Hella de Koster-Hincha is 100 jaar. Hoe kijkt deze strijdbare vrouw terug op de eeuw die achter haar ligt?
Hella de Koster-Hincha kijkt bedrukt. De 100-jarige heeft helemaal geen zin in een interview, vooral niet om het verleden op te rakelen. Na wat small talk draait ze gelukkig bij, want ze heeft een boeiend levensverhaal te vertellen. De Zeeuwse groeide op in Duitsland, verloor jong haar moeder en bood klein verzet tegen de nazi’s, met grote gevolgen. Door een bijzonder toeval kwam ze na afloop van de oorlog in Zeeuws-Vlaanderen terecht, waar ze niet bepaald hartelijk werd ontvangen, maar nooit meer is weggegaan.
Hoe kijkt u terug op uw jeugd?
‘Ik was sportief, niet bang, en dwars. In de nazitijd pleegde ik licht verzet.
‘Ik had een heel goede moeder. Ze was coupeuse. Als ze achter de trapnaaimachine aan het werk was, zat ik graag aan haar voeten. Dan raapte ik de restjes stof bij elkaar en deed net alsof ik daar poppenkleertjes van maakte.
‘We hadden het goed. Zondags was er altijd taart – in de zomer met vers fruit, in de winter met rozijnen – en kwam familie op bezoek. Mijn vader werkte bij de Kamer van Koophandel. We woonden in het huis van mijn oma in Kray, een dorp dat later door de stad Essen is opgeslokt. Oma woonde beneden. In de grote tuin, deels siertuin, deels moestuin, stond een boom met Holunderbeere, hoe zeg je dat ook alweer in het Nederlands? Vlierbessen, ja.
‘Mijn moeder stierf vlak voor mijn 10de verjaardag. Ze had iets aan haar nieren. Twee jaar later hertrouwde mijn vader met een vrouw met wie mijn moeder in het ziekenhuis op een kamer had gelegen. Ik noemde haar tante Elize. Ze zei: ‘Ik ben je tante niet, ik ben je moeder.’ Zo moest ik haar ook noemen. Dat was mij tegen het zere been. Ze was zo’n stiefmoeder uit sprookjes; ze was lui en liet mij bijna al het huishoudelijke werk doen. Zelf zat ze de hele dag te haken en breien, en chocola te eten – mijn zusje Hannelore en ik kregen niks.’
Nam uw vader het voor u op?
‘Oh nee, hij was niet tegen haar opgewassen. Ik kon wel bij mijn oma terecht. Zij deed haar mondje open als mijn stiefmoeder ons niet goed behandelde. Dat kon tante Elize niet verdragen en binnen een jaar na haar komst zijn we verhuisd. Na de middelbare school ging ik naar de hotelschool, waar ik leerde koken. Ik woonde er intern en werkte in een hotel. Geregeld kreeg ik een telefoontje dat mijn stiefmoeder zich niet goed voelde en ik moest komen koken. Dan ging ik, maar bleek ze niets te mankeren.’
Wat veranderde er voor u toen Adolf Hitler in 1933 aan de macht kwam?
‘Je moest allerlei dingen doen die de nazi’s wilden. Mijn ouders waren heel boos omdat we onze achternaam moesten veranderen. Hyncha moest Hincha worden, omdat de nazi’s Hyncha er Joods vonden uitzien. Mijn voorouders komen uit Oost-Pruisen, wat nu Polen is.
‘In 1933 zat ik op de lagere school, alle leerlingen moesten ineens een uniform dragen, de jongens een zwarte broek met een bruin hemd, de meisjes een blauwe rok met een witte blouse. Onder de nazi’s werd het godsdienstonderwijs afgeschaft en nooit zal ik vergeten dat ik onderweg naar school een synagoge in vuur en vlam zag staan.’
U vertelde dat u licht verzet pleegde.
‘De witte blouse liet ik vies worden en ik waste die niet – ik werd uitgemaakt voor slons. Ik weigerde mij aan te sluiten bij de Hitlerjugend, die een aparte afdeling had voor meisjes. In het begin van de oorlog werkte ik in een hotel. In 1943 bombardeerden de Britten de stuwdam en de elektriciteitscentrale vlakbij. In de watervloed die daardoor ontstond, werd het hotel meegesleurd, dus moest ik ander werk zoeken. Het arbeidsbureau stuurde mij op bevel van de nazi’s naar de firma Krupp in Essen.
Ik vond het heel erg dat ik in een wapenfabriek moest werken, op de afdeling waar de nieuwste tank werd gebouwd, de Tiger. Mijn taak was een kraan bedienen die via een rails onderdelen bij elkaar bracht. Bij een luchtalarm rende iedereen naar de schuilkelder. Ik besloot op dat moment als sabotage de kraan te laten lopen – hij botste tegen de muur en het werd een bende. Ik wist dat het niet goed was en besloot onder te duiken bij mijn oma, net buiten de stad.
‘Een paar weken later deed ik iets stoms. Ik had nieuwe schoenen nodig, die waren op de bon, dus ging ik naar het distributiekantoor om er een te vragen. Daar bleek mijn naam geregistreerd te staan, ik werd gevangen gezet en moest voor de rechter verschijnen, die zei: ‘Je wordt ergens naartoe gestuurd waar je niet wilt zijn.’ Het bleek een werkkamp voor Duitse vrouwen. Daar heb ik tot het einde van de oorlog zwaar werk moeten doen, met emmers zand sjouwen voor de aanleg van een betonnen vloer voor de bouw van de V1, een vliegende bom.
‘De bewakers waren allemaal mannen. Een ging voor mij staan en begon te praten, ik was bang voor hem en zette een stap achteruit, en nog een en nog een, totdat ik tegen een gloeiend heet vat met vuur aanliep. Ik had een grote brandwond op mijn linker scheenbeen, maar er werd niks aan gedaan.’
Hoe herinnert u zich het einde van de oorlog?
‘Het kamp werd bevrijd door de Amerikanen, die ons naar een krijgsgevangenenkamp in Lippstadt brachten. In dat kamp heeft een Franse arts mijn brandwond behandeld. Op een avond ging ik naar een sportveld om te sporten. Adri was daar ook. We herkenden elkaar meteen van het hotel waar ik had gewerkt. Hij was een Nederlandse dwangarbeider uit de buurt die ik weleens eten had gegeven. In Lippstadt werden we op slag verliefd, we trouwden op 7 mei 1945, zodat ik met hem mee naar Nederland kon, naar Terneuzen. In ons trouwboekje staat een stempel met een hakenkruis.
Hoe bouwde u een nieuw leven op in Nederland?
‘Adri’s ouders ontvingen mij goed. Alleen opoe, die aan de overkant woonde, deed bij de kennismaking haar handen achter haar rug. Later trok ze bij. De politie kwam langs en gaf mij huisarrest, voor mijn eigen veiligheid, werd gezegd. Had ik zo lang vastgezeten in de oorlog, werd ik weer opgesloten. Algauw kwam ik erachter dat ik zwanger was. De huisarts was een Joodse man, ik dacht dat hij mij niet zou willen helpen, maar hij was heel aardig en kreeg het voor elkaar dat ik vanwege mijn zwangerschap in de avond twee uur naar buiten mocht met mijn man. Ons eerste kindje stierf na tien dagen. Hij zag er niet normaal uit en kon niet drinken. Volgens de huisarts kwam dat omdat ik ondervoed was geweest in de oorlog.’
Bent u uiteindelijk geaccepteerd?
‘Op de dag dat koningin Wilhelmina jarig was, op 31 augustus, versierde iedereen in de buurt zijn huis. Ik maakte guirlandes van zijdepapier en een groot bord van karton met daarop: ‘Leve de koningin!’ Het buurtcomité gaf een prijs aan het mooist versierde huis. Die kreeg ik. Zo zachtjesaan werd ik geaccepteerd.
‘We kregen nog twee kinderen. Ik ben al snel gaan werken, eerst in de avond in een hotel, daarna overdag bij de Meterfabriek in Dordrecht, stofzuigers in elkaar zetten en de zuigkracht en het stroomverbruik controleren. Voor mij was een werkende moeder heel gewoon, maar ik kreeg veel commentaar. ‘Welke vrouw gaat werken als ze getrouwd is?’, vroeg mijn schoonzus. ‘Ik, dat zie je’, antwoordde ik.
‘Ik werd lid van de vakbond FNV en voorzitter van de ondernemingsraad. In de jaren zestig heb ik gevochten voor gelijke beloning voor vrouwen die hetzelfde werk deden als mannen. Vrouwen in de fabriek kregen een derde minder betaald! In een gesprek met de directeur vroeg ik hem een goede reden te geven. ‘Een keer per maand voelen de dames zich niet zo lekker en zijn dan minder actief’, zei hij. ‘Vergeet de mannen niet’, zie ik, ‘op maandag presteren zij matig omdat ze het de vorige avond op een zuipen hebben gezet na een voetbalwedstrijd.’ Ik overtuigde de directeur om de lonen gelijker te trekken.
‘Ik werd de eerste vrouw in de Bondsraad van de FNV. Stond ik daar tussen al die mannen bij een vergadering in het Kurhaus in Den Haag. Kwam er een op mij af en vroeg: ‘Vindt je man dat wel goed, een vrouw met ruwe handen?’ Antwoordde ik: ‘Vindt uw vrouw het wel goed, een man met ruwe handen?’ Toen was het stil.
‘Namens de werknemers zat ik in de ontslagcommissie van de gemeente Terneuzen, met een vertegenwoordiger van de werkgevers en de gemeentesecretaris. Mensen die het niet eens waren met hun ontslag, konden bij ons bezwaar maken. Wij toetsten of het ontslag juridisch klopte en redelijk was. In die functie heb ik veel mensen gered, zoals Ko. Hij werkte bij een bakker en omdat hij mindervalide was, kreeg zijn baas een toelage van de overheid. Toen die toelage stopte, werd hij ontslagen. Ik betoogde dat het onlogisch was dat hij wel functioneerde zolang zijn werkgever een toelage kreeg, maar na de afschaffing ineens niet meer. Ko behield zijn baan.’
Dus ik zit hier tegenover een moedige, strijdlustige vrouw.
‘Ik kon goed mijn mondje roeren en heb veel bereikt in ons bedrijf en voor ontslagen werknemers. Ik kan niet tegen onrecht – daar heb ik te veel van meegemaakt onder de nazi’s.’
geboren: 29 januari 1925 in Kray, Duitsland
woont: in een woonzorgcentrum in Sas van Gent
familie: drie kinderen (twee overleden),
beroep: kok, fabrieksarbeider, vakbondsvrouw
weduwe sinds 1991
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant