs het helmgras is geïmporteerd en plant voor plant gepoot; in de eetzaal hangt nog steeds een oude helmpootschop.
Zandhaver en biestarwegras, zeekraal, kruipwilg en vlier, alles kwam van buiten.
Een werkeiland. En we werken. We zagen en beitelen een week lang aan nieuwe schuurdeuren, poetsen de kozijnen, houden het gebouw en de geschiedenis in leven. Klimmen op de korte uitkijktoren, en zien hoe de vloed in de geulen en prielen loopt, hoe de zon zakt over het best beschermde natuurgebied van Nederland, hoe sterren verschijnen die nergens anders verschijnen.
Hoe het leger van de vooruitgang almaar oprukt: de zenuwachtige knipperlichten van windmolenparken die het eiland insluiten, de opgewonden industrie van Eemshaven, de optocht van tankers en containerschepen, dicht langs het kwetsbare Wad om geen tijd te verliezen, het ongebreideld tollen van de economie. Het was nooit de bedoeling, maar hier is dan toch natuur gebouwd tegen de kolkende wereldstromen in.
Wordt vervolgd.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns