Damien Lewis duikt in het boeiende oorlogsverleden van zangeres Josephine Baker. Hier en daar had het verhaal meer nuance verdiend.
is redacteur van de Volkskrant. Ze schrijft onder meer over voedsel en cultuur.
Adolf Hitler stond er lelijk van te kijken toen hij zijn Oostenrijkse hotelkamer binnenstapte. Triomfantelijk was hij naar zijn geboorteland gereisd in 1938, de Anschluss was een feit. En daar, in de luxe suite die voor hem was gereserveerd, werd hij aangestaard door een vrouw van kleur. Boven het bed hing een portret van Josephine Baker. Foutje van het management.
De van oorsprong Amerikaanse, in Parijs doorgebroken entertainer stond voor zowat alles wat de Führer verachtte. Niet alleen was ze volgens hem een inferieure ‘halfaap’, de erotisch geladen shows waarmee ze wereldberoemd was geworden, waren in nazi-ogen zeer entartet. Bovendien had Baker, die de armoede en het racisme van haar jeugd in de VS was ontvlucht, indertijd een Joodse echtgenoot.
Wat Hitler nooit heeft geweten, is dat diezelfde Josephine Baker (1906-1975) een belangrijke rol zou spelen in het verzet tegen de nazi’s. Na de oorlog ontving ze hiervoor de hoogste Franse onderscheiding: ze kreeg toegang tot het Legión d’Honneur. (Baker was in 1937 genaturaliseerd.)
In Agent Josephine zoomt de Britse journalist en auteur Damien Lewis in op het oorlogsverleden van de zangeres, danseres en actrice. Dat speelde zich goeddeels af onder het collaborerende Vichy-regime in zowel Frankrijk als de toenmalige Franse kolonie Marokko.
Hoewel ze had gezworen geen voet meer op een podium te zullen zetten tot de laatste nazi uit Frankrijk was verdreven, bleef Baker optreden nadat ze was gerekruteerd door de Britse geheime dienst. De (Franse) agent die haar het vak moest leren, Jacques Abtey, had goed gezien dat niemand de flamboyante en schijnbaar luchthartige superster – die over de Champs-Élysées wandelde met een aangelijnde cheeta – zou verdenken van spionage.
Haar optredens waren de perfecte dekmantel: ze kwam over de vloer bij diplomaten en politiek leiders, allemaal fans, en had de moed en flair om informatie los te peuteren en gelijkgezinden met elkaar in contact te brengen. Voor haar shows in het buitenland kon ze makkelijker visa krijgen dan gewone stervelingen, en welke douanier zou het in zijn hoofd halen La Baker te fouilleren? In haar ondergoed smokkelde ze geheime papieren mee, tussen de notenbalken op haar partituren stond met onzichtbare inkt informatie voor de spionagediensten.
Damien Lewis beschrijft overtuigend hoe de met bananenrokjes en verentooien geassocieerde wereldster een gedreven strijder werd tegen fascisme en segregatie. Hij doet helaas geen poging een gelaagde Josephine neer te zetten. Ze blijft in het boek de exuberante entertainer die ‘ziel en zaligheid’ in haar optredens legt, een onfeilbare spion ‘vol zelfbeheersing, moed en koelbloedigheid’. De constatering dat Baker in Frankrijk eindelijk was verlost van het racisme waaronder ze in de VS zo had geleden, had op z’n minst meer nuance verdiend.
Josephine Baker en Abtey, met wie ze al snel een relatie kreeg, ontvluchtten nazi-Parijs en vestigden zich in haar Zuid-Franse kasteel. Behalve aan haar exotische menagerie met aapjes, muizen en een Deense dog bood ze daar onderdak aan vluchtelingen en verzetsstrijders. Toen het te gevaarlijk werd in Frankrijk vluchtten ze naar Marokko, waar Baker langdurig ziek werd. Ze maakte van de nood een deugd door haar ziekenhuiskamer te veranderen in een onverdacht knooppunt voor geheim agenten en loyalisten.
Lewis zet niet alleen een vergrootglas op een belangrijk deel van Bakers leven, hij vertelt een in Nederland minder bekend stuk oorlogsgeschiedenis. Hier is hij op z’n best. Op thrillerachtige manier en met veel details beschrijft hij de Noord-Afrikaanse ‘schaduwoorlog’ in de aanloop naar en tijdens de invasie van de geallieerden in Marokko, operatie Toorts, in november 1942.
Casablanca, Tanger en Marrakech waren broeinesten van elkaar soms beconcurrerende, geallieerde geheime diensten. Er werden wonderlijke internationale verbanden gesmeed van antifascisten en opportunisten op het snijvlak van oorlog, kapitalisme en criminaliteit. Zoals de lucratieve, door de Britse geheime dienst opgezette smokkelvloot, bemand door vissers en piraten, die behalve schaarse contrabande als tabak ook spionnen, wapens en valuta vervoerde.
De zieke diva mocht de onschuld zelve lijken – ze breide truitjes voor haar straatkat –, Baker onderhield waardevolle contacten met onder anderen hoge Marokkaanse functionarissen. Via haar ziekbed liepen informatielijnen naar Londen en vandaar naar Washington. Mede dankzij haar relaties met Berberleiders kon Abtey ontsnappen uit een nazi-gevangenis in het Rifgebergte, verkleed als vrouw.
Agent Josephine is in Frankrijk allerminst vergeten. In 2021 werd ze als eerste vrouw van kleur symbolisch herbegraven in het Panthéon in Parijs, waar ze buren werd van Frankrijks fine fleur, onder wie Voltaire, Victor Hugo en Simone Veil. Als Franse dode kun je het vooralsnog niet verder schoppen.
Damien Lewis: Agent Josephine. Uit het Engels vertaald door Marcel Misset. De Boekerij; 475 pagina’s; € 27,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant