Na een half jaar ‘vol shit’, wist Joep Wennemars zaterdag te pieken op de 1.000 meter. In het Noorse Hamar werd hij voor het eerst in zijn leven wereldkampioen. ‘Dat maakt alles goed.’
is sportverslaggever voor de Volkskrant en schrijft vooral over schaatsen, zwemmen en tennis.
Geen wedstrijd is in het schaatsen groter dan de Olympische Spelen, maar voor Joep Wennemars heeft een wereldtitel misschien wel minstens dezelfde status. Hij groeide op met de boodschap: een wereldtitel is gaaf. ‘Dan ben je de beste van de wéreld. Ik vind dat zo’n mooi begrip.’ Zaterdagmiddag won hij, tot zijn eigen grote verbazing, zijn eerste wereldtitel op de 1.000 meter.
Dus sprong hij eerst de lucht in, de mond wijd opengesperd, en zeeg hij vervolgens naar de met groen kunstgras bedekte ondergrond op het middenterrein van het Vikingskipet in Hamar, een eveneens opgetogen assistent-trainer van zijn ploeg Essent automatisch in onbalans brengend. Na een seizoen vol tegenslag, teleurstelling en uitslagen ver van het wereldpodium, wint Wennemars nu de grootste prijs uit zijn prille loopbaan.
Wennemars (22) is opgegroeid met een ‘kampioenenmindset’. Hij heeft topsport in de genen en topsport in de opvoeding. Zijn vader Erben won in zijn carrière vijf keer een individuele wereldtitel. WK-goud, daar droomde zoon Joep al op jonge leeftijd van. In Hamar schaatste hij met 1.08,05 naar een nieuw baanrecord, dat sinds 2022 op naam van Thomas Krol stond. Jenning de Boo werd met 1.08,21 tweede, voor Jordan Stolz (1.08,26).
Zijn achternaam bezorgde hem sneller faam dan schaatscollega’s met gelijkwaardige prestaties. ‘Maar die naam krijg je al vanaf dat je kind bent. Het heeft voordelen en nadelen, maar ik denk toch iets meer voordelen.’ Hij noemt zijn vader zijn steun en toeverlaat. Een ervaringsdeskundige binnenshuis. ‘Ik kan alles met hem delen, hij weet precies wat topsport voor mij betekent en andersom ook.’
Maar het is grappig, zegt junior een half uur na zijn winst. ‘Deze week ging het heel erg goed. Dan spreken we elkaar juist wat minder.’ Toch had hij nooit verwacht op het belangrijkste toernooi van het seizoen de winst mee naar te nemen. Een maand of zes geleden wist hij: het zal een lastig jaar worden.
‘Aan het einde van de zomer was Wennemars heel, heel, heel erg goed’, zegt zijn trainer, Jac Orie. Dat gold voor ‘alles wat hij aanraakte.’ Uithoudingsvermogen, snelheid, kracht, alles verbeterde met grote stappen. Tot Wennemars begin september tijdens een krachttraining door een misstap een scheurtje in zijn meniscus opliep, met een operatie tot gevolg. ‘Dat heeft hem hard teruggeworpen. Ik denk dat hij pas twee weken geen last van zijn knie heeft’, zegt Orie.
Wennemars spreekt over een afgelopen half jaar waarin hij veel ‘shit’ in zijn leven had. Doelend op die knieblessure en het overlijden van zijn oma, de moeder van Erben, in november. ‘Dat zijn de grootste dingen. Als je mensen verliest die zo dichtbij je staan, doet dat pijn. En het is lastig na een fantastische zomer zo’n enorme terugslag te hebben waar ik tot de dag van vandaag nog steeds last van heb.’
Wennemars neemt in de ruim acht minuten dat hij in een hal van de ijsbaan staat te praten geen blad voor de mond. Hij vertelt hoe hij het hele seizoen vaak als laatste eindigde in het internationale circuit en ‘alleen maar kutraces heeft gereden’, op twee na: de kwalificatie voor de WK en de WK zelf. Over timing gesproken. ‘De enige twee die ertoe doen. Dat maakt alles goed.’
Hij is even ongenuanceerd als hij spreekt over hoe hij omging met een lichaam dat protesteerde door blessureleed: ‘Ik heb wel altijd gewoon mijn bek gehouden en gewoon mijn ding gedaan. Ik dacht dan komt het er wel een keer uit.’ Ondertussen wiebelt hij van het ene been naar het andere, en trekt herhaaldelijk zijn witte shirt omhoog en dan weer omlaag.
Het is een schril contrast met hoe Orie hem eerder deze week zag. Opvallend rustig. Spottend: ‘Voor een Wennemars.’ Hij was koeler dan anders. Een teken dat zijn zelfvertrouwen groeide, hij voelde de vorm komen, denkt de trainer van Team Essent, wat hij ook terugzag in trainingen op het ijs. Trainingsrondes gingen gemakkelijk hard. ‘Maar dan moet je het nog wel even doen. Hard schaatsen is nog steeds iets anders dan winnen.’ Orie, bekend om zijn wetenschappelijke aanpak, werkte in het verleden ook met Wennemars senior. In alle testen was junior ook een jaar geleden al de betere.
Zijn winst op de 1.000 meter was totaal niet wat hij verwacht had, vertelt Wennemars later. Maar de een na de andere rit ging voorbij, zijn tijd bleef staan. ‘Dan mag je langzamerhand gaan hopen voor het podium. En daarna mag je gaan hopen voor goud.’ In de laatste rit stond de Amerikaan Stolz aan de start, op dat moment de regerend wereldkampioen op de 1.000 meter en topfavoriet.
Wennemars, over de spanning die alleen maar toenam: ‘Na zo’n 1.000 meter ben je sowieso een beetje misselijk, maar ik werd alleen maar misselijker. Ik viel bijna flauw. En dan komen ze er niet aan, joh. Dan ben je wereldkampioen.’
Pas na de NK afstanden, vier weken geleden, kreeg Wennemars het geloof dat hij nog wat van zijn seizoen kon maken. ‘Uit het niets was ik er weer.’ Hij pakte daar zilver en plaatste zich voor de WK. ‘Dat maakte mijn seizoen goed, dat ik wist: ik kan het nog.’ Maar toen moest de echt grote prestatie nog komen. Waar hij het vandaan had gehaald? ‘Uit de grond van mijn hart.’
Voor Orie betekent het dat hij met de gouden plak van zaterdag twee Wennemarssen naar WK-goud begeleidde. Vader Erben schaatste een deel van zijn carrière onder begeleiding van Orie. ‘Dat is best wel een beetje bijzonder vind ik. Maar ik ga niet op Erben’s kleinzoon wachten.’
De Japanse Miho Takagi won zaterdagmiddag de 1.000 meter bij de vrouwen. Zij versloeg Femke Kok, de blije wereldkampioene op de 500 meter die zichzelf verbaasde met het zilver, en Jutta Leerdam. Laatstgenoemde was teleurgesteld. De kilometer is haar voornaamste afstand. ‘Maar alles gebeurt met een reden. Dit maakt me scherp voor het komende jaar’, zei ze uiteindelijk.
De 5.000 meter bij de vrouwen ging naar de Italiaanse Francesca Lollobrigida, voor thuisfavoriet Ragne Wiklund en Merel Conijn.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant