Home

Camera in de fietstas of onder de jas: zo legde De Ondergedoken Fotograaf het laatste oorlogsjaar vast

Het Amsterdamse collectief De Ondergedoken Fotograaf zou in september 1944 de aanstaande bevrijding vastleggen, maar die kwam (nog) niet. Dankzij de betrokkenheid van twee fotohistorici ziet nu een uniek project het licht: een boek en tentoonstelling over het laatste oorlogsjaar in Amsterdam – niet zelden gefotografeerd vanuit een tas.

is kunstredacteur van de Volkskrant en schrijft over fotografie.

De originele afdruk van Cas Oorthuys, een van de belangrijkste Nederlandse verzetsfotografen uit de oorlog, is vastgeplakt op een vel beduimeld karton. Achterop verraden aantekeningen van een voorbije generatie fotoredacteuren de nonchalante omgang met het zeldzame vintage materiaal dat ze ter publicatie in hun krant mochten lenen.

De eigenaar, vroeger het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (Riod), moest maar hopen dat de foto terugkwam. Soms ging iemand van het eerbiedwaardige instituut zelf langs bij de krant om zo’n foto op te halen.

Wie wil zien hoe de opwaardering van foto’s als bron voor historisch onderzoek haar beslag heeft gekregen, moet langsgaan bij de historici René Kok en Erik Somers. Die hebben in hun lange carrière bij het Niod, Instituut voor Oorlogs- Holocaust- en Genocidestudies, voorheen Riod, gevochten voor de aan de Tweede Wereldoorlog gewijde fotocollectie. Die herbergt behalve originele prints van grote namen zoals Oorthuys, Emmy Andriesse, Ad Windig en Charles Breijer, ook een schat aan amateurbeelden.

Laatste oorlogsjaar

De collectie wordt bewaard in een geklimatiseerde kluis. Geen foto wordt nog uitgeleend. En de verzameling wordt gekoesterd als een pure bron waaruit ook voor het nieuwe boek De ondergedoken camera, over het laatste oorlogsjaar van Amsterdam, rijkelijk is geput.

De samenstelling van dat boek is de laatste grote klus van Somers (66) en Kok (66), die allebei sinds 1977 werken bij het Niod en volgende maand met pensioen gaan. Al die jaren heeft de geschiedenis van de fotografengroep, bekend geworden als De Ondergedoken Camera, hen met tussenpozen beziggehouden.

Ze kenden veel fotografen persoonlijk. Onderzochten al het materiaal, over spionage, verzetsdaden, de onderduik en de hongerwinter, dat die in 1944 en 1945 hebben geschoten. Ontdekten nieuwe dwarsverbanden. En hebben hun bevindingen nu geboekstaafd in een relaas dat zonder hun persoonlijke betrokkenheid nooit zo meeslepend en uitputtend had kunnen worden verteld.

Alle betrokken fotografen zijn inmiddels overleden, en zonder de getuigenissen uit de oorlogsjaren zou de reconstructie van zo’n geheime verzetsorganisatie onmogelijk zijn.

Verzetsmensen

Het waren twee ondergedoken verzetsmensen met een passie voor film en fotografie, de in 1933 uit Duitsland naar Amsterdam geëmigreerde Jood Fritz Kahlenberg en Tonny van Renterghem, die het initiatief namen om een grote groep professionele Amsterdamse fotografen te mobiliseren.

‘Op hun onderduikadres, Michelangelostraat 36 in Amsterdam-Zuid, bedachten ze dat de aanstaande bevrijding van de stad niet alleen op de Dam, maar op veel meer plekken moest worden vastgelegd voor het nageslacht’, vertelt Kok.

‘D-Day had plaatsgevonden, de geallieerden hadden Parijs bevrijd en rukten op naar Nederland, Dolle Dinsdag kwam (5 september 1944). Kahlenberg had het historische besef: we moeten de beste fotografen inschakelen om ook de komst van de geallieerden aan de randen van de stad en de bevrijding van door de nazi’s gevangen verzetsmensen vast te leggen. Niet allemaal naar de Dam!’

Kahlenberg benaderde de fotografen. ‘Zijn aanpak wekte vertrouwen’, vertelt Somers. ‘Hij legde iedereen zijn bedoelingen uit, maar liet fotografen vrij om zelf invulling te geven aan hun heimelijke bezigheden. En vroeg hun ook niet om foto’s of negatieven bij hem in te leveren, iets waarvoor fotografen huiverig zijn. Bewaar ze goed, voor na de oorlog, zei hij. Het was zijn overtuiging dat recht moest worden gedaan aan de geschiedschrijving.’

Spionagefotografie

Persfotograaf Charles Breijer vormde een uitzondering: die had militaire ervaring en werd daarom ingeschakeld voor spionagefotografie. Hij kreeg opdrachten om opnamen te maken bij het Museumplein, dat, mochten de Duitsers in Amsterdam in gevecht raken met de geallieerden, zou dienen als Stützpunkt.

Breijers foto’s gingen naar het verzet, of via een smokkelroute naar Londen. Zijn werk was uitermate riskant. Hij fotografeerde heimelijk met de camera in de fietstas, zoals mooi te zien is op de foto die hij maakte bij de Duitse wachtpost bij de ingang van het Vondelpark. Je ziet zijn schaduw, terwijl hij voorovergebogen afdrukt.

Iedereen stond paraat voor de bevrijding, alleen: die kwám niet. De opmars van de geallieerden stagneerde, voedseltekorten liepen op en stortten het nog bezette westen, Amsterdam voorop, in die strenge winter van 1944/45 in een ongekende hongersnood. De gewelddadige repressie van de Duitsers nam toe.

De geteerde, goed brandbare houtblokjes tussen de tramrails, gebruikt om trillingen te dempen, werden massaal uit het wegdek gehaald om in de kachel te verdwijnen en de huizen van de gedeporteerde Joden bij de Nieuwmarkt werden door houtrovers tot puin gereduceerd.

Somers: ‘De plannen van Kahlenberg en Van Renterghem moesten worden aangepast om ook die thema’s te coveren. Met name Oorthuys had een stimulans nodig, hij kwam in augustus 1944 zeer verzwakt uit kamp Amersfoort.’ Maar nu ging hij op pad en fotografeerde, van onder zijn jaskraag, uitgebreid in de Jodenbuurt.

Kok: ‘Het wrange is dat iedereen er toen al van uitging: die lege panden kunnen wel worden gesloopt, want de Joden komen toch niet meer terug. De houtroof werd in de eerste plaats gezien als een wanhoopsdaad als gevolg van de extreme kou. Het Joodse leed dat hieraan vooraf is gegaan, speelde geen rol.’

Gecoördineerd vanuit de Michelangelostraat legden fotografen tal van onderwerpen vast. Zijn veel bekend geworden foto’s van verzetsdaden geënsceneerd ná de bevrijding, die van De Ondergedoken Camera tonen de acties op het moment zelf. ‘Participerende fotografie’, noemt Somers dat.

Brandbommen

Illegaal radioverkeer met Londen vanuit de Michelangelostraat. Het verbergen van een antitankwapen voor het levensgevaarlijke transport over straat in een kinderwagen, onder het matrasje, de baby erop, vastgelegd door Breijer. Het oefenen met wapens. Het maken van brandbommen met gebruikmaking van blikjes en Vim-schuurmiddel, gefotografeerd door Oorthuys – zijn zwager was de bommenmaker.

Typerend voor de Duitse aanwezigheid in het dagelijks leven is bijvoorbeeld de foto van de confiscatie van fietsen, tijdens een razzia op het Weteringcircuit. Margreet Meijboom-van Konijnenburg fotografeerde het tafereel moedig van dichtbij, vanuit haar Genemuider boodschappentas.

Zij werkte vaak in het gezelschap van de later (onder meer als koningin Wilhelmina in Soldaat van Oranje) beroemd geworden actrice Andrea Domburg. Die had, als voormalig verpleegster, een uniform aan, dat de aandacht van omstanders afleidde als Meijboom-van Konijnenburg zogenaamd rommelend in haar tas de camera bediende.

Veruit het indrukwekkendst zijn de foto’s die met name Emmy Andriesse, Cas Oorthuys en Ad Windig maakten van de Hongerwinter. Andriesse had als fotograaf vooral aandacht voor de menselijke drama’s. Een van de bekendste is de foto uit februari van het ‘jongetje met het pannetje’. Een uitgeteerd kind op schriele beentjes en met een wilde bos haar is, pannetje voor de borst, onderweg naar de gaarkeuken. Het werd symbool voor het leed van de hongerende bevolking.

Later werd duidelijk dat de foto geposeerd was. Andriesse liet het jochie, zo vertelde de ook aanwezige fotograaf Ad Windig later, een aantal keren heen en weer lopen, zodat ze de sterkste opname kon maken.

Magere benen

Net zo iconisch is de foto die Marius Meijboom in de Jordaan maakte van ‘de jongen met de lepel’. Somers: ‘Veel kinderen hadden standaard een lepel onder de broekriem geklemd om zo mogelijk bij de gaarkeukens de pannen leeg te schrapen voor iets eetbaars – suikerbieten, gekookte aardappelschillen. Deze wankelende jongen, Henkie Holvast, had net difterie gehad en heeft op verzoek van Meijboom zijn broek uitgedaan, zodat zijn magere benen in beeld kwamen.’

Meijboom werd hier geassisteerd door Andrea Domburg, die ook zijn vrouw Margreet bijstond.

Somers: ‘Henkie is gefotografeerd op zijn zwakste moment. Toen hebben ze de ouders van zijn gezin met zes kinderen weten over te halen mee te werken, voor een paar kledingstukken en wat te eten. In hun wanhoop grepen ze alles aan.’

Het jongetje overleefde de hongersnood en groeide uit tot een grote kerel. ‘Hij deed iets in de scheepvaart. Het blad Panorama heeft hem in 1965 nog eens gefotografeerd: ze zetten hem aan een grote tafel vol eten en met een fles witte wijn in de koeler. Kreeg hij 250 gulden voor.’

Oorthuys fotografeerde in de arme buurten, Kattenburg, de Jordaan; de plekken waar de honger het schrijnendst was. Kok: ‘De bewoners daar hadden niks te makken. Ze hadden ook geen bezittingen die ze tegen wat voedsel konden ruilen. En ze hadden geen connecties.’ Een jongen languit op straat, niet veel later was hij dood. Uitgemergelde mensen, de rimpelige huid als vellen over de botten vallend – pijnlijk om te zien.

Noodmortuarium

Volgens een schatting door het Niod heeft de Hongerwinter zo’n 22 duizend mensen het leven gekost. Door de strenge vorst en het ontbreken van gereedschappen konden er geen graven worden gedolven. De Zuiderkerk werd in gebruik genomen als noodmortuarium, een verzamelplek voor vijftig tot wel 135 lijken tegelijk. Ze werden er, soms al in ontbinding, bewaard en vervolgens per vrachtwagen naar een begraafplaats afgevoerd.

Oorthuys maakte er gruwelijke foto’s die, samen met de beelden van de hongerende bevolking, in Londen terechtkwamen. Somers: ‘Het is niet na te gaan in hoeverre zijn beelden de besluitvorming van de geallieerden over voedseldroppings hebben versneld. Maar het is wel zeker dat ze Londen onder druk hebben gezet. Daar kon men er niet meer omheen dat voedselhulp een kwestie van leven of dood was.’

Op 29 april, een kleine week voor de capitulatie van de Duitsers, begonnen de droppings vanuit vliegtuigen boven het westen. Wat niet wegnam dat die voor velen te laat kwamen: ‘Nog tot in juni stierven mensen de hongerdood’, zegt Somers.

Schietpartij

In de laatste oorlogsdagen deden de fotografen waartoe Kahlenberg hen in eerste instantie had opgeroepen: vanuit een groot aantal locaties in de stad de bevrijding vastleggen. Ze waren bij de feestvierende Amsterdammers die de geallieerden verwelkomden, maar ook bij de grote schietpartij op de Dam. Breijer was op 7 mei nog getuige van een dodelijk vuurgevecht tussen een verzetsgroep en Duitse soldaten op de Amstelveenseweg, kilometers verwijderd van de Dam. Het zijn heftige foto’s.

De jonge fotograaf Frits Lemaire was gevraagd aan het werk te gaan op het Centraal Station. Maar daar was niets te doen. Hij maakte een paar plichtmatige foto’s en trok toen naar de Dam. Later zou zijn foto van het uitgestorven station en de verlaten perrons veelvuldig worden geplaatst ter illustratie van verhalen over de Spoorwegstaking van 1944.

Al in juni 1945 vond de eerste editie plaats van de tentoonstelling met het werk van de minstens dertig fotografen die op verzoek van Kahlenberg het laatste oorlogsjaar hebben vastgelegd. Pas vanaf die expositie werd de naam De Ondergedoken Camera gangbaar. Kahlenberg woonde de opening in de ruime studio van fotograaf Meijboom aan de Keizersgracht niet bij. Net als in de kunstwereld en de politiek werden ook in de fotowereld stellingen betrokken: wie zou in herrijzend Nederland de dienst gaan uitmaken?

‘Kahlenberg kwam in elk geval niet in aanmerking voor een vooraanstaande positie, vanwege zijn Duitse afkomst’, zegt Kok. ‘Dat hij ook van Joodse afkomst was, werd voor het gemak genegeerd. Hij is, net als veel andere fotografen, na de oorlog naar het buitenland vertrokken, zwaar gedesillusioneerd. Hij is in New York gaan wonen en heeft een carrière in de filmwereld gehad.’

Vol lof

Kahlenberg, die vooral in het pand aan de Michelangelostraat heeft gefotografeerd – onderduikers, spionnen, verzetslieden, gestrande piloten – raakte na de oorlog snel gefrustreerd. Kok: ‘Hij werd, ondanks zijn Duitse afkomst, door iedereen op handen gedragen. Iedereen was vol lof over zijn centrale rol bij De Ondergedoken Camera. Maar toen hij een uitkering voor vervolgingsslachtoffers aanvroeg, duurde de behandeling eindeloos.

‘Er was intussen wantrouwen gegroeid over de geloofwaardigheid van al die aanvragen voor een uitkering – de parallellen met de toeslagenaffaire over ambtelijke onwil dringen zich op. Uiteindelijk moest hij in de jaren tachtig helemaal vanuit Amerika naar het Lucas Ziekenhuis in Amsterdam komen voor een gesprekje met een psychiater. Die keurde hem voor 75 procent af.’

Geen toeval dat het boek van Kok en Somers zich, behalve als eerbetoon aan de verzetsfotografen, ook laat lezen als een monument voor de visionair Fritz Kahlenberg, zonder wie De ondergedoken camera niet zou hebben bestaan.

René Kok en Erik Somers: De ondergedoken camera, het laatste oorlogsjaar. Amsterdam 1944-1945. WBooks, € 39,95. Vanaf 20/3. Expositie in Foam, Amsterdam, van 1/5 t/m 1/9.

Hiaat in de geschiedschrijving

De Jodenvervolging in Amsterdam heeft door de fotografen van De Ondergedoken Camera nagenoeg geen aandacht gekregen. Enerzijds begrijpelijk, omdat in het laatste oorlogsjaar, waarin de groep actief werd, vrijwel de gehele Joodse bevolking, op de onderduikers na, al was gedeporteerd naar de vernietigingskampen van de nazi’s.

Anderzijds is het hiaat in de geschiedschrijving toch opmerkelijk, omdat amateurfotografen de razzia’s in de stad waarbij de Joden werden opgepakt en afgevoerd wél veelvuldig hebben vastgelegd. In het boek De Jodenvervolging in foto’s (2019, Wbooks) hebben de historici René Kok en Erik Somers van het Niod talrijke indrukwekkende foto’s van gelegenheidsfotografen opgenomen.

Kok: ‘Fotograaf Ad Windig, een overigens doodgoeie man, heeft in zijn naïviteit in een radiointerview eens gezegd dat ‘er in 1942 en 1943 niets gebeurde’ wat fotografische aandacht verdiende. En dat dit pas veranderde na D-Day in juni 1944.’ Op de eerste expositie van De Ondergedoken Camera werd de Holocaust summier belicht, met de foto van een Jodenster, niet onder de noemer ‘Jodenvervolging’ maar ‘Rassenwaanzin’.




t!

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next