De heilige oorlog van techbro’s tegen diversiteit en inclusie komt voort uit een giftige cultuur die vervlochten is met de digitale wereld. Als hoogleraar informatica spreekt Felienne Hermans zich uit tegen het machismo dat zich verschuilt achter complexiteit.
Op weg naar het sollicitatiegesprek voor mijn eerste wetenschappelijke baan kwam ik een studiegenoot tegen. ‘Toen ik hoorde dat jij in de race was, wist ik dat ik geen kans maakte, want ze nemen natuurlijk een vrouw aan.’ Ik wist niet wat me overkwam, want het was de eerste keer dat mijn gender zo openlijk ter sprake werd gebracht. Toen ik in de zero’s informatica studeerde was ik juist expliciet niet bezig met mijn vrouw-zijn; het was mij natuurlijk wel opgevallen dat in de collegezaal maar één andere vrouw zat, op meer dan honderd jongens, maar mijn instelling was: als ik hard mijn best doe en goede cijfers haal, zal iedereen zien dat vrouwen dit ook kunnen.
De afgelopen weken, waarin ik de totale vernietiging van diversiteitsinitiatieven heb zien voltrekken in de VS – ‘DEI must DIE’, aldus ‘Dogefather’ Musk – denk ik vaak aan dat gesprek. Deze studiegenoot was voor zover ik weet echt niet tegen vrouwen in de wetenschap, maar het bestaan van DEI-initiatieven (diversity, equity and inclusion) gaf hem bij voorbaat een sluitend narratief bij afwijzing. Terwijl onderzoek al lang en breed heeft aangetoond dat diversiteitsbeleid doorgaans de kwaliteit van een team of afdeling verhoogt.
Ik word als computerwetenschapper vaak gevraagd hoe ik aankijk tegen bias in AI. Datasets en algoritmen zijn doordrenkt met seksistische vooroordelen, met alle gevolgen van dien, zo werd Facebook onlangs nog door het College voor de Rechten van de Mens op de vingers getikt vanwege een discriminerend advertentie-algoritme, en Amazon hanteerde een tijdje een sollicitatie-algoritme dat cv’s stelselmatig lager beoordeelde zodra er alleen al het woord ‘woman’ in stond. Deze schandalen hebben bar weinig gedaan met de bereidwilligheid van mensen om afstand te doen van social media of algoritmen. Ik word regelmatig gebeld door overheidsinstanties in Nederland die het idee hebben dat ze ‘iets’ met AI moeten.
Het heeft echter geen zin om over de ingebakken en zelfversterkende vooroordelen te praten, zonder de ideologische wortels van de IT-cultuur te benoemen. Want mijn studiegenoot staat niet alleen in zijn gevoel niet eerlijk behandeld te zijn. Zijn ervaring maakt deel uit van een onder mannen breed gedragen gevoel van oneerlijkheid, van iets mislopen waarop je recht hebt. Dat gevoel raakt aan de basis van een giftige cultuur die grotendeels vervlochten is met de digitale wereld, en zich voor een groot deel ook in die wereld afspeelt.
Van die cultuur wil ik twee verschijningsvormen toelichten: een georganiseerd verzet tegen meer participatie van vrouwen in de techwereld en het machismo dat prat gaat op complexiteit.
Om het verzet te snappen moet ik terug naar 2014 en het culturele fenomeen GamerGate. De eenvoudigste samenvatting van GamerGate is: een simpele game van ontwikkelaar Zoey Quinn kreeg goede recensies, waarop zij er door haar ex-vriend van beschuldigd werd die te hebben gekregen in ruil voor seks met een gamesjournalist. Een kinderachtige roddel, zou je zeggen, maar gamers op allerhande fora zoals Reddit en 4chan kregen er lucht van, en haakten in op het ‘dit is niet eerlijk’-narratief, want het kán toch gewoon niet zo zijn dat een game van een vrouw goed is?
Een online haatcampagne volgde. Quinn en een aantal andere prominente vrouwen in de gamewereld werden online aangevallen op een schaal die tot dan toe ongekend was. Niet alleen kregen ze online duizenden doods- en verkrachtingsbedreigingen, ook in de offline wereld ondervonden ze heftige gevolgen. Quinn en Brianna Wu – ook een vrouwelijke gamemaker – konden maandenlang niet veilig naar hun huis omdat ze steeds werden gedoxxt. Een lezing van de feministische games-YouTuber Anita Sarkeesian moest vanwege een bommelding worden afgezegd.
Voor gamers was GamerGate een gevolg van de onterechte infiltratie van vrouwen in een wereld die van mannen hoort te zijn: games. Diversiteit, was toen al de teneur, dat is de vijand. De gamers begonnen niet helemaal spontaan te haten, ze werden daarbij opgehitst door een aantal prominente bekendheden zoals Adam Baldwin (acteur uit Chuck en Firefly) en Steve Bannon (chef van alt-right website Breitbart én latere rechterhand van Donald Trump).
Gamergate werd, behalve in de IT, nauwelijks besproken in het publieke debat, omdat het zich afspeelde in een parallelle jongereninternetbubbel die journalisten en opiniemakers toen nog niet doorgrondden. Er waren wel kritische stemmen. De Amerikaanse journalist Kyle Wagner waarschuwde toen al voor de retorische trukendoos van internetcommentators. De methode om iemands online en offline leven onmogelijk te maken wordt op dit moment verfijnd, schreef hij, en zou zomaar eens de toekomstige cultuuroorlogen kunnen gaan bepalen. Hij kreeg gelijk. Maar het feit dat Wagners profetische woorden werden gepubliceerd op sportwebsite Deadspin geeft goed aan hoe fringe het allemaal was.
In 2014 zag het internet er nog heel anders uit, en misschien hadden sociale media toen nog aan banden gelegd kunnen worden. Als een techbedrijf echt geeft om de veiligheid van vrouwen – en andere mensen – op internet, kan het met gemak technische maatregelen nemen, denk aan een limiet van het aantal berichten dat je over een bepaald onderwerp kunt sturen. Overheden hadden kunnen ingrijpen met stevige, juridische maatregelen tegen online haat, gezien de ontwrichtende werking daarvan op de maatschappij. Maar die kansen hebben we niet gegrepen, en daarvoor betalen we nu de prijs.
Vandaag de dag worden op sociale media antidiversiteitsgevoelens massaal uitgevent, niet zomaar ins Blaue hinein, maar doelgericht. GamerGate was daarvoor de allereerste vingeroefening. Een van de architecten van GamerGate, Bannon, zag veel potentie in deze boze jongens uit de gamersgemeenschap.
Bannon merkte hoe jonge mannen van allerhande pluimage konden worden verenigd in hun woede jegens ‘social justice warriors’ (de voorgangers van ‘woke’). Hij zag ook, net als Wagner voorspelde, in deze online woede een onoverwinnelijk wapen. Toen hij later campagnestrateeg van Trump werd, bracht hij precies dezelfde dynamiek van haat teweeg. ‘Politiek ligt stroomafwaarts van cultuur’, had zijn vriend Andrew Breitbart ooit gezegd, doelend op het idee dat je om de politiek te veranderen eerst de cultuur moet veranderen – en die cultuur verander je online.
Steve Bannon heeft, na een kort verblijf in de gevangenis, zijn zin gekregen. De cultuurstrijd tegen diversiteit en inclusie is door zijn kamp gewonnen. Overal in de Amerikaanse overheid worden vrouwen (en andere mensen die afwijken van de wittemannennorm) ontslagen en allerlei onderzoek naar gender is nu verboden.
Wie kijkt naar hóé de bezuinigingsmaatregelen in de VS worden uitgevoerd, ziet de tweede ideologische wortel van de digitale wereld terug: het complexiteitsmachismo. De Republikeinse senator Ted Cruz maakte bijvoorbeeld laatst een ‘database’ openbaar met beursvoorstellen die de overheid zou intrekken; dat klonk alsof er ingewikkeld werk was geleverd, maar het was niet meer dan een simpele Excelsheet waarin ook voorstellen over biodiversiteit waren gemarkeerd. Hij gokte er waarschijnlijk op dat de meeste mensen niet weten wat een database precies is.
Ook Elon Musk probeert met zijn overname van de overheid vooral de digitale wereld te beheersen: al die ambtenaren kunnen eruit, want AI kan dat werk ook wel. En omdat maar een klein gedeelte van de mensheid die technologie echt goed begrijpt, is het moeilijk om te doorzien waar hij nou precies mee bezig is.
Waar media zich in de zaak Gamergate nog afzijdig hielden, ‘want het ging maar om gamers’, duiken ze nu juist massaal op de techbro’s, waarbij ze hen afschilderen als genieën met een uniek talent om de wereld redden. De bro’s worden flink geholpen door publieke perceptie dat programmeren een bijna bovenmenselijk moeilijke taak is.
De film The Matrix komt vaak in de beeldspraak van programmeurs terug, met verwijzingen naar de ‘red pill’ – die voor de waarheid staat – en Neo als held en enige redder, kraker van ingewikkelde codes die niemand anders kan doorzien. Dat beeld heeft postgevat: iedereen denkt nu dat AI-algoritmes zo ingewikkeld zijn dat de programmeurs zelf ze niet eens snappen. Gewone mensen moeten zich niet met AI bemoeien, zei bijvoorbeeld Eric Schmidt, voormalig CEO van Google. En dit verhaal blijven de media herhalen.
De ondoorgrondelijkheid van algoritmen is (in tegenstelling tot Gamergate) niet bewust gecreëerd, maar het is ook niet helemaal toevallig. Onlangs schreef ik in een wetenschappelijk artikel voor vakgenoten hoe de masculiene cultuur van de programmeerwereld ingewikkelde technieken prefereert, omdat die status geven. ‘Kijk eens hoe complex de codes zijn die ik aankan!’, is op digitale wijze je spierballen laten zien. Er zijn zelfs online wedstrijden voor programmeurs waarin de opdracht is om zo onleesbaar mogelijke code te maken. Op mensen die programmeertalen gebruiken of maken waarmee het makkelijk werken is, wordt neergekeken.
En terwijl ik bovenstaande zinnen schrijf, knijpt mijn maag zich samen. Durf ik in de krant te schrijven over de masculiene cultuur van de IT?
In mijn oratie in 2023 sprak ik me ook al uit over de manier waarop de techwereld vrouwen en niet-westerse mensen op een systematische manier buitensluit. Toen NRC daarover een artikel publiceerde heb ik dagenlang haat over me heen gekregen. Op sociale media en zelfs via e-mail werd ik ervan beschuldigd ‘woke’ te zijn, de titel hoogleraar informatica onwaardig, en iemand vond het nodig te schrijven dat mijn onderzoek de wereld slechter maakt.
Zo kon ik de GamerGate-dynamiek aan den lijve ondervinden. Die werd niet op gang gebracht door anonieme internettrollen, maar door mijn eigen vakbroeders en -zusters, die elkaar ook in chatgroepen tegen mij opzetten, zo hoorde ik van vrienden die in die groepen zaten.
Mijn vakgenoten spinnen er garen bij dat algoritmen moeilijk te snappen zijn, want dat is goed voor hun marktpositie. Hun verzet tegen mijn inzet om programmeren breder toegankelijk te maken past in dat beeld. We moeten het niet te makkelijk maken, codes horen ingewikkeld te zijn. En juist van die complexiteit maakt Elon Musk met DOGE nu gebruik. In een wereld waarin mensen computers veel beter snappen, was veel van wat DOGE beweert meteen ontkracht, zoals dat er mensen van 150 jaar oud nog een uitkering zouden krijgen. Maar in een wereld waarin programmeren, grotendeels door het vakgebied zelf, als extreem ingewikkeld en ondoordringbaar wordt voorgespiegeld, kan bijna niemand de bullshit doorzien.
Twee dynamieken versterken elkaar: algoritmen en programmeertalen zijn complex en mensen die ze gebruiken vinden het een prettig idee dat dit zo is, én dat komt weer voort uit een masculiene technische cultuur.
Zolang we geen gesprek hebben over de ideologische wortels van de techcultuur, komen we geen stap verder. IT is te belangrijk voor onze wereld om over te laten aan de IT’ers van nu, want iedereen die zich nu in de techwereld begeeft is in meer of mindere mate beïnvloed door de cultuur in die wereld.
Mijn collegahoogleraar informaticadidactiek Mark Guzdial wil al een paar jaar geen les meer geven aan informaticastudenten, omdat hij na dertig jaar niet meer op wil boksen tegen het machismo. Hij richt zich in plaats daarvan op andere vakgebieden, waar hij ‘een theelepeltje’ programmeren doceert. Zo kunnen de historici, politici en dokters van morgen techniek ook doorgronden en meedenken over het maken ervan.
We moeten, met andere woorden, informatica bevrijden van de informatici. Ik schep er geen genoegen in om me zo verdrietig te voelen over mijn professionele identiteit, maar ik kan niet anders. Het alternatief is, dat zie je in de VS, nog erger.
Felienne Hermans is hoogleraar informatica aan de Vrije Universiteit Amsterdam en docent op het Lyceum Kralingen in Rotterdam. Ze is ook de maker van programmeertaal Hedy, die in 70 talen beschikbaar is.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant