Na anderhalf jaar oorlog likt Libanon de wonden: de schade door de strijd tussen Israël en Hezbollah is immens. Vooral in Zuid-Libanon, maar correspondent Jenne Jan Holtland en fotograaf Daniel Carde zien de inwoners terugkeren. ‘Ons dorp wordt mooier dan het was.’
Door Jenne Jan Holtland
Oorlogen zijn indringers. Ze laten sporen na. De 54-jarige Zainab kan erover meepraten. In haar keuken hoeft ze maar een houten kastje te openen om de sporen van de oorlog met buurland Israël terug te vinden. Wacht, ze laat het zien. De Libanese bukt zich en haalt een doos tevoorschijn met zakjes kant-en-klare kippensoep van de firma Knorr. Er staan teksten op in het Hebreeuws. Dit was het proviand van de vijand.
Zainab – hakken, stijlvolle hoofddoek – kan erom lachen. ‘Lekker toch? Ik ga dit opeten hoor.’ Haar zoon Abdo (32) is doorgelopen om de rest van het ouderlijk huis te laten zien. Uit veiligheidsoverwegingen wil moeder noch zoon met achternaam in de krant. Hoelang de Israëlische militairen hier precies hebben gezeten, is onduidelijk. Met een explosief wisten ze de voordeur te forceren. Op de muren hebben ze raadselachtige leuzen (‘Team neushoorn’) gekalkt. In het trappenhuis ligt een deels verbrande Koran. De wc zat volgens de familie vol vuilniszakken met stront.
In het huis van Zainab en haar zoon Abdo in Khiam hebben Israëlische soldaten leuzen gekalkt.
In hun dorp Khiam, vijf kilometer van de grens met Israël, is het alsof de oorlog tussen de militante beweging Hezbollah en het Israëlische leger gisteren is geëindigd. Geraamten van huizen liggen te stomen in het stof. Een enkele dorpeling die door de straten dwaalt, is er puur om de schade op te nemen, of om de anderen een hart onder de riem te steken. Omdat de stroom- en watertoevoer kapotgeschoten zijn, durft niemand het aan hier te overnachten. Sommigen slapen bij familie, anderen in tijdelijke huurwoningen.
Zainab wijst vanaf haar balkon naar een strookje rulle aarde. Ooit stonden daar de olijfbomen van haar familie, geplant door haar overgrootvader. Israëlische tanks hebben de gaard verwoest. ‘Eigenlijk vind ik dat het ergst’, zegt ze somber. ‘Een huis renoveer je in zes maanden of een jaar. Een olijfboom heeft dertig jaar nodig.’
Libanon likt de wonden na een verwoestende oorlog (ruim vierduizend doden) die een kleine anderhalf jaar heeft geduurd. Het begon zo overzichtelijk: de militante beweging Hezbollah schoot de Palestijnen te hulp na de terreuraanval van Hamas op 7 oktober 2023, en opende middels het afvuren van raketten een ‘steunfront’. Geen bestand in Gaza, herhaalde Hezbollah-leider Hassan Nasrallah maandenlang, betekende geen bestand in Libanon.
Die koppeling klonk logisch, maar bleek een strategische misser van jewelste. Israël antwoordde met grote militaire overmacht, schakelde duizenden Hezbollah-strijders uit, bracht met de pieperaanval een psychologische klap toe en doodde uiteindelijk ook Nasrallah.
In het hele land is de schade immens. Naar schatting 100 duizend woningen liggen in puin. Voor de wederopbouw, raamde de Wereldbank eind vorig jaar, is minstens 2,6 miljard euro nodig – geld dat het failliete Libanon niet heeft. Bovendien ging het om een voorlopige schatting; de voorbije maanden zijn er met name in de grensdorpen nog veel meer huizen verwoest.
Beschadigde of verwoeste gebouwen
Universiteit van Oregon / OpenStreetMap Contributers / Microsoft
Het Israëlische leger houdt in de tussentijd vijf à zes kleine, Libanese grensgebieden bezet, een schending van het bestand uit november, en lijkt niet van plan te vertrekken. De drones zijn er ook nog. Vrijwel dagelijks schieten ze met scherp, soms op personenauto’s, soms op veronderstelde wapentransporten van Hezbollah.
En toch: op een dag is de oorlog voorbij. Wie betaalt de rekening? Hezbollah en bondgenoot Iran, van oudsher de steunpilaren van het zuiden, staan er ronduit beroerd voor. Ze hebben enkele honderden miljoenen uitgedeeld voor opknapbeurten en huurcompensatie, maar voor grootschalige wederopbouw is het bij lange na niet genoeg.
Aantal
40
150
400
Bron: Acled
Voorheen liep Hezbollah’s aanvoerlijn voor geld en wapens via Syrië, maar nu bondgenoot en dictator Bashar al-Assad daar verdreven is, zit die route op slot. Sinds de totstandkoming van het bestand met Israël, eind november, staat Libanon bovendien onder een soort Amerikaans-Franse curatele, met als gevolg dat Iran zich in bochten moet wringen om überhaupt geld bij zijn sjiitische broeders te krijgen.
Bancair verkeer is door sancties (Hezbollah staat in Europa en de Verenigde Staten op de terreurlijst) onmogelijk, en vluchten vanuit Teheran worden door de nieuwe Libanese regering tegengehouden. Afgelopen weekeinde werd een man op het vliegveld van de hoofdstad Beiroet betrapt met 2,5 miljoen dollar in zijn koffer. Hij was uit Turkije gekomen, maar het geld was vermoedelijk Iraans.
Geen probleem, denken veel dorpelingen in Zuid-Libanon. De meesten gaan ervan uit dat de rijke Golfstaten onder leiding van Saoedi-Arabië uiteindelijk met miljarden over de brug zullen komen. Na de vorige oorlog in 2006 financierde Qatar de wederopbouw van Khiam. Saoedi-Arabië deed dat in tientallen andere dorpen.
Maar zo’n quick fix kunnen de Libanezen dit keer vergeten. Anders dan zijn vader vroeger geeft de Saoedische kroonprins Mohammed Bin Salman geen cadeautjes weg. ‘Hij wil er echt iets voor terug’, denkt Nizar Ghanem, onderzoeksdirecteur van het Libanese adviesbureau Triangle. ‘Ik denk dat de Saoediërs het vooruitzicht van wederopbouw gaan inzetten als politiek instrument. Het is een wortel die ze Hezbollah voor kunnen houden, met als boodschap: als jullie je gedragen, is dit de beloning.’
Hoe dat er uitziet, een Hezbollah dat zich ‘gedraagt’, is een groot vraagteken. Het begint er al mee dat je niet zomaar ziet wie vecht en wie niet: mannen die doordeweeks als apotheker werken, kunnen zich in oorlogstijd ontpoppen als strijder. In Khiam is de gele partijvlag links en rechts als een satéprikker in het puin geplant. Op verkruimelde muurtjes duiken leuzen op. Deze bijvoorbeeld, in bloedrood schoonschrift: ‘We zullen onze wapens niet opgeven.’
Israël zegt 80 procent van Hezbollahs rakettenarsenaal te hebben vernietigd, een bewering die niet te verifiëren valt. Gesteld dat het klopt, wat gebeurt er dan met de rest? De nieuwe Libanese president, Joseph Aoun, vindt dat het Libanese leger zoals ieder leger ter wereld een monopolie op geweld moet hebben. Maar ook hij weet dat een eventuele ontwapening van Hezbollah riskant is en kan ontaarden in een burgeroorlog. Zoals Zainab het stoer verwoordt: ‘Hezbollah, dat zijn wij, het volk.’
Voor de oudsten in Khiam was dit de derde of vierde oorlog in hun leven. De moskee ligt voor de derde maal in puin, en niemand kan garanderen dat dit de laatste keer was. Toch twijfelt niemand aan het nut van wederopbouw. ‘Het dorp wordt mooier dan het was’, glimlacht een buurvrouw.
‘Eigenlijk is het een raadsel’, aldus antropoloog Iman Ali van de Amerikaanse Cornell University aan de telefoon. Ze doet promotieonderzoek in dezelfde streek. ‘Waarom zou je investeren als je huis wellicht opnieuw verwoest gaat worden? Als ik dat aan dorpelingen vraag, zeggen ze: wat moeten we dan? Dan zijn onze martelaren voor niets gestorven. Voor hen is wederopbouw een vorm van verzet.’
Rijd je noordwaarts de vallei in, voorbij velden met bloeiende klaprozen, dan kom je ook andere sentimenten tegen. Libanon is een mozaïek van religieuze groepen, en veel van die groepen moeten niks van Hezbollah weten. Neem het christelijk-Druzische dorp Ebl el Saqi dat nagenoeg ongeschonden uit de oorlog is gekomen. Hezbollah vertoonde zich er niet, Israël viel het nooit aan. Vrijwel alle gevluchte dorpelingen zijn inmiddels teruggekeerd.
De 67-jarige Afaf (‘geen achternaam’) staat deze ochtend haar potplanten water te geven. Ze is vol lof over een groep gewapende mannen. Niet Hezbollah, dat moge duidelijk zijn, maar VN-vredesmacht Unifil dat hier sinds decennia patrouilleert. Haar zoon werkt als tolk voor de blauwhelmen. Bij Afaf in de straat heeft een Indiaas Unifil-bataljon een aangeharkt plantsoen (‘Mahatma Gandhi-park’) aan laten leggen.
Toch laten ook de gevolgen van de oorlog zich hier voelen. Vanwege de Israëlische drones boven hun hoofden, durven boeren niet naar hun land, zegt Suleyman Hassan Koubar (80), die als stamhoofd namens de dorpelingen spreekt. Op zijn eigen halve hectare met olijf- en pijnbomen heeft hij twee jaar op rij niet kunnen oogsten. ‘We leven al ons hele leven in oorlogen.’ De oplossing? Als het aan hem ligt, gaat Hezbollah volledig op in het nationale leger.
Suleyman Hassan Koubar in zijn huis in het christelijk-Druzische dorp Ebl el Saqi.
Voorlopig is dat wensdenken. Sowieso durven de meeste Libanezen nog niet naar de verre toekomst te kijken. Wie denkt dat de verwoesting in Khiam groot is, kan het best een stukje doorrijden richting de grens. Pal naast de zogeheten ‘blauwe lijn’ (de internationaal gehanteerde grens met Israël) ligt, of eigenlijk lág het dorp Kfar Kila. Er is niets van over, anders dan een landschap van gruis, glas en geknakte dromen.
‘Het is hier een soort Stalingrad’, oordeelt Mohammed Faris, de 43-jarige eigenaar van wat ooit een bouwbedrijf was. Het grootste deel van de verwoesting werd ironisch genoeg niet tijdens de luchtoorlog aangericht, maar tijdens het formele staakt-het-vuren (27 november tot 18 februari) dat daarop volgde, toen Israëlische bataljons systematisch huizen opbliezen. Men wil niet dat Hezbollah Kfar Kila ooit nog als uitvalsbasis gebruikt.
De boomlange Faris maakt een lusteloos rondje over zijn boerderij. Hij hield vroeger duiven, kippen, schapen en honderden bijen in aparte honingraten. ‘Allemaal weg. Gestorven bij de bombardementen, of door honger, ik weet het niet.’ Overnachten doet hij niet hier, maar een half uur verderop in de stad Nabatieh. Zijn aanwezigheid vandaag is puur om te voorkomen dat het erger wordt, vertelt hij, terwijl achter hem een pick-up door de straten scheurt. ‘Er zijn dieven actief. Ik wil niet dat ze mijn terrein komen leegroven.’
Mohammed Faris komt kijken in wat over is van zijn bouwbedrijf en zijn honingraten.
Tijd om polshoogte te nemen bij de grensmuur, enkele minuten verderop. Achter de muur zijn silhouetten te zien, vermoedelijk Israëlische soldaten die op de uitkijk staan. Niet dat Oday Sheet (28) zich daar iets van aantrekt als hij komt aanrijden in zijn Opel Combo 1700. De achterkleppen zwaaien open, een volledig uitgeruste Pavoni-koffiemachine wordt zichtbaar. Sheet lacht breeduit, en begint espresso’s te maken voor zijn dorpsgenoten. De oorlog kostte twee van zijn neven, beide Hezbollah-strijders, hun leven. Nu komt hij hier dagelijks, een steenworp afstand van zijn verwoeste huis, om te laten zien dat Kfar Kila zich niet gewonnen geeft.
‘Dit is ons land, onze aarde’, valt zijn maatje Hussein Jumaa (22) hem bij. ‘Al onze jeugdherinneringen liggen hier.’ Ondanks de verwoestingen is Jumaa van plan om binnenkort in Kfar Kila te komen slapen. In een tent, welteverstaan. ‘Ik heb er al eentje besteld.’
Een jongen zwaait met de gele Hezbollah-vlag op de ruïnes van een huis in Kfar Kila. Zijn moeder maakt een foto. Israëlische soldaten zullen kort daarop enkele schoten richting de jongen lossen.
Iedereen schrikt als er plots schoten klinken. Een scholier is verderop met een Hezbollah-vlag op het puin geklommen, een brutale zet die de Israëliërs aan de andere kant van de grens niet bevalt. Hij haast zich naar beneden. In een oogwenk heeft Sheet zijn geïmproviseerde koffiezaak gesloten. Hij stapt weer in de Opel Combo, het is tijd om het dorp te verlaten. Morgen probeert hij het opnieuw.
Met medewerking van Pieter Sabel.
Na een halve eeuw dictatuur en bijna veertien jaar oorlog werd Syrië in december bevrijd. De Volkskrant volgt Akram en zijn moeder Mariam op hun reis naar het thuis dat ze aan het begin van de oorlog moesten ontvluchten. ‘We moeten leren ons weer mens te voelen. Assad heeft onze zielen verbrijzeld.’
Regisseur Frank Scheffer volgt in Half Moon componist Kinan Azmeh kriskras over de wereld, van Amerika tot Libanon. De documentaire biedt een gelaagd, maar ook wat vluchtig portret van de Syriër.
Source: Volkskrant