‘Het blijft een absurd staaltje, dat cannabisbeleid in Nederland.’ Het is de openingszin van Joost Sneller (D66) in het vragenuur. Je kunt van elke politieke windrichting komen aanwaaien, en je kunt de grammaticale opbouw van Snellers zin ook niet mooi vinden, maar feit is: Nederland heeft een weird cannabisbeleid. Zoals Sneller het samenvat: ‘Coffeeshops mogen wiet en hasj verkopen, maar voor hun inkoop zijn ze afhankelijk van illegale telers.’
Daarom is een tijdje geleden het ‘wietexperiment’ in het leven geroepen, waarover Sneller vragen heeft. Het wietexperiment klinkt als iets wat een groep middelbare scholieren in de fietsenkelder van hun school zou kunnen doen met wiet en oregano, maar het is een officieel experiment waarbij het kabinet kijkt of het mogelijk is om coffeeshops van legaal gekweekte cannabis te voorzien. Vier jaar lang mogen tien telers legaal cannabis produceren.
Het wietexperiment komt echter niet echt lekker van de grond, en daarom heeft Sneller er zorgen over. Hij verwoordt zijn zorg als een aanname: ‘Ik neem aan dat het kabinet van dit experiment een succes wil maken.’
Staatssecretaris Ingrid Coenradi (PVV): ‘Ja, daar willen we nog steeds een succes van maken.’
Wat volgt is een serieuze, enigszins wonderlijke discussie tussen Sneller en Coenradi – wonderlijk omdat de politici om de beurt hun zorgen uitspreken dat coffeeshops met ‘lege schappen’ zitten, monter zijn over ‘enorme voorraden’ bij de telers, en zorgen uiten over telers die ‘geen hasj’ maken.
Aaf Brandt Corstius doet eens per week op geheel eigen wijze verslag van een debat in politiek Den Haag.
Het blijft onwerkelijk om keurige politici gepassioneerd met elkaar te horen praten over de vraag of er wel een goeie voorraad hasj voorhanden is. Don Ceder (CU) heeft hetzelfde gevoel, maar hij is dan ook tegen ruimere regels: ‘Ik stond een beetje met mijn oren te klapperen toen onze D66-collega de staatssecretaris toesprak als een soort volleerde drugsdealer.’ Ook Harmen Krul van het CDA vindt het een beetje surrealistisch. ‘Wie had, pak ’m beet, dertig jaar geleden gedacht dat een vraag als ‘hoeveel kilo’s hasj worden er nou eigenlijk geproduceerd?’ ooit nog in de Handelingen terecht zouden komen?’, vraagt hij.
Hierna volgt een vraag van Habtamu de Hoop (GL/PvdA) over pandjesbazen die tegen woekerprijzen krottige woningen verhuren. Zijn vragen worden beantwoord door Mona Keijzer (BBB), de minister van Volkshuisvesting, die De Hoop op een gegeven moment trouwens aanspreekt als ‘Meneer Habtamu.’
Keijzer lijkt sowieso afgeleid of moe – haar antwoorden hebben veel weg van een AI-gestuurd programma dat op vlakke toon voordraagt. Ze benadrukt steeds dat er ook heel veel eerlijke verhuurders zijn. En dat verwoordt ze nogal vreemd, waardoor het nog meer lijkt alsof haar teksten zijn geschreven door een computer: ‘Vele verhuurders geven een dak boven het hoofd van andere mensen vorm en inhoud.’
Dat is wel een uiterst omslachtige manier om te zeggen: ‘Vele verhuurders verhuren huizen.’
Bovendien gáát De Hoops vraag niet over eerlijke verhuurders. Hij heeft het over oneerlijke verhuurders, die deze week in het nieuws kwamen: pandjesbazen, huisjesmelkers, types die hun huurders in een huis vol schimmel en met rottende kozijnen laten wonen, tegen te hoge prijzen. Maar daar komt Mona Keijzer alweer: ‘Het is toch wel heel goed om te benadrukken dat de meeste verhuurders beroepseer hebben.’
Keijzer blijft er maar op wijzen dat verhuurders vaak deugen, totdat Merlien Welzijn (NSC) haar uitlegt hoe mal dat is. ‘De meeste mensen worden niet vermoord en de meeste mensen worden niet beroofd’, legt Welzijn uit aan Keijzer, ‘Maar als je vermoord of beroofd wordt, dan hoop je dat de focus naar het slachtoffer gaat. Ik zou dus ook graag willen horen van de minister, ondanks dat er zo veel verhuurders zijn die het goed doen, wat zij vindt van het feit dat er zo veel huurders slachtoffer zijn van verhuurders die zich misdragen.’
Maar kort hierna komt Mona Keijzer alweer met zo’n fascinerende constatering – fascinerend omdat hij zo ongelofelijk vanzelfsprekend is: ‘Zonder een verhuurder heeft een huurder geen huis om te huren en zonder huurder heeft een verhuurder niemand die de huurpenningen betaalt.’ En ook deze wijsheid komt in de Handelingen.
Source: Volkskrant