Home

Ze vraagt me waar ik over veertien jaar wil zijn. Geen idee, misschien wel hier

Veertien jaar geleden trof ik haar binnen aan. Ze zat op een kruk aan de bar en ik ging naast haar zitten. We hadden elkaar lang niet gezien, dronken bier, bestelden nacho’s en praatten honderduit over muziek en reizen. De barman dacht dat we een stel waren, of deed alsof hij dat dacht. Toen ze opstond om naar het toilet te gaan, legde ze haar hand even op mijn arm. Halverwege de avond liepen we naar buiten om een sigaret te roken en had ik de gelegenheid even naar haar billen te kijken. Goede billen, in een zwarte spijkerbroek. Zelf droeg ik een blauwe spijkerbroek en een wit wollen vest met daaronder een diep V-hals T-shirt (toen kon dat nog). En, in haar woorden, ‘kabouterlaarzen’.

Over de auteur
Julien Althuisius is schrijver en voor de Volkskrant columnist over het dagelijks leven.

We proberen elk jaar op dezelfde datum in hetzelfde café een biertje te drinken. Er zijn jaren dat we het vergeten, omdat er al zoveel is om te onthouden. Maar vandaag zijn we er weer. Als ik aan kom fietsen en haar buiten op het terras zie zitten, moet ik lachen. Niets veranderd, alles veranderd. Nadat ik haar gedag zoen, veegt ze haar gezicht af. ‘Je had snot.’ Ze heeft een kop gemberthee voor zich staan. ‘Ik wilde even wachten met bier totdat jij er was.’ Een jongen met een onherleidbaar accent neemt half in Nederlands, half in Engels onze bestelling op. Ik een tosti, zij een broodje pastrami. En twee bier.

We kijken naar een groep mannen naast ons op het terras. Ze komen uit Engeland, zijn allemaal halverwege de vijftig en maken grappen. We proberen te achterhalen waarom ze hier zijn. Vrijgezellen? Een voetbalwedstrijd? We krijgen ons bier en proosten. ‘Veertien jaar’, zegt ze, terwijl ze haar glas ophoudt, ‘op naar de volgende?’. ‘Nou’, antwoord ik, ‘we kunnen het in ieder geval proberen.’ Pas daarna kom ik er achter dat ze het niet over het volgende jaar had, maar over de volgende veertien. ‘O’, zegt ze, ‘en je begon blijkbaar al te zuchten bij de gedachte aan nog één jaar?’

Dat dit café nog bestaat mag een klein wonder heten; horeca in deze straat wisselt vaker van gezicht dan ik van humeur. De afgelopen veertien jaar werden de buurtbewoners langzaam verdrongen door toeristen en nu teren zaken als deze op eendagsvliegen zonder smaak die je kunt voorschotelen wat je wil en kunt laten betalen wat je wil. De tosti is lauw en het broodje pastrami niet goed afgebakken. Maar goed, het café is er nog. En wij zijn er nog.

Ze vraagt me waar ik over veertien jaar wil zijn. Ik moet er even over nadenken. Geen idee, misschien wel hier. Dan is het tijd om te gaan. Ik laat haar betalen. We nemen afscheid en ik stap weer op mijn fiets. ‘Tot straks.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next