Geen opgerekte suspense, geen opgeklopte dramatiek: De krater is een geslaagd geschenk. Voor zijn 17-jarige verteller heeft Gerwin van der Werf precies de juiste toon gevonden.
is literair recensent voor de Volkskrant. Ze schrijft met name over nieuwe Nederlandse fictie.
Met boeken is het net als met mensen: het moet klikken. Je weet vrijwel meteen of dat het geval is, een speeddate van een paar minuten is genoeg. Vorig jaar hadden de juryleden van de boekenweekgeschenkwedstrijd – uitgeschreven door de CPNB om haar 90ste jubileum te vieren – 149 speeddates met anonieme novellen. In krap anderhalve maand moest de ideale match worden gevonden: het boekenweekgeschenk 2025, dat een zekere literaire klasse moet hebben en aantrekkelijk moet zijn voor een groot publiek. Een enorme klus, maar toch denk ik dat de jury vrij snel door de stapel is gegaan: is er na een paar pagina’s geen klik, dan valt het af.
En inderdaad: het winnende boek, De krater van Gerwin van der Werf, is een innemend verhaal vanaf de eerste pagina. Eerste zin: ‘Het eerste wat Johnny vroeg was hoe dat Duitse stinkgat heette.’ Johnny is de grote broer van Eden en Benjamin, ‘gewoon een twintigjarige dropout die verkeersborden verzamelt’. En hij heeft een auto.
Dat is wat Eden, de verteller van dit verhaal, nodig heeft. Want ze wil met haar broers naar Steinheim – dat Duitse stinkgat dus. Daar is een krater van een ingeslagen meteoriet en Benjamin houdt van alles dat met de ruimte te maken heeft. Eden hoopt dat haar depressieve broertje voor die krater zijn bed uit wil komen. Zijzelf is de middelste, het zusje, al vindt ze het heerlijk als Johnny haar plagerig ‘broer’ noemt. Ze wil geen meisje genoemd worden en ook geen jongen. Non-binair is ook niks. Gewoon Eden – ‘en als je van de trap afvalt dan ben je snel beneden’.
Het is Edens stem die van De krater een fijn boek maakt. Van der Werf heeft de juiste toon gevonden voor deze 17-jarige en dat is knap, want een puber geloofwaardig nabootsen is een hachelijke zaak. Schrijvers die het proberen klinken vaak te kinderachtig of juist veel te wijs en meestal krampachtig ‘cool’, met tenenkrommende straattaal die allang achterhaald is. Het is te merken dat Van der Werf als docent op een middelbare school dagelijks met jongeren omgaat en van hen waarschijnlijk ook heeft geleerd wat cringe is (en dit dus weet te vermijden).
Eden is duidelijk de baas over haar eigen verhaal en vertelt het rechtdoorzee: ‘Ik ben bang dat Benjamin er een keer een eind aan maakt, ik ben bang dat hij dat in zijn hoofd haalt, net als onze vader, maar toen was ik zes en daar weet ik niks meer van. Ik vind dat je deze dingen altijd meteen moet vertellen, dus niet dat je er pas aan het einde van je verhaal ineens mee aan komt zetten: mijn vader is onder een trein gekomen toen ik zes was, en dat was zijn eigen keuze.’
Geen opgerekte suspense, geen opgeklopte dramatiek – Eden vertelt haast terloops over de problemen in haar gezin. Heel in de verte klinkt Holden Caulfield van Salinger.
Dus. Een broer en een zus die hun jongere broertje meeslepen naar een krater waarvan eigenlijk niet eens zo veel meer te zien is. Maar goed, het gaat natuurlijk om de reis, niet om de bestemming. En dwars door alle roadtrip-trammelant – de radio die het niet doet, non-existente airco, een lege tank, smerig vreten in een wegrestaurant, panne – groeien de personages. Stoere Johnny heeft het soms ook lastig, stille Benjamin is sterker dan ze dachten en tobberige Eden beseft dat ze er niet alleen voor staat.
Dat klinkt zo opgesomd heel stichtelijk en braaf – en dat ís het misschien ook wel een beetje. Maar toch, Van der Werf brengt het allemaal subtiel genoeg – net als Johnny’s trauma om die dode vader, de genderkwestie van Eden en de coming-out van Benjamin. De dynamiek tussen de drie maakt dat het niet sentimenteel wordt: goddank gaan ze nooit zitten voor een ‘goed gesprek’, nee, ze staren gewoon uit het raam, vervelen zich, lopen elkaar te sarren en zeggen schijnbaar toevallig af en toe iets raaks.
Net zo goed heeft de auteur zich ingehouden qua ruimte-metaforen. Eenzaam cirkelende manen, planeten zonder dampkring, zuigende zwarte gaten: een matige schrijver zou daarop los zijn gegaan. En ja, die vader heeft met zijn zelfdoding een krater in het gezin geslagen, dat voelen we vanzelf wel, dat hoeft niet opgeschreven te worden. Doet Van der Werf dan ook niet. Klik.
Gerwin van der Werf: De krater. Stichting CPNB; 91 pagina’s; gratis bij besteding van minstens € 15 aan Nederlandstalige boeken tijdens de Boekenweek.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant