Als ik zeg dat hij in de steek is gelaten, en ronduit vernederd, terwijl hij als een leeuw heeft gevochten, dan weet u dat ik het over Émile Zola heb.
Deze week stond overduidelijk, hier tenminste, in het teken van zijn vernedering op het wereldtoneel. Mijn vriendin Jet leest momenteel L’Oeuvre, nou ja, Het meesterwerk, zoals Zola’s roman in vertaling heet, en als ik haar zo nu en dan pols – om de paar bladzijden, te vaak, vindt ze – kan Het meesterwerk gaan uitpakken zijnde een meesterwerk.
Wel lef, trouwens, je roman ‘Het meesterwerk’ noemen. Zou ik niet zo snel doen, denk ik. Al vraag ik me af of L’Oeuvre wel ‘het meesterwerk’ betekent. Ik ben hier op mijn hoede. Zelf heb ik van de week Germinal gelezen, vertaald als De mijn – een heel andere titel, kwam ik achter. Ik heb een halve eeuw gedacht dat ‘germinal’ ‘mijn’ betekende. Blijkt niet het geval. ‘Germinal’ betekent bloei, ontkieming, lente, bloemetjes. ‘Wat een diepe germinal heeft u hier’, had ik kunnen zeggen, of erger, tegen een Franse soldaat: ‘Jean, pas op, je gaat op een germinal staan.’
Allemaal niet gebeurd. Wat zeg ik, de gehele Germinal zelf was bijna niet gebeurd, ik heb 34 jaar tegen Zola’s beroemdste boek aangehikt, ik zag het boek vaak in mijn kast staan, en dan dacht ik: ach, Zola, tja, is dat wel iets? Ik wist natuurlijk af van zijn Les Rougon-Macquart-serie, de twintig romans die hij tussen 1870 en 1893 heeft geschreven volgens zijn eigen naturalistische uitgangspunten, maar die boeken waren in Nederland stiefmoederlijk uitgegeven, vaak in ingekorte, slordige vertalingen, met zwoele omslagen en titels als ‘Vluchtige liefde’, ‘Van roes en zege’, en ‘Het geluk der dames’. Is het geen pulp, dacht ik dan – te snel gemaakt, te programmatisch? Wie weet was dat naturalisme van hem een achterhaald theorietje om je personages pseudowetenschappelijk mee de afgrond in te duwen.
Op al deze kritische, wantrouwige vragen over Émile Zola, luidt het antwoord: nee. Helemaal niet zelfs. Germinal hoort bij de beste boeken die ik ooit heb gelezen. Het is mijn favoriete 19de-eeuwse roman. Toch heeft het boek niet echt die status. Er is een site op internet waar ze alle rankings bij elkaar hebben geveegd in één lijst, The Greatest Books of All Time heet die, ik keek er graag op, tot ik ontdekte dat De mijn pas genoteerd staat op nummer 386.
Schandalig laag. Zeker als je ziet wat er zoal tussen de eerste vijftig staat. Kan ik slecht verdragen. Maar ja, zo werkt literatuur. Niemand leest alles, niks wordt echt goed met elkaar vergeleken. Dat is een nadeel van lezen, het duurt te lang om een overzicht te krijgen. Of The Beatles echt deugen, of Bach, kun je in een week te weten komen, desnoods in een dag. Over Les Rougon-Macquart doe je wel een paar jaar – zeker omdat je voor de helft van die boeken eerst Frans zult moeten leren. En dan ken je alleen nog maar Zola.
Germinal (386) is aanmerkelijk beter dan Anna Karenina (9), om een voorbeeld te noemen. Origineler, preciezer, spannender. Er komt niet één diner met ontvangst voor in De mijn, zoals in (bijna) alle andere 19de-eeuwse romans. In plaats ervan beschrijft Zola die mijn op virtuoze wijze. Vergeet je nooit meer. Het is adembenemend en claustrofobisch, en uitermate geloofwaardig, wat hij ondergronds laat gebeuren – als in een film. Maar die waren er toen nog niet. Zeshonderd meter onder de grond, de gangen, de kolenlagen, de kooien waarin de mijnwerkers afdalen, het is allemaal even schitterend beschreven. En toch nog sta je vooral versteld van de mijnwerkers zelf, van de lui die erin gaan, hoe Zola die figuren tot leven heeft gewekt. Ook daarin overtreft hij Tolstoj.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns