Home

De ‘Forest Man of India’ plantte in zijn eentje een heel bos

‘Waar bomen zijn, is leven’

Wat krijg je als je 46 jaar lang bomen plant? Een bos. De ‘Forest Man of India’ Jadav Payeng bewees het in Assam. Hij veranderde een zandbank in de Brahmaputra in een jungle met olifanten, neushoorns en tijgers.

Door Ben van Raaij

Fotografie Nicola Zolin

Geluidloos glijdt de prauw door de kreek. Geen mens te zien, afgezien van een eenzame visser die vanaf een wankele bamboestellage boven het water zijn netten in de gaten houdt. Zingende vogels en snerpende krekels. Hoog verrijzen door lianen omwikkelde bomen, eronder een dichte begroeiing van varens, struiken en kreupelhout. Schemerig licht. Dit is ongeveer zoals een tropisch oerwoud eruit moet zien.

Het is moeilijk voor te stellen dat hier ongeveer 46 jaar geleden een kale zandvlakte lag. Een van de duizenden ‘char chapori’s’ (zandplaten) in de Brahmaputra, de immense rivierzee die zich vanuit de Himalaya vlechtend en meanderend een weg baant door de laagvlakte van Assam in Noordoost-India – eilanden die zich door de inwerking van jaarlijkse overstromingen en oever-erosie voortdurend verplaatsen.

Dat wil zeggen, tot de komst van Jadav ‘Molai’ Payeng (65), toen een gewone jongen uit de inheemse Mising-gemeenschap van naburig Majuli, ‘het grootste riviereiland ter wereld’. Payeng begon als 19-jarige in zijn eentje een vergroeningsproject dat de zandplaat in de Brahmaputra binnen enkele decennia zou veranderen in een weelderig rivierbos dat nu een beschermd natuurgebied is van ongeveer 550 hectare, het naar hem vernoemde Molai Reserve Forest (Molai Kathoni).

Het begon in 1979 met een paar dode slangen, vertelt Payeng als we hem treffen in zijn simpele bivak op een open plek in het bos. De slangen waren op de zandplaat aangespoeld, maar bleken een paar dagen later de barre zon niet te hebben overleefd. Hij vroeg lokale medewerkers van het Forest Department daarom wat bomen aan te planten, maar die antwoordden dat hij dat zelf maar moest doen. En dus verzamelde Payeng wat bamboescheuten en jonge boompjes, en begon die te planten, ‘one tree at a time’.

Maar met elke dag een boom planten ben je er nog niet, zegt Payeng, terwijl hij de Volkskrant in straf tempo door zijn paradijs gidst, hier en daar een fraai exemplaar aanwijzend. ‘Je moet bomen ook planten op het juiste moment, liefst tijdens de moesson, zodat je ze geen water hoeft te geven.’ En je moet de juiste lokale soorten gebruiken, want niet elke boom groeit overal. ‘Zo is voor zandplaten de bogori heel geschikt (Indiase jujube, Zisiphus mauretania, red.) en die plantte ik dus veel. Maar ook de kapokboom en de palissander.’

Payeng verzamelde zijn bomen overal in Assam, en later, toen hij per trein (vaak zonder kaartje) het land begon rond te reizen, ook elders in India. ‘Ik heb nog een sapling gebietst uit het Taj in Mumbai (het beroemde Taj Mahal Palace Hotel, red.).’ Na terugkeer stak hij dan over naar zijn eiland, scheuten in alle zakken. Waaronder dus jujubes, die hij zelfs aantrof in de onherbergzame Thar-woestijn in Rajastan. ‘Als die kunnen overleven in de Thar, waarom dan niet op mijn zandplaat?’

Inderdaad, en zo gezegd, zo gedaan.

Uit het niets kwam het plan niet. Al op school in Jorhat had Payeng van biologieleraar Jugnath Bezbruah veel over bomen geleerd. ‘Hij legde uit dat planten alleen niet volstaat, je moet bomen ook verzorgen en hun Latijnse namen leren. Ik was er goed in, bleek tijdens een baantje bij het Forest Department, en hij spoorde me aan door te gaan. En, zei hij, houd in gedachten: de honden blaffen, maar de olifant keert niet om. Laat je nooit ontmoedigen, hou vol. En daar heb ik altijd naar geleefd.’

Payeng koos voor zijn eiland vooral ook soorten waarvan de vruchten of zaden graag door vogels worden gegeten, zoals mango, jackfruit en arjuna. Want alles wat vogels (en herten en andere dieren) eten, komt met de uitwerpselen vanzelf op de bodem terecht, waar de zaden spontaan ontkiemen. ‘Zo begonnen de bomen zichzelf uit te zaaien en hoefde ik steeds minder te doen.’ De bosvorming ging toen vanzelf. ‘Je ziet: van bomen en vogels valt veel te leren. Van mensen eigenlijk niets.’

Integendeel, mensen werken je tegen. ‘Zeker in het begin ergerden mensen hier in de streek zich aan mij, omdat ik protesteerde bij elke boom die ze kapten. Ze scholden me uit. Maar dan dacht ik aan wat mijn leraar zei over de blaffende honden. Ik kan het de meeste mensen ook moeilijk kwalijk nemen, ze hebben gewoon weinig tot niets over hun natuurlijke omgeving geleerd. Er zijn 8 miljard mensen op de wereld, maar het merendeel weet niets over de achteruitgang van de natuur.’

De zandplaat veranderde van jaar tot jaar meer in een bos, compleet met flora en fauna. Ik zag het gebeuren, zegt Payeng, terwijl hij zich een weg baant door het struikgewas. Vanaf midden jaren tachtig begon hij herten en later ook Indische neushoorns, olifanten en zelfs tijgers op het eiland te zien. ‘Toen wist ik dat het een volwaardig bos zou worden.’ Hij heeft trouwens een paar dagen geleden nog olifanten en neushoorns gespot. ‘Ze komen vaak hier als naburige leefgebieden, zoals het Kaziranga National Park, last hebben van overstromingen.’

De komst van iconische zoogdieren wekte de interesse van het Forest Department, maar ook van stropers, al is het eiland verboden voor buitenstaanders (afgezien van de Mising, die er beperkt mogen vissen). In 2012 werd voor het eerst een neushoorn gedood, tot woede van Payeng, die voorstander blijkt van ‘zero tolerance’. Wat hem betreft mag de politie gericht op stropers schieten. Afgelopen vijftien jaar zijn in Assam honderden vermeende stropers gedood (vaak Mising), onder meer in Kaziranga. De lichamen worden soms in de rivier gedumpt.

Zijn succes maakte Payeng tot een held van de natuurbescherming. Hij ontving eredoctoraten en prestigieuze prijzen (zoals in 2015 de Padma Shri, een van de hoogste civiele onderscheidingen in India) en de bijnaam de ‘Forest Man of India’. Hij geeft in heel India lezingen over natuurherstel op scholen en universiteiten, en geniet ook internationaal bekendheid. Er zijn kinderboeken en documentaires over hem gemaakt, en zelfs een drietalige speelfilm, met de Indiase topacteur Rana Daggubati.

Payeng koos voor zijn eiland vooral ook soorten waarvan de vruchten of zaden graag door vogels worden gegeten, zoals mango, jackfruit en arjuna.

Rijk is hij er niet van geworden. Payeng leidt hetzelfde leven als hij altijd heeft gedaan. Maar waar leefde hij dan van, al die tijd? Hij haalt zijn schouders op. ‘Wij zijn Mising. We leven aan de oevers van de rivier, dicht bij de natuur. We vertrouwen voor ons levensonderhoud op het bos, op drie dingen na: zout, kookgas en benzine. Zelfs onze ‘apong’ (de inheemse sterke drank) maken we met ingrediënten uit het bos.’

De Forest Man en zijn gezin houden thuis in Jorhat ook wat koeien en buffels, en verkopen de melk. ‘Ik ben pas laat getrouwd, toen ik 42 was. Ik was zo bezig met het bos dat ik vergat te trouwen’, zegt Payeng, die nog elke dag naar zijn eiland komt. Is het een soort roeping? ‘Zo zou ik het niet willen noemen. Ieder mens moet iets goeds doen voor de planeet.’

Payeng houdt even stil om op het pad een koeienschedel en een stuk ruggengraat te inspecteren, de onmiskenbare resten van een tijgerprooi. Hij is nog lang niet klaar, zegt hij. Hij wil het bos nog ongeveer 60 kilometer uitbreiden naar Kaziranga National Park, en verder stroomopwaarts tot aan de brug bij Dibrugarh. ‘Een derde van al het land langs de Brahmaputra bestaat uit shifting sandbars. Ik raad overheden en ngo’s aan om al die zandplaten te vergroenen en te verbinden.’

Zo’n vergroening is niet alleen goed voor de natuur, het kan ook een oplossing zijn voor een van de grootste problemen van Assam: de jaarlijkse overstromingen van de Brahmaputra en de erosie van de rivieroevers. Volgens Payeng beschermt vooral het grootschalig aanplanten van ‘mokal bamboe’ (Bambusa nutans, red.), een variëteit met een uitgestrekt wortelstelsel, kwetsbare oevers beter dan dijken, kribben of andere vormen van rivierregulatie. Onderzoek bevestigt de voordelen van deze nature-based solution, die inmiddels door de overheid ook op andere plekken in Assam wordt toegepast.

Mensen hebben de problemen met de Brahmaputra vooral aan zichzelf te wijten, doceert Payeng bij terugkomst in zijn kampement. Ze hebben als bescherming tegen het water veel te veel dijken en oeververharding aangelegd, waardoor de rivier niet meer kan ademen en steeds sneller stroomt. De enorme ontbossing stroomopwaarts in Arunachal Pradesh helpt ook niet mee – elk jaar spoelen de moessonregens veel aarde van de kale berghellingen af, dat als sediment de hele rivier verstopt. ‘Ja, de mensen denken alleen aan zichzelf, en vergeten de rivier.’

En dan moet de grootste impact van het belangrijkste man-made gevaar voor Assam, de klimaatverandering, nog komen. ‘De duizenden gletsjers in de Himalaya smelten steeds sneller. Wetenschappers schatten dat de Brahmaputra hierdoor over honderd jaar zal opdrogen’, aldus Payeng (een onbewezen schrikbeeld dat in India vooral wordt verbonden met een geplande Chinese stuwdam in Tibet, red.). ‘Als het zover komt, is er geen bestaan meer mogelijk in Assam. Niemand zal overleven.’

Heeft Jadav Payeng in dat perspectief nog een boodschap voor de jeugd? ‘Ik zou tegen jongeren willen zeggen: plant elk jaar een boom op je verjaardag, en vraag je vrienden om bomen in plaats van cadeaus. Plant ook bomen ter nagedachtenis van al je overleden familieleden. We moeten samen de wereld weer groen maken. Waar bomen zijn, is leven.’

Kickstart voor bosvorming

Een mooi positief verhaal, dat bos van Payeng, vindt Lourens Poorter, hoogleraar bosecologie en -beheer aan Wageningen Universiteit. Bomen planten kan een ‘kickstart’ zijn voor natuurlijke bosvorming of -herstel. ‘Je begint met snelgroeiende pionierboomsoorten die voor schaduw, bodembedekking en met hun dode blad voor humus zorgen. Vervolgens plant je wat echte bossoorten die niet vanzelf verschijnen. Daarna komt een zichzelf versterkende successie op gang.’

Zo’n nieuw bos kan snel ontstaan, zegt Poorter, zeker in de tropen, waar alles snel groeit. ‘Bij ‘assisted natural regeneration’ van gekapt bos kan binnen twintig jaar 78 procent van de ecologische waarde van het oude bos herstellen.’ Mits er nog voldoende bestaand bos in de buurt is (als bron van zaden, vogels en andere zaadverspreiders), het landgebruik niet te destructief is geweest en het jonge bos wordt beschermd tegen verstoring, zoals intensieve begrazing. ‘Aan al deze condities lijkt op Payengs eiland te zijn voldaan. Ideaal dus voor natuurlijke bosvorming.’

Poorters eigen groep onderzocht hoe rivierbossen ontstaan op zandbanken in de Boliviaanse Amazone, ‘een heel dynamisch systeem’. Zo’n zandbank wordt eerst gekoloniseerd door grassen, die het zand vasthouden, dan door snelgroeiende kort- en langlevende bomen, en vervolgens door grotere bomen. Dat zal in de Brahmaputra in Assam niet anders gaan, vermoedt Poorter. ‘Payeng doet dus iets heel natuurlijks: hij stimuleert de natuurlijke successie door alvast wat bamboe en boompjes neer te zetten. En wat is er mooier dan de natuur een handje te helpen?’

Het allesverslindende Indiase riviermonster toont hoe gruwelijk moeilijk een VN-fonds voor klimaatschade is

Burgers planten overal in het land bomen. Helpen zulke projecten natuur en klimaat?

De liefde voor de boom leeft op: niet alleen groeit het verzet tegen bomenkap, er verrijzen ook steeds meer burgerinitiatieven voor aanplant. Zet dat – voor de biodiversiteit en het klimaat – zoden aan de dijk?

Van Timmermans 3 miljard beloofde bomen is nog geen procent geplant

Ruim drie jaar geleden kreeg Dion Mebius bij wijze van relatiegeschenk zijn eigen boom in Spanje. Het kurkeikje is een van de drie miljard bomen die Frans Timmermans als Eurocommissaris aankondigde voor 2030 te willen planten. De Volkskrant ging op zoek naar de boom – en ontdekte dat de gedroomde herbebossing verder weg lijkt dan ooit.

Source: Volkskrant

Previous

Next