Femke Groustra-de Kat is 100 jaar. Hoe kijkt deze alleenstaande, werkende moeder van vier kinderen terug op de eeuw die achter haar ligt?
Kalm en vol levendige herinneringen vertelt Femke Groustra-de Kat haar levensverhaal, dat bol staat van tegenslagen die een gemiddeld mens een zenuwinzinking zouden bezorgen. De 100-jarige wist ze telkens weer te boven te komen met haar positieve inborst, moed – en soms wat bluf.
Wat kenmerkt uw leven?
‘Dat de geest overwint. Met mijn moeder en drie zussen heb ik vanaf mijn 17de drie jaar vastgezeten in een Japans interneringskamp in Tjideng in Nederlands-Indië, waar de oersterke en wrede Kenichi Sonei het laatste jaar kampcommandant was. Mijn vader en broertje zaten in een ander kamp. Mijn moeder en zussen hebben een posttraumatische stressstoornis overgehouden aan die tijd, ik niet. Dat komt denk ik omdat ik er, bij alle rotzooi die we meemaakten, bewust op uit was geen rancune te voelen tegen de Japanners. Wat zij de tienduizend vrouwen en kinderen aandeden, was hun zaak – met de vernederingen, mishandelingen en uithongering moesten zij zelf in het reine zien te komen. Boosheid toelaten slaat op jezelf terug.
‘Ik dacht: ik heb een bijzonder gelukkige jeugd gehad, nu zit het even tegen, beschouw het als een uitdaging deze periode te doorstaan. Deze houding is mijn redding geweest. Deze dichtregel zat in mijn hoofd: It’s easy enough to be pleasant if life flows by like a song, but the man worthwhile is the one who will smile when everything goes dead wrong.
‘Een van de wreedheden die Sonei beging was met de broodwagen, die elke dag het kamp kwam binnenrijden. Kinderen kwamen er juichend op af: ‘Brood! brood!’, riepen ze. Juichen mocht niet van Sonei, dus liet hij de kar weer wegrijden. Drie dagen lang liet hij de wagen naar binnen rijden én weer weggaan, zonder brood uit te delen. Dat betekende drie dagen geen eten. Veel mensen zijn daar aan onderdoor gegaan, mijn zusje moest in het ziekenhuis worden opgenomen. Sonei zadelde de juichende kinderen op met een schuldgevoel. Japanse bewakers die hij ervan beschuldigde gesproken te hebben met vrouwen die mogelijkheden zochten aan voedsel van buiten het kamp te komen, gaf hij een wrede straf. We moesten toekijken hoe Sonei eigenhandig tot bloedens toe hun mondhoeken scheurde. Hij was de enige kampcommandant in Nederlands-Indië die na de oorlog is gefusilleerd.’
Wat heeft uw kamptijd u geleerd over de mensheid?
‘Dat in moeilijke omstandigheden uiteindelijk alleen het eigenbelang telt. Zo werd er gevochten om water. Aan de andere kant heb ik ook grote vriendschappen gesloten met leeftijdgenoten met wie ik mijn grootste angst kon delen: gaan we dit overleven? Ik verkeerde in de veronderstelling dat we martelaren waren en iedereen in het land zich bekommerde om ons lijden in het kamp. Een eyeopener was de dag dat ik een trein voorbij zag rijden, toen ik op de hoge vuilnisbelt aan de rand van het kamp was geklommen. De treinreizigers reden zonder naar ons te kijken voorbij, verdiept in hun krantje. Op dat moment voelde ik dat we er niet toe deden. Weer een lesje geleerd.
‘Ik ben ervan overtuigd dat we de kwaadwillenden niet moeten bevechten, dan gaan ze juist door. Tegen zo’n gevaarlijke man als Donald Trump moet je je verenigen, je rechten verdedigen en het goede doen – dan wordt dat uiteindelijk een kracht die gaat domineren.’
U vertelde dat u een gelukkige jeugd heeft gehad.
‘Dat zal iedereen zeggen die in Indië is opgegroeid. Mijn broer, drie zussen en ik hadden veel vrijheid; we waren veel in de natuur. Ik kon urenlang naar kruipende insecten kijken. We verhuisden vaak, op Sumatra en Java, omdat mijn vader als ingenieur op steeds andere plekken de irrigatie op rijstvelden, het aanleggen van dijken of het omleggen van de loop van een rivier begeleidde. Mijn moeder was concertzangeres. Elke avond zongen we in de muziekkamer tweestemmig liedjes bij de piano. Als we in bed lagen, zong ze haar eigen repertoire. Ze trad op als soliste bij oratoria met vol orkest en koor. Mensen waren vaak tot tranen toe geroerd door haar stem.’
Kreeg u de kans om door te leren?
‘In de winter na het einde van de oorlog en een heftige Bersiaptijd, waarin we een gewelddadige aanval van onafhankelijkheidsstrijders overleefden, zijn we met de hele familie naar Nederland geëmigreerd. We trokken in bij mijn grootouders in Delft. Ik maakte in één jaar de hbs af en ging rechten studeren in Leiden. Ik leefde van 100 gulden per maand, ik moest er alles van betalen: huur, eten, kleding. Door de kamptijd was ik gewend om met heel weinig toe te kunnen. Ik dronk water en melk als andere studenten aan de sherry gingen. Ik voelde mij onafhankelijk en vrij – een groot contrast met de kamptijd.
‘Na mijn studie ben ik getrouwd en datzelfde jaar met mijn echtvriend naar Canada geëmigreerd, waar hij goede kansen zag als arts. In Toronto begon hij een huisartsenpraktijk. Ik kon er niet als jurist aan het werk, omdat mijn diploma daar niet werd erkend, dus probeerde ik allerlei baantjes. In ruim drie jaar tijd baarde ik vier kinderen, de jongsten waren een tweeling.
‘Het huwelijk hield helaas geen stand en na tien jaar gingen we uit elkaar. Mijn familie drong erop aan dat ik met de kinderen terugkeerde naar Nederland. Een zus wilde de kinderen opvangen als ik ze vooruit zou sturen. Ik had niets te verhapstukken en leende geld voor zes vliegtickets, waarvan twee voor stewardessen die mijn kinderen tijdens de vlucht zouden begeleiden. Toen ik de kinderen in Ottawa de trap van het vliegtuig zag oplopen, draaide de oudste zich ineens om, liep terug en wuifde naar mij. Toen brak ik.
‘Ik verkocht het huis, dat op mijn naam stond, voor een bodembedrag, liet de belangrijkste spullen verschepen en kocht het goedkoopste ticket voor mijn bootreis naar Nederland; een gedeelde hut onder zeeniveau. De kapitein van het schip nodigde mij uit voor een captain’s dinner en gaf mij een hut in de eerste klas. Mijn leven gaat van dieptepunten naar hoogtepunten, zo wonderlijk.
‘Ik trok in bij mijn zus en haar gezin, waar ook mijn vier kinderen waren. Twee gezinnen met tien kinderen in één huis gaf te veel moeilijkheden en na vier maanden zijn we vertrokken. Als remigrant zonder geld was een eigen woning vinden onmogelijk, en zo kwamen we in een opvangtehuis voor asocialen in Den Haag terecht. Daar hebben we anderhalf jaar gewoond.
‘De beheerder mocht mij niet en vloog mij een keer aan. Hij duwde mij tegen de muur en probeerde mij te wurgen. De kinderen stonden er bij en begonnen te schreeuwen. Zijn vrouw kwam aangerend en trok hem van mij af. Voor de nacht barricadeerde ik onze kamer met onze bedden. De volgende dag ben ik naar de politie gegaan om aangifte te doen, maar daar kreeg ik te horen dat ‘dit nu eenmaal gebeurt in zulke tehuizen’. Ik heb ervaren hoe je wordt bejegend als je aan de onderkant terechtkomt.’
Hoe bent u uit deze benarde situatie gekomen?
‘Op zoek naar werk had ik het geluk dat een lector van de universiteit in Leiden, die inmiddels op het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen werkte, had gehoord dat ik weer terug was in Nederland en mij uitnodigde voor een gesprek. Hij zei op dat moment geen baan voor mij te hebben, maar dat er wel iets zat aan te komen. Waarop ik blufte dat het ministerie van Sociale Zaken mij ook wilde hebben en ik daar meteen aan de slag kon. Hij ging gelijk rondbellen en vond een baan voor mij op de afdeling oceanografie. Met een salaris en financiële hulp van mijn vader kon ik voor een lage prijs een deels bewoond huis kopen. Mijn leven stond weer op de rails.
‘Op het ministerie maakte ik snel carrière. Namens Nederland bezocht ik conferenties van de Intergouvernementele organisatie van oceanografie van de Unesco in New York, over kwesties als welk land waar gas en olie mag exploiteren. Ik leidde de Nederlandse delegatie, met wetenschappers in mijn kielzog en was vaak de enige vrouw. Ik ontmoette de groten der aarde, dineerde met politici als de Franse president Giscard d’Estaing en zijn vrouw.
‘Een gescheiden, werkende moeder was heel ongebruikelijk in die tijd – kinderen uit een gebroken gezin werden als verloren gezien. Ik voelde mij schuldig als ik voor mijn werk naar het buitenland ging – maar mijn kinderen zeiden blij te zijn tegen vriendjes die opschepten over het werk van hun vader nu te kunnen zeggen wat hun moeder deed. Ik had een goede oppas. Ik besprak altijd alles met mijn kinderen, we waren heel hecht. Ze hebben alle vier een universitaire opleiding gedaan en zijn goed terechtgekomen. Helaas is mijn oudste zoon na een lang ziekbed in 2017 overleden; dat is een wond die nog niet is geheeld.’
Hebben de kinderen contact gehouden met hun vader?
‘Na een paar jaar remigreerde hij ook naar Nederland. Hij wilde mij terug, maar dat zag ik niet zitten, wel dat hij weer contact kreeg met de kinderen. Dat contact heeft in later jaren niet bij alle kinderen standgehouden.’
Wat is uw belangrijkste levensinzicht?
‘Als je met de rug tegen de muur staat, moet je erop vertrouwen dat het tijdelijk is en je van die ervaring leert. In nare omstandigheden is het belangrijk goed voor je uiterlijk te blijven zorgen – dat geeft zelfvertrouwen.’
geboren: in Batavia (nu Jakarta), Indonesië
woont: in een woonzorgcentrum in Den Haag
beroep: jurist
familie: nog een zus (89), vier kinderen (een overleden), acht kleinkinderen
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant