De carrière van Rob de Nijs, maandag overleden op 82-jarige leeftijd, omspant zestig jaar, met veel hoogte- en dieptepunten. Miskend voelde ‘de Nederlandse Cliff Richard’ zich nooit. ‘Je wordt beroemd en je gaat op je bek’, zei hij al in 1981. ‘Ik weet er alles van.’
Door Paul Onkenhout
‘Hij gelooft wat hij doet’, zong Rob de Nijs vijftig jaar voor zijn dood in Leonardo, ‘hij gelooft dat het moet.’ Het nummer ging over Leonardo da Vinci, de kunstenaar, maar minstens zo veel over De Nijs zelf, een man met vele levens die altijd bleef geloven wat hij deed en geloofde dat het moest, zingen, óók toen de ziekte van Parkinson in 2019 hard toesloeg en hem van de podia duwde.
Als artiest richtte Rob de Nijs zich altijd weer op. De Amsterdammer begon als tieneridool en eindigde als chansonnier voor fijnproevers, in een rolstoel, broos en kwetsbaar, maar gedreven als altijd en goed bij stem bovendien. Tussen het begin en het einde tuimelde hij alle kanten op, in een turbulente loopbaan die zes decennia omvat.
1963
ANP
Zijn vakmanschap werd niet altijd zo massaal en publiekelijk erkend als de laatste jaren. Het kolossale oeuvre van De Nijs werd in hogere muziekkringen lange tijd niet serieus genomen. Deels kwam dat door zijn allesbehalve eenduidige repertoire. De Nijs was als zanger moeilijk te vangen. ‘Rob is een genre op zichzelf’, zei Spinvis ooit over hem.
Pas toen hij in 2010, in zijn vijftigste jaar op de planken, Eindelijk Vrij uitbracht, steeg de waardering. Het album leverde hem een Edison op. Eindelijk Vrij, een mengeling van boogie, cajun, ballads en country en daarom a-typisch voor De Nijs, was in New Orleans geproduceerd door Daniël Lohues. Naast hem leverden tal van gelouterde songwriters een bijdrage, uit bewondering: Huub van der Lubbe, Jan Rot, Jack Poels, Joost Nuissl en Rob Chrispijn.
In de zon
Op een steen
Zit een man
En hij huilt
Dikke tranen van blijdschap
Eindelijk vrij
Eindelijk vrij
Ook dát was een vorm van erkenning. De Nijs, twee jaar later in de Volkskrant over de critici, laconiek: ‘Ik vind het een beetje onzin hoor, dat ze er nu pas achter komen.’ Miskend voelde hij zich nooit, daarvoor was zijn vertrouwen in eigen kunnen te groot. Maar toch. ‘Ik haat het als mensen de moeite niet nemen, omdat ze denken: o, het is De Nijs, laat maar. Ze vragen zich niet af hoe het komt dat ik er na vijftig jaar nog steeds ben. Ik weet dat ik goed kan zingen, dat ik een goed performer ben.’
En zo was het, al vanaf de prille jaren zestig toen De Nijs zich met The Lords in de muziek begaf en in het Concertgebouw de talentenjacht Tuk op talent won. De prijs, overhandigd door Mies Bouwman: een platencontract voor drie singles. Met de derde, het mierzoete Ritme van de regen, brak De Nijs in 1963 door en sloot hij aan in een groep met onder meer Johnny Lion, Trea Dobbs, Karin Kent en Anneke Grönloh, artiesten die een jonge doelgroep aanspraken.
In de gezaghebbende poll van het tijdschrift Muziek Express eindigde hij in de categorie ‘beste zanger’ op de eerste plaats. Het spleetje tussen zijn voortanden werd eindeloos belicht. Tieners zochten een idool en vonden hem, de zoon van een rijschoolhouder uit de Amsterdamse Linnaeusstraat. De bijnaam die hij verwierf, onderstreepte zijn enorme populariteit: de Nederlandse Cliff Richard.
De opkomst was spectaculair, de neergang ook. Uit nood liet hij zich als zanger inhuren door een circus, Toni Boltini. In het jongerenblad dat hem groot had gemaakt, Muziek Express, vatte De Nijs zijn carrièreloop in 1981 kort en raak samen: ‘Je wordt beroemd en je gaat op je bek. Ik weet er alles van.’
Het gaat niet goed en het gaat niet slecht
Het gaat ertussenin
Maar ik wil niet om het leven heen
Ik wil er midden in
Dag zuster ursula
Op hoogtepunten, onder meer de albums In de uren van de middag (1973) en Met je ogen dicht (1980), volgden steevast periodes waarin De Nijs uit beeld verdween. Ook daarom kon hij, achteraf, wel leven met de tot vervelens toe getrokken vergelijking met tijdgenoot Cliff Richard. ‘Onze carrières lopen min of meer parallel. Heel populair in het begin, daarna een enorme terugval en vervolgens via een aantal zijwegen weer aan de top.’
1980
ANP
In De uren van de middag was zo’n zijweg. De Nijs, zelf geen liedjesschrijver (‘Ik ben een vertolker’) en daarom volledig afhankelijk van anderen, kreeg begin jaren zeventig hulp van een gelouterd duo, Boudewijn de Groot en Lennaert Nijgh. Met De Groot had hij zelfs een ‘magische verbinding’, zei hij.
Twee hits, Jan Klaassen de trompetter en Dag zuster Ursula, gaven zijn loopbaan een impuls en vormden het slot van een periode waarin De Nijs was uitgeweken naar (hooggewaardeerde) kinderseries, Oebele (als voetballer Billy Biggelaar) en Kunt u mij de weg naar Hamelen vertellen, meneer (als Bertrand Bierenbroodspot). Zijn tv-carrière begon aan de zijde van niet de minsten: Wieteke van Dort en Willem Nijholt (Oebele) en Loeki Knol en Martin Brozius (Hamelen). Ook in die programma’s was De Nijs in de eerste plaats zanger.
Nóg een kantelpunt: zijn samenwerking (en huwelijk) met Belinda Meuldijk, een dochter van schrijver Wim Meuldijk (Pipo de Clown) en actrice in onder meer Soldaat van Oranje. Meuldijk leverde als tekstschrijver goud aan, inclusief hits als Hou me vast (1981), Alles wat ademt (1985) en Banger hart (1996). Ze kregen twee zoons.
De relatie verzandde in een crisis en De Nijs en (vooral) Meuldijk werden jarenlang opgejaagd door de roddelpers; dezelfde roddelpers die hem in zijn laatste levensjaren kruiperig de hemel in prees en tranen vergoot toen hij werd getroffen door Parkinson.
Het dieptepunt was, na de scheiding van het stel (er waren nogal wat andere vrouwen in het spel), een fotoreeks in het weekblad Privé met beelden van de vervuilde villa van Meuldijk. ‘We hielden ons groot, maar ondertussen was de impact enorm.’ Ook van de geboorte van zijn derde kind deed de roddelpers gretig verslag. De Nijs, voor de derde keer getrouwd, was al 69.
2012
ANP
Het was vooral een wens van zijn (derde) vrouw, Henriëtte Koetschruiter, Jet, maar zelf leefde hij ook op. ‘Als er bij mij spoortjes van cynisme waren, zijn die nu weg. Ik denk: bekijk het allemaal maar even. We zijn zó gelukkig met dat kind.’ Een peacemaker, noemde hij zijn zoon. ‘Hij werkt als een soort catharsis. Dat lijkt een groot woord, maar alles rondom hem, rondom ons, loopt weer op rolletjes. Ook met Belinda. Ik ben als het ware bevrijd’.
Niemand misgunde het hem, de man zonder vijanden. De gunfactor nam nog toe toen De Nijs werd getroffen door Parkinson en in tv-interviews openlijk over zijn ziekte praatte, trillend en kwetsbaar, maar ongebroken en onverminderd monter. ‘Nu ik Parkinson heb, lijk ik de mensen dieper te raken,’ concludeerde hij in 2020 in ‘t Is mooi geweest. Met het boek van Robert Haagsma verscheen tegelijkertijd een album met dezelfde, veelzeggende titel.
Bijna elke liedtekst lijkt direct gebaseerd op uw leven, legde het AD hem voor. ‘Mijn gemoedstoestand en privé zijn natuurlijk bekend’, reageerde De Nijs. ‘De pers heeft die altijd goed gevolgd (...). Ik geef mezelf in de muziek al langer bloot. Ik weet daardoor welke teksten goed bij me passen. Zo kan ik de mensen meenemen in de emotie van het lied.’
O ik ben rijker dan ik ooit heb durven dromen
Ik heb jouw liefde: elke nacht slaap jij naast mij
Maar ik ben bang voor elke dag die nog moet komen
Er is geen banger hart, dan dat van mij
Banger Hart
Rob de Nijs zingt zich naar het onvergetelijke afscheid dat hem gegund is, schreef de Volkskrant geïmponeerd over zijn laatste concert, in juni 2022 in de Ziggo Dome. Verdwenen was de scepsis, door Belinda Meuldijk in ‘t Is mooi geweest kernachtig verwoord: ‘Rob heeft altijd prachtige dingen gemaakt, maar er niet altijd de erkenning voor gekregen die hij verdiende.’
2022
Paul Bergen
Op de valreep sloeg de stemming volledig om. Daarop wees ook de musical over zijn leven die begin 2025 in première ging, Malle Babbe. De Nijs en zijn vrouw, Jet, waren van meet af aan bij het project betrokken, in samenwerking met Joop van den Ende.
Het zingen verloste hem overal van, zestig jaar lang. Een van de nummers die in 2010 het succesalbum Eindelijk Vrij niet haalde, was Een Zanger Die Zingt. Het was een cover van een liedje van Johnny Cash, prachtig hertaald door Jan Rot. Rob de Nijs, de zanger, was volkomen zichzelf, onbevreesd voor zijn necrologie.
Nee, ik ben echt geen grootheid
Bepaald geen genie
Toch ben ik niet bang
Voor mijn necrologie
Ik hield mijn hoofd hoog
Mijn hart op de tong
Zeg maar ik was een zanger
Ja ik was een zanger
God, ik was een zanger die zong
Een zanger die zingt
Hij is bijna 75, neemt al 56 jaar platen op, bracht net zijn 39ste uit, waarop 7 nummers van zijn ex. En als hij niet zingt? Rob de Nijs over Jezus, Tonio, Miles Davis en Harley Davidson.
De Nijs, die lijdt aan de ziekte van Parkinson, zou in 2020 al zijn laatste concert geven. Nu is hij er alsnog, in de Ziggo Dome, zittend in een rolstoel, met wat hulp van zijn geweldige band en ontroerende gastoptredens.
Paul Onkenhout en John Schoorl schrijven elke week over een liedje waarvan de titel bestaat uit alleen een voornaam. In Leonardo bouwt Da Vinci vogels van hout en perkament.
Source: Volkskrant