De vader van Andreas Jonkers kwam in 2004 gruwelijk aan zijn eind. Zelfdoding, oordeelden rechercheurs destijds. Maar twintig jaar later krijgt Jonkers onverwacht een mail: de zaak van zijn vader wordt heropend. Komt hij er nu eindelijk achter wat er met hem is gebeurd?
Op donderdagochtend 1 januari 2004 werd het levenloze lichaam van een man gevonden. Hij lag achter de Intratuin in Amsterdam-Oost, op het talud van de Gooiseweg naar de A10, vlak naast de eerste grote iep.
Het was min 1 graden Celsius, maar de man had zijn leren jas, wollen trui en groene overhemd uitgedaan. Hij lag met ontbloot bovenlijf op de grond, zijn gezicht naar beneden en – dat was opvallend – zijn schoenen stonden naast zijn hoofd.
Hij droeg alleen een spijkerbroek en sokken, besmeurd met aarde. Om hem heen waren glijsporen en voetafdrukken in de modder zichtbaar, er lag een grote hoeveelheid bloed. Naast zijn lichaam vond de politie een hobbymes. Op zijn lichaam, van zijn hals tot zijn benen, van zijn schouders tot zijn handen, zaten acht steekwonden en meer dan vijftig krassen en sneden.
Die man was mijn vader.
Eind 2024 krijg ik onverwacht een mail: In september 2024 is door team Cold Case Amsterdam het onderzoek naar de dood van uw vader [...] opnieuw tactisch en forensisch bekeken. Dit onderzoek heeft niet tot een dader geleid, maar toch zouden wij de bevindingen van dit onderzoek, wanneer u dat op prijs stelt, met u willen delen.
Mijn vader, een cold case? Misschien kom ik er nu eindelijk achter wat er is gebeurd. Een man die ik bij leven maar één keer heb gezien. Wiens dood al 21 jaar een raadsel is voor mij – weinig meer dan een reeks kille feiten.
Ik schrijf ‘vader’, maar dat was hij niet voor mij. Ik ben zonder vader opgegroeid. Hans, zo heette hij, had meerdere psychosen gehad en mogelijk schizofrenie. Een diagnose en passende hulp wilde hij nooit.
Uit de verhalen die mijn moeder me af en toe vertelde, uit de tijd dat ze elkaar nog wel zagen, doemde het beeld op van een creatieve, impulsieve, eigenzinnige en verstorende geest. Hij had geen werk, kreeg bijstand en maakte kunst, dat vooral, waarvan hij soms wat verkocht.
Een paar keer per jaar belde hij ons op vanuit een telefooncel en vertelde hij lange verhalen over zijn tochten door Amsterdam. Hij zei dat hij op zijn hoofd was gaan staan langs de Amstel, hij deed het geluid na van de boten op het IJ. Ik vond het verwarrend – zijn verhalen, dat hij maar geen vragen stelde – en vroeg of Hans misschien wat minder wilde bellen.
Anderhalf jaar voor hij werd gevonden wilde ik hem, na lang aandringen van zijn kant, voor het eerst ontmoeten. Ik was 11 jaar. We troffen elkaar in de grote hal van station Amsterdam Amstel. Ik zag een man met grijze krullen, een stevige baard en een muts die je ook binnenstebuiten kon dragen, zo deed hij voor. Hij zakte door zijn knieën om in mijn ogen te kijken: ook groen.
Hans, mijn moeder en ik liepen langs de Amstel naar zijn huis in De Pijp, gingen de steile trappen op naar zijn woning. Alle muren waren met zwarte stift betekend en beschreven. Er stonden doeken, beelden van rode klei; er lagen schetsen en er stonden penselen in potten.
Hij liet de rest van zijn huis zien: de kledingkast waar je alle kleren uit kon slingeren – hij deed het even voor – de keuken en de wc waar het licht uit was omdat de stroom was afgesloten.
Wilden we wat eten? Hij had nog rijst met notenpasta van gisteren. Nee, dank je. Hij en ik gingen nog een trap op, om zijn daktuin te bekijken. Bij het tochtige raam zei hij: ‘Heb je het niet koud, jochie?’
‘Jochie’, een woord waar we allebei van opkeken. Maar ik had het niet koud. We hebben daarna nog door Amsterdam gelopen, het was een frisse en zonnige dag, waarna mijn moeder en ik met de trein teruggingen naar Nijmegen. Hans wilde graag contact houden, zei hij. Maar hij had geen telefoon en ik nam geen initiatief in de maanden die volgden.
Anderhalf jaar later, toen hij werd gevonden, en tijdens de begrafenis die na het politie-onderzoek volgde, had ik geen spijt of verdriet. Ik voelde enkel onbegrip en onmacht. Geen idee wie die man eigenlijk was; geen idee wat ik met zijn grillige leven en einde aan moest.
Het maakte dat ik er daarna niet vaak meer aan dacht. Tot ik zelf vijf jaar geleden een zoon kreeg. Toen mijn vriendin zwanger was en ik vader werd, kwamen alsnog de vragen. Heel basaal waren die: Wie was Hans? Hoe leefde hij? En waarom had het zo moeten eindigen?
Ik sprak tientallen vrienden, familieleden, kennissen, oud-docenten en kunstenaarsvrienden van Hans. Ik las zijn politiedossier: over de vele verwondingen, het bloed, de schoenen naast zijn hoofd. Er hadden twee rechercheurs drie dagen onderzoek gedaan.
Ze hadden een soort afscheidsbrief gevonden en de verpakking van het hobbymes op zijn kamer. Hun conclusie: geen misdrijf. Toelichten wilden ze het niet, hoorde ik in 2020 van de politie, ‘omdat ze niks aan het dossier hebben toe te voegen’.
Suïcide dus. Maar hoe kon iemand dit zichzelf aandoen? Ik schreef er in 2020 een boek over, met als werktitel Ik voel niks. Want dat verbaasde me: dat de feiten me zo weinig deden. Dat mijn vader maar niet dichterbij kwam. Kun je het leven en de dood begrijpen van een man die weliswaar je vader is, maar die je maar één keer hebt gezien?
Op basis van de verhalen van anderen schreef ik over zijn kunstpraktijk die niet van de grond kwam, zijn vruchteloze zoektocht naar een baan, hoe graag hij een kind wilde, dat hij vervolgens niet kon zien. Over de invallen die hij had: laten we, zei hij dan tegen een vriendin, bij Centraal Station naar de rails gaan luisteren als de treinen eraan komen.
Ik hoorde dat hij op tafel ging staan en een eindeloos verhaal afstak als er een lange, ongemakkelijke stilte viel. Dat hij met kleine kinderen van vrienden zo wild en vrij kon spelen – al mochten ze niet opendoen als hun vader of moeder niet thuis waren. Hoe opgewekt hij kon zijn, uitgelaten.
Maar ook dat hij in 2002 zijn rekeningen niet meer betaalde, uit huis werd gezet, door de stad zwierf en in een daklozenopvang belandde. Toen werd hij een zorgwekkende zorgmijder genoemd, tegenwoordig zou hij eerder een verward persoon zijn, of iemand met onbegrepen gedrag. Het was moeilijk, zo niet onmogelijk om hem te helpen.
De laatste maanden van 2003 vond hij een kamer bij een hospita, vlak bij de Intratuin in Amsterdam-Oost. Hij schilderde niet meer, kraste enkel notitieblokken vol. In een later gevonden brief ‘aan mijn ouders’, ze waren toen begin tachtig, schreef hij ‘dat het niet langer zo door kon gaan’.
Op oudejaarsavond 2003 ging hij naar buiten, vertelde de hospita later. Ik denk dat hij een psychose had, hoe kon het anders, of in een waan raakte. Dat hij zichzelf verwondde, als een noodkreet, en daar niet meer mee ophield. En toen: te veel bloed verloren, te koud, te laat gevonden. Hij wilde niet dood, wil ik geloven, hij wilde leven.
De reacties op mijn boek waren gemengd. Dapper, vond iemand. Te gedetailleerd, een ander. Zakelijk geschreven. Al die kale, korte zinnetjes. ‘Je kende de man niet eens’, zei een vriend. Een broer van mijn vader mailde me: ‘Je koloniseert op onze geschiedenis.’
Het woord ‘onze’, dat stak me wel. Ik had juist geprobeerd het me eigen te maken, deze grillige geschiedenis. Voor de rest had hij gelijk: ik had van een tegenstrijdig leven een rond verhaal gemaakt.
Zo vaak had ik gelezen dat verhalen ons tot mensen maken, dat we ze nodig hebben om te bestaan, te overleven. Nu had ik, juist door er een verhaal van te maken, mijn vader misschien alleen nog maar verder op afstand geplaatst.
Tot die mail, eind 2024. Daardoor krijg ik een nieuwe kans om me tot mijn vaders leven en dood te verhouden. Ik maak een afspraak met twee rechercheurs van het coldcaseteam, Jolanda en Wendy, die vanwege hun veiligheid alleen met voornaam in dit stuk willen voorkomen.
Door truecrimeseries en -podcasts heb ik wellicht een wat romantisch beeld van hun werk. Met bronnen die uit het verleden opduiken, nieuwe DNA-sporen die worden gevonden, grote doorbraken – case closed. Maar hoe gaat dat werkelijk, zulk coldcase-onderzoek? En wat kan dat betekenen voor nabestaanden zoals ik?
Het onderzoek naar mijn vader kreeg destijds de naam Djoemoe mee, hoor ik, die door de computer was gegenereerd. Hoewel de conclusie destijds ‘geen misdrijf’ was, is het door bepaalde termen in het dossier toch op de lijst met cold cases beland, vertelt Wendy. ‘Denk aan ‘lijkvinding’, ‘moord’ of ‘doodslag’.’
Die coldcaselijst wordt gevormd door zoekopdrachten in systemen binnen de eenheid Amsterdam, waar zo’n zevenhonderd zaken op staan. Allemaal van na 1988, omdat sindsdien moord niet meer verjaart (suïcide verjaart niet omdat het geen misdrijf is).
In september 2024 ging het coldcaseteam met de zaak-Djoemoe aan de slag. De rechercheurs gingen niet naar de plaats delict, zochten geen nieuwe getuigen en verrichtten geen nieuw sporenonderzoek: ze deden een zogenoemde ‘screening’. Twee rechercheurs, onder wie Wendy, lazen onafhankelijk van elkaar het dossier nog eens kritisch door. Ze keken naar kansen voor nieuw onderzoek.
Opvallend, vonden ze allebei, was de snelheid van het onderzoek (drie dagen). Wendy: ‘Ik vind dat ze vrij snel bij zelfdoding zijn geëindigd.’ Ook opvallend: de grote hoeveelheid verwondingen (58 in totaal). Waren destijds wel alle opties onderzocht? Was het inderdaad ‘geen misdrijf’, zoals destijds geconcludeerd?
Het zijn niet makkelijk te beantwoorden vragen, zoals meestal met cold cases. Veel getuigen en bewijsmateriaal zijn onvindbaar. Alle kledingstukken van mijn vader, en ook het hobbymes, zijn destijds vernietigd. Een misdrijf kon worden uitgesloten, was toen de lezing, en bij suïcide worden ‘stukken van overtuiging’ niet bewaard.
Nieuw technisch onderzoek, bijvoorbeeld naar DNA of andere sporen, met technieken die er sindsdien zijn gekomen, was dus niet mogelijk voor het coldcaseteam. Ze zagen ook geen reden om de destijds gesproken getuigen opnieuw te verhoren.
Ze besloten eerst een patholoog-anatoom van het Nederlands Forensisch Instituut opnieuw naar de foto’s van mijn vaders lichaam te laten kijken. Ik had ze voor mijn boek ook bekeken en zag een graatmager lichaam, de huid donkergrijs – een huiveringwekkend landschap van wonden, krassen en sneden.
Het coldcaseteam gaf de patholoog-anatoom twee hypothesen mee: ‘een misdrijf’ of ‘zelftoebrenging’. Het resultaat, een rapport, komt op het politiebureau uit een lichtbruine map.
Ik mag het niet meenemen, fotograferen of kopiëren. Wel mag ik hier, in deze witte kamer, onder het felle tl-licht, het vijf pagina’s tellende verslag bekijken. De woorden ‘dader’ en ‘bevindingen’ komen bij me boven en licht nerveus begin ik te lezen.
Eerst een uitgebreide opdrachtomschrijving met de twee hypothesen, die al 21 jaar in de lucht hangen. Bloedonderzoek van destijds: geen alcohol en drugs, licht verhoogde stress. Daarna een opsomming van alle verwondingen die twee pagina’s doorgaat.
Die kunnen allemaal zelf zijn aangebracht, begrijp ik uit het rapport. Ze zitten op de borst, in de buik, op de benen, op de armen, in de polsen, op en in de handen. De patholoog-anotoom zag dat er geen ‘afweerletsels’ waren, bijvoorbeeld doordat mijn vader zich had verweerd tijdens een gevecht. De onderzoeker – de naam onder het rapport is weggehaald – vond ook geen ander ‘intern of extern geweld’ veroorzaakt door iemand anders.
De grote hoeveelheid verwondingen, concludeerde de patholoog-anatoom, kan ‘veel waarschijnlijker onder een hypothese van zelftoebrenging dan onder een hypothese van derden’ zijn gebeurd. In een voetnoot lees ik dat ‘veel waarschijnlijker’ een bewijskracht van 10 tot 10 duizend had. De verwondingen zijn dus 10 tot 10 duizend keer waarschijnlijker onder de hypothese zelfdoding toegebracht dan onder moord.
Het duizelt me: de cijfers, de feiten. Ik lees dat mijn vader zijn bovenkleding had uitgedaan omdat er mogelijk sprake was van ‘paradoxale ontkleding’: juist bij onderkoeling trekken mensen soms hun kleren uit (over die schoenen lees ik niets). En dat hij zich waarschijnlijk eerst met zijn rechterhand verwondde, waarna hij met zijn linkerhand verder ging: zijn rechterpols en -hand waren te zeer beschadigd. Ook waren er veel ‘aarzelingssneden’ zichtbaar op zijn lichaam.
Het rapport bevestigt wat ik al wist, maar de hoeveelheid verwondingen en de hardheid van de gebeurtenissen overvallen me. Hans heeft zichzelf zozeer beschadigd, verloor zoveel bloed en raakte zo onderkoeld, dat hij overleed. Waarschijnlijk. 1 op 1.000 tot 10.000.
Wat betreft het coldcaseteam kan de zaak nu worden gesloten. ‘Het is nu een veel helderder beeld’, zegt Wendy, die een paar keer eerder een vergelijkbare suïcide meemaakte als forensisch rechercheur. ‘We zien bij een herbeoordeling niet vaak dat één scenario er zo duidelijk uitspringt.’
Wendy, Jolanda en de rest van het coldcaseteam van de politie Amsterdam – dat 25 personen telt, onder wie vijf vrijwilligers – lichten de nabestaanden lang niet altijd in als ze een onderzoek hebben gedaan.
Het is een lastig dilemma: mensen vinden de aandacht voor een overledene vaak waardevol, maar het rakelt ook leed op. ‘Laat het maar weten als jullie een dader hebben gevonden’, horen ze dan bij het coldcaseteam.
Dat gebeurt zelden, want meestal zijn er geen nieuwe aanknopingspunten of sporen te vinden. In 2017 had het team wel beet, toen de politie huisschilder Sjonny W. kon arresteren voor de moord op drie sekswerkers jaren eerder. Voor nabestaanden was de doorbraak pijnlijk. Hoewel de dader was gevonden en twintig jaar gevangenisstraf kreeg, zegt Jolanda, hebben meerdere familieleden van zijn slachtoffers sindsdien psychologische hulp nodig gehad.
Jolanda en Wendy besloten mij wel in te lichten, omdat ik een boek over mijn vader heb geschreven, dat ze ook hebben gelezen. Ze dachten dat ik benieuwd zou zijn naar hun vondsten. Ze kijken mij dan ook verwachtingsvol aan als ik het rapport uit heb en we de resultaten hebben doorgesproken. Wat doet dit allemaal met mij? Hun onderzoek? Hun vondsten?
Ik geef ontwijkend antwoord, de grote hoeveelheid informatie verwart me, ik ben er nog niet over uit. Dan hebben zij nog wel iets voor mij, als ik daar belangstelling voor heb: een ‘dactyloscopisch signalement’, oftewel een vingerafdruk van mijn vader. De volgende dag zal ik er een pdf van krijgen, die ik in een nieuwe map zet op mijn computer.
Nu fiets ik naar het station, terug naar huis. Onderweg grijpt het me alsnog bij de keel. Kan ik dit ooit aan mijn inmiddels twee zoons uitleggen? De radeloosheid van mijn vader, de zinloosheid van zijn daad, de absurditeit van dit alles. Ik probeer de jongens zo gevoelvol en open mogelijk groot te brengen, in weerwil van mezelf. Ik huil niet, maar toch bijna. Ik denk dat ik iets voel.
Omwille van hun veiligheid zijn de achternamen van Jolanda en Wendy weggelaten. Die zijn bekend bij de redactie.
Praten over gedachten aan zelfdoding kan bij 113 Zelfmoordpreventie. Bel 0800-0113 of 113 voor een gesprek. U kunt ook chatten op www.113.nl.
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant