Home

Nu de dictator verjaagd is en Syrië bevrijd, keert Akram terug naar huis

Of wat daarvan over is

Na een halve eeuw dictatuur en bijna veertien jaar oorlog werd Syrië in december bevrijd. De Volkskrant volgt Akram en zijn moeder Mariam op hun reis naar het thuis dat ze aan het begin van de oorlog moesten ontvluchten. ‘We moeten leren ons weer mens te voelen. Assad heeft onze zielen verbrijzeld.’

Door Marjolein van de Water

Fotografie Daniel Rosenthal

Zondag

Als het refrein door de speakers schalt, zingt bijna iedereen in het Syrische grenskantoor mee. De mannen die op slippers staan te wachten tot hun paspoort wordt gestempeld, de grenswachten met hun geweren nonchalant aan de heup, de vrouwen die hun rondrennende kinderen met hun ogen volgen. ‘Syrië, mijn liefste’, klinkt het in koor. ‘We zijn nu allemaal vrij.’

Ook de Syrische Nederlander Akram Aljnidi (24) zingt zachtjes mee: ‘Syrië mijn liefste, de revolutie is voltooid.’ Veertien jaar geleden stond hij ook hier op de grens tussen Syrië en Jordanië. Toen als 10-jarig jongetje, met zijn ouders op de vlucht voor dictator Bashar al-Assad. Inmiddels is Akram in Nederland volwassen geworden, maar zijn vaderland heeft hem nooit losgelaten.

‘Dit strijdlied was verboden onder Assad’, vertelt hij. ‘In Nederland heb ik het ontelbaar vaak geluisterd.’ Fietsend naar school, op zijn koptelefoon in de trein, keihard uit de speakers van zijn eerste auto. ‘Deze muziek hield mijn hoop levend dat ik ooit terug zou kunnen naar Syrië.’ Hij lacht: ‘Het is niet te bevatten dat het nu hier aan de grens wordt gedraaid.’

Na een dictatuur van ruim een halve eeuw en een oorlog van bijna veertien jaar is Syrië in december door het rebellenleger bevrijd. Twee weken later, in de kerstvakantie, ging Akram er met zijn vader heen. Eind januari staat hij opnieuw op de grens, nu met zijn moeder Mariam (51), die voor het eerst sinds hun vlucht weer voet zet op Syrische bodem. De Volkskrant reist met hen mee.

Akrams vader laadt de koffer van zijn vrouw Mariam in het busje.

Zakaria, Akrams oom, zwaait hen uit op de luchthaven.

Terug naar Syrië, familie bezoeken, kijken of je huis er nog staat. Tot december vorig jaar konden de 166 duizend Syriërs die in Nederland wonen er hooguit van dromen. Nu Assad is gevallen, vragen veel van hen zich af waar hun toekomst ligt. In het steeds xenofober wordende Nederland, waar hun kinderen deels zijn geworteld? Of in Syrië, waar de toekomst uiterst onzeker is maar ze niet als vreemdeling worden behandeld?

Ten tijde van de bevrijding was Akram hier op TikTok heel stellig over. ‘We gaan allemaal terug, dan zijn jullie van ons af’, zei hij in een video die ruim een half miljoen keer is bekeken. ‘Wilders, je hoeft geen propaganda meer te maken, we vertrekken uit onszelf.’ De video werd gretig gedeeld in rechtse kringen, maar leverde ook kritiek op. Veel Syriërs vonden dat Akram niet het recht had namens de hele gemeenschap te spreken.

Akram voelt zich meer Syriër dan Nederlander en zodra hij over anderhalf jaar is afgestudeerd, wil hij definitief naar Syrië verhuizen: ‘Wie gaat anders ons land opbouwen?’ Maar reizend door zijn geboorteland komt hij erachter hoezeer ook Nederland hem heeft gevormd. Ontmoetingen onderweg laten hem bovendien zien dat de discussie over terugkeer veel meer grijstinten heeft dan in een TikTokvideo zijn te vatten.

Bij de grensovergang wijst Akram op een wit pand. ‘Kijk mama, weet je nog?’ Een schok van herinnering trekt door Mariam. ‘Hoe zou ik het kunnen vergeten. Ik heb hier de angstigste uren uit mijn leven beleefd.’ Moeder en zoon kijken even zwijgend naar het gebouw dat nu dienstdoet als douanekantoor. ‘Wil je uitstappen?’, vraagt Akram. Mariam schudt het hoofd.

Akram en zijn moeder Mariam in de taxi op weg naar de Syrische grens.

‘In dit gebouw is mijn man destijds urenlang ondervraagd’, vertelt ze, zoekend naar Nederlandse woorden voor emoties die in haar moedertaal al nauwelijks te beschrijven zijn. Met zes huilende kinderen zat ze in de auto, haar gehandicapte oudste was 13, de jongste was drie maanden. ‘Wat moest ik beginnen als ze hem niet vrij zouden laten? Ik kon niet eens autorijden.’

Het was 2011, in Syrië gingen mensen massaal de straat op om hervormingen te eisen. Ook Akrams vader, een islamwetenschapper, had deelgenomen aan die protesten. Hoewel hij geen leidersrol had, stond zijn naam al snel prominent op uitgelekte arrestatielijsten. Naar de reden was het gissen, maar dat hij in Assads martelkamers kon belanden was duidelijk.

Waarom ze hem aan de grens lieten gaan is nog altijd een raadsel. ‘Misschien was de dienstdoende beambte in een goed humeur’, oppert Akram. Ze mochten naar Jordanië en reisden van daaruit door naar Caïro. Maar na de staatsgreep van Abdul Fatah al-Sisi in 2013, werd ook Egypte een onveilige plek voor tegenstanders van Assad.

Akrams vader stapte op een bootje naar Europa en het gezin kreeg asiel in Nederland. Ze woonden eerst in een huurwoning in Maasdijk en vijf jaar geleden betrokken ze een koophuis in Landgraaf. Daar runt Akrams vader een natuursteenfabriek. Ze hebben intussen allemaal een Nederlands paspoort.

Als Akram en Mariam aan de grens staan, hebben ze er al dertig uur reizen op zitten. Met twee zwarte rolkoffers en een Jumbotas vol fruit, brood en koekjes zijn ze vertrokken uit Landgraaf. Van Eindhoven zijn ze in een bomvol toestel naar Krakau gevlogen, brachten daar de nacht door in een koude vertrekhal, om ’s ochtends door te vliegen naar de Jordaanse hoofdstad Amman.

Overstap op de luchthaven van de Poolse stad Krakau.

Van daaruit bracht een taxi hen naar de grens waar de beambte nu met een zwierig gebaar hun paspoort stempelt. ‘Je thuisland heeft je gemist’, staat op een scherm boven de balie.

De taxi zet koers naar Damascus. Mariam zit roerloos achterin, starend naar de voorbijtrekkende karkassen van verlaten dorpen. ‘In de steden is het nog veel erger’, zegt Akram. Zijn moeder zwijgt. Tijdens dit weerzien met haar verleden heeft ze genoeg aan haar eigen gedachten.

Zondag

Het is al donker als ze in de hoofdstad arriveren. Vannacht logeren ze in het huis van de ouders van Magida, de weduwe van Mariams jongste broer Abdulgani. ‘Hij is de dag voor de bevrijding gedood’, vertelt Akram. Abdulgani zat met Magida in de auto, de bom sloeg vlakbij in. ‘Gestorven in het allerlaatste bombardement. Ongelooflijk toch?’

Mariam valt de moeder huilend in de armen zodra zij de voordeur opent. De vrouwen vertrekken naar de slaapkamer van Magida, die het bombardement overleefde en hoopt ooit weer te kunnen lopen. Akram nestelt zich in de kussens in de woonkamer, waar Magadi’s vader Abdulrazzak al Sweis en zijn zoon Ammar het gesprek op de oorlog brengen.

‘Op mijn 18de moest ik eigenlijk in dienst, maar ik weigerde voor Assad te vechten’, vertelt Ammar (29). ‘Ik leefde jarenlang in constante angst te worden opgepakt.’ Hij vluchtte uiteindelijk naar Libanon, maar kwam een jaar geleden terug. ‘Vanwege de Israelische bombardementen.’

Abdulrazzak al Sweis en zijn kleinzoon Karam.

Een jongetje met grote dromerige ogen huppelt de kamer binnen. Het is de 3-jarige Karam, de jongste zoon van Magida. ‘Wanneer mag ik papa bellen?’, vraagt hij. De mannen schieten vol, knuffelen het kind en richten zich dan weer tot Akram. ‘Wat vinden ze in Europa van de nieuwe machthebbers?’, willen ze weten. ‘Denk je dat ze gaan meebetalen aan de wederopbouw?’

Niemand heeft veel vertrouwen in het Westen. ‘Ze hebben Assad zijn gang laten gaan’, zegt Ammar. ‘Terwijl ze wisten hoe gruwelijk de repressie was.’ Zijn vader knikt. ‘Assad was een monster.’ Hij kijkt Akram indringend aan. ‘Maar omdat de muren oren hadden moesten we daarover zwijgen.’

Grote delen van Homs liggen nog altijd in puin.

Wat dat betreft hebben ze in Europa niets te klagen, vinden ze. Ook niet als politici hun haat botvieren op Syriërs en andere migranten. ‘Mensen kunnen ontevreden zijn over hun regering’, aldus Abdulrazzak. ‘Maar als je dat hardop mag zeggen, ben je vrij.’ Akram knikt: ‘Ik heb geluk gehad.’

Maandag

De volgende ochtend vervolgen Akram en zijn moeder hun reis naar Talbisah, het dorp onder de rook van Homs waar ze zijn opgegroeid en waar hun familie woont. ‘Iemand een mandarijntje?’ Mariam duikt in haar Jumbotas. ‘Een banaan misschien?’ Ze heeft slecht geslapen, zegt ze, ‘door alle indrukken’.

Akram manoeuvreert de huurauto behendig door de verkeerschaos, alsof hij zijn rijbewijs niet in Rijswijk maar in Damascus heeft gehaald. Langs de weg zitten twee jongens op plastic krukjes tussen puin en gerafeld beton. Ze verkopen benzine uit jerrycans. ‘Prachtig’, vindt Akram, die de tank halfvol laat gooien. ‘Vroeger had het regime het monopolie op de benzineverkoop, nu kan het volk eraan verdienen.’

In een huurauto doorkruist Akram het land dat hij op zijn 10de moest verlaten.

Naast een gebouw dat ooit vijf verdiepingen telde, maar waarvan de plafonds nu als een harmonica op elkaar liggen, speelt een peuter op een verroeste glijbaan. Mariam prevelt gebeden. ‘Ik had de beelden gezien’, zegt ze zacht. ‘Maar in het echt is het nog veel erger.’

Ze maakt zich zorgen over de ontvangst straks in Talbisah. ‘In Syrië schieten ze met geweren in de lucht als ze blij zijn’, legt ze uit. ‘Ik heb daar een ontzettende hekel aan.’ Ze heeft haar neven geappt om te vragen of ze zich willen inhouden, maar is er niet helemaal gerust op.

Tijdens het rijden filmt Akram het woestijnlandschap. ‘In Nederland zou je daarvoor worden bekeurd’, zegt hij grinnikend. ‘Hier mag alles.’ Hoewel hij zichtbaar geniet van de afwezigheid van verkeersregels, borrelt ook de Nederlandse regeldrift op: ‘Op termijn moeten de nieuwe machthebbers dit wel aanpakken. Syrië is erbij gebaat als het verkeer ordelijk en veilig is.’

Akram houdt naar eigen zeggen van orde en nauwkeurigheid. ‘Al van jongs af aan voel ik me aangetrokken tot kantoren en papierwerk’, vertelt hij. ‘Ik kijk ook ieder jaar Prinsjesdag op televisie.’ Mede daarom studeert hij finance & control aan de hogeschool in Sittard. ‘Ik kan er enorm van genieten om fouten in bijvoorbeeld een begroting op te sporen.’

Kogelgaten tekenen een portret van de verjaagde dictator Assad.

De toegangspoort van Talbisah is verweerd, een afbeelding van Assad is er afgehakt. ‘Kijk, mijn basisschool’, zegt Akram verheugd als hij het dorp binnenrijdt. ‘Die staat nog overeind.’ Mariam heeft vier broers in Talbisah, haar ouders en jongste broer liggen er op de begraafplaats. Haar enige zus woont in Libië en ze heeft ook nog een broer in Nederland.

Mariams oudste broer, Mohammed el Juma (68), staat al voor de voordeur te wachten en omhelst zijn zusje langdurig. Tot opluchting van Mariam klinken geen geweerschoten, wel zijn er vreugdetranen en een tafel vol rijst, kippensoep en hummus. In de woonkamer liggen kleden en kussens, een metalen kachel verspreidt een behaaglijke warmte en een sterke dieselgeur.

Nadat Assad in 2011 de protesten had neergeslagen, pakten burgers de wapens op en kregen daarbij steun van westerse landen. In 2015 schoten de Russen Assad te hulp met vernietigende massabombardementen op Syrische steden. Het Westen verschoof de prioriteit naar de strijd tegen Islamitische Staat, tot woede en frustratie van veel Syriërs. Die deelden de zorgen om IS, maar wilden bovenal een einde maken aan het regime van Assad.

Zeker zeven miljoen Syriërs zijn naar het buitenland gevlucht. De overgrote meerderheid van hen belandde in Turkije, Libanon en Jordanië. Vluchtelingen kunnen er geen aanspraak maken op de nationaliteit, en bij gebrek aan overheidssteun leven ze doorgaans in grotere armoede dan de kleine minderheid die Europa bereikt.

Toen de bombardementen in Talbisah onhoudbaar werden, zijn ook Mohammed, zijn vrouw Nozha (58) en hun acht kinderen naar Jordanië gevlucht. ‘Toen het in 2019 iets rustiger werd, zijn we teruggekeerd’, vertelt Nozha terwijl ze Akrams bord nog eens vol schept. ‘We wilden voor mijn schoonouders zorgen.’

Na veertien jaar sluit Mariam haar schoonzus Nozha weer in de armen.

Zoon Akram, moeder Mariam en haar broer Hafiz lachen voor de camera.

‘Ons huis was compleet verwoest’, zegt Mohammed, ingenieur en architect. ‘Ik heb het in twee jaar weer opgebouwd.’ Zijn zoon Bilal komt binnen met zijn baby. Het kind gaat van hand tot hand, Akram kriebelt het in roze gehulde meisje in haar nekje. Bilal is van Jordanië via Turkije, Roemenië en Oekraïne teruggekeerd naar Syrië: ‘Ze wilden me nergens hebben’, verklaart hij droogjes.

Twee van zijn broers is het wel gelukt om Duitsland te bereiken. Nozha vertelt hoe ze wakker lag toen ze de overtocht maakten. ‘Mijn bed leek te bewegen ’s nachts, alsof ik ook op dat bootje zat.’ Ze heeft ook nog twee kinderen in Jordanië, één in Saudi-Arabië en één in Turkije. Allemaal hebben ze te maken met racisme. ‘Als we bellen huilen ze vaak’, zegt Nozha terwijl ze thee inschenkt. ‘Daar is meer werk, maar hier zullen ze misschien gelukkiger zijn.’

‘Ze horen hier, dit is hun land’, zegt Mohammed beslist. ‘Ons huis is klaar voor hun terugkeer.’ Zelf had hij verpletterende heimwee in Jordanië: ‘Ik zat vaak buiten op een stoel in de richting van Syrië te staren.’ Akram moet lachen om de stelligheid van zijn oom, maar Nozha kijkt haar man streng aan: ‘Uiteindelijk is het besluit aan onze kinderen. We gaan ze niet dwingen.’

Dinsdag

De zon schijnt uitbundig deze ochtend. Mariam is bij haar familie gebleven, Akram gaat in Homs op bezoek bij imam Mohammed Abbas, een oude vriend van zijn vader. ‘Wat heeft Syrië nodig?’, wil Akram weten. ‘In ieder geval geen wraak’, zegt Abbas.

Akram met familievriend en imam Mohammed Abbas.

De imam onderwijst sinds de bevrijding zowel strijders als burgers over de betekenis van vrijheid en gelijke rechten. Maar de wonden van een halve eeuw vernedering, angst en onderdrukking zijn niet zomaar geheeld. ‘We proberen de vrijheid te voelen’, zegt Abbas. ‘Maar eerst moeten we leren ons weer mens te voelen. Assad heeft onze zielen verbrijzeld.’

Daar kunnen ook terugkerende vluchtelingen bij helpen, denkt Akram. ‘Ik weet hoe een democratie functioneert’, zegt hij. ‘Die ervaring kan ik hier inzetten.’ Abbas glimlacht. ‘Dat is zeker waar. Maar het zou niet goed zijn als alle Syriërs uit Europa nu massaal terugkeren. We hebben niet eens genoeg woningen voor de miljoenen binnenlandse ontheemden. Er is tijd en geld nodig om het land op te bouwen.’

De twee stappen in de auto en rijden door de gehavende stad naar de wijk Baba Amr, tijdens de oorlog een bolwerk van verzet tegen Assad en vrijwel volledig verwoest. Verdwaasde mensen dwalen er rond tussen de geraamtes van wat ooit hun huizen waren. Opwaaiend gruis slaat op toch al tranende ogen.

‘Hoe bouw je dit ooit weer op?’, zegt Akram zacht. Zijn familie heeft meer geluk gehad, met huizen die in ieder geval deels intact zijn gebleven. ‘Ik snap dat het voor mij makkelijk praten is’, zegt hij. ‘Sommige mensen hebben niks om naar terug te gaan.’

Hij put hoop uit de bouwwerkzaamheden. Vrachtwagens voeren stenen aan, mannen lopen af en aan met kruiwagens. Op muren staan met blauwe verf ‘advertenties’ gekrabbeld: telefoonnummers van loodgieters en timmermannen. ‘Typisch voor Syriërs’, zegt Akram. ‘We zetten altijd meteen de schouders eronder.’

De helden van de revolutie worden geëerd in Homs in de wijk Baba Amr.

Hij is hier om een pakketje af te leveren bij Mohammed el Monashif, de vader van Obeida, een Syrische vriend uit Nederland. De 62-jarige dierenarts neemt Akram mee het dak van zijn huis op om de gaten van raketinslagen te laten zien. ‘Mijn broer is doodgemarteld’, vertelt hij. ‘De zoon van mijn zus is opgepakt en levend in stukken gesneden.’ Hij staart even over de daken en gaat dan verder. ‘De video daarvan kregen we opgestuurd.’

Ze lopen naar beneden. Mohammeds dochters, een arts en een universitair docent, zijn niet thuis. Zijn jongste zoon Yasem vertelt dat hij de afgelopen jaren twee keer expres is gezakt voor zijn tentamens. ‘Zolang ik op de universiteit zat, hoefde ik niet in dienst.’

Mohammed brengt een schaal sinaasappels de zonovergoten woonkamer binnen en denkt lang na over de vraag of Obeida terug moet komen. ‘We missen hem, maar het is beter als hij nog even in Nederland blijft’, zegt hij tenslotte. ‘Hier ligt alles nog in puin.’

In de wijk Baba Amr, tijdens de oorlog een bolwerk van verzet, wordt hard gewerkt aan wederopbouw.

Ze maken zich geen zorgen over het politieke klimaat in Nederland. ‘We weten dat sommige Nederlanders moslims haten’, zegt Yasem. ‘Maar jullie hebben een functionerende rechtsstaat, dan kan er weinig misgaan.’ Hij hoopt dat Syrië ook zo’n land wordt: ‘Met een gekozen president. Maakt me niet uit van welke bevolkingsgroep, als hij maar vrijheid garandeert.’

Terug in de auto mijmert Akram verder over vrijheid. ‘Ik merk dat veel mensen zich er nauwelijks een voorstelling van kunnen maken’, zegt hij. ‘Terwijl het voor mij een gegeven is, ik heb geleerd dat ik mag zeggen wat ik denk.’ Hij lacht: ‘Dat doe ik hier dus ook de hele tijd.’

Zo heeft Syrië sinds de bevrijding een nieuwe vlag, die overal op muren en in etalages prijkt. Zodra Akram ergens een afbeelding van de oude vlag bespeurt, spreekt hij de verantwoordelijke daarop aan. ‘Mensen reageren geschrokken’, zegt hij. ‘Alsof de onderdrukking nog in hen zit.’ Akram maakt dan het liefst een grapje. ‘Ik zeg dat ze niet zo onderdanig hoeven te doen. Maar dat ze wel heel snel die vlag van de dictator moeten weghalen.’

Een neefje van Akram geeft het standbeeld van Hafiz al-Assad, de vader en voorganger van Bashar al-Assad, zijn verdiende loon.

Langs de weg hangen billboards met daarop de oproep aan mannen om zich te melden voor de vrijwillige politie. Degenen die al zijn aangenomen rijden in pick-uptrucks door de straten en bevolken de checkpoints, met grote geweren en zwarte bivakmutsen. ‘In Europa zeggen ze dat het terroristen zijn’, aldus Akram. ‘Maar dit zijn de bevrijders, ze hebben het beste met het land voor.’

Syrische minderheden kijken met minder vertrouwen naar de soennitische machthebbers, die wortels hebben in gewelddadige islamistische organisaties als al Nusra. Onterecht, denkt Akram, zelf ook soenniet: ‘De bevrijders hebben beloofd alle minderheden en vrouwen te respecteren. We moeten ze het voordeel van de twijfel geven.’

Akram vindt wel dat Syriërs de kersverse president en rebellenleider Ahmed al-Sharaa te veel als held vereren. ‘Het is gevaarlijk om mensen op een voetstuk te zetten. We moeten vooral kritisch blijven kijken naar wat hij doet.’ Dat zegt hij ook tegen zijn neven en nichten, die idolaat zijn van Al-Sharaa. ‘Maar ze willen niet echt luisteren.’

Woensdag

Nadat Akram in Homs langs een opticien is gereden om een bril voor zijn vader te laten maken (‘hij vindt de kwaliteit hier beter’), bezoekt hij een kliniek in Talbisah waar Mariams broer Ahmad werkt. Akram is hier als kind behandeld toen er een stukje glas in zijn teen zat, nu is de complete bovenverdieping door bombardementen verwoest.

Aan alles is een tekort: medicijnen, functionerende apparatuur, zelfs de weegschaal op de hartafdeling is stuk. Het ziekenhuis draait grotendeels op giften van dorpelingen, maar die hebben hun geld nu nodig om hun huizen weer op te bouwen. Akram hoopt in Nederland donateurs te vinden. ‘En psychologen, die zijn hier in het dorp ook hard nodig’, mompelt hij.

Met zijn neef Amer (20) rijdt hij van de kliniek naar de begraafplaats, waar hun grootouders liggen. Tot ergernis van Akram zijn alle graven bezaaid met verweerd afval, her en der liggen zelfs menselijke botten. ‘Waarom ruimt niemand hier op?’ Amer haalt zijn schouders op. Akram zucht: ‘Jullie zijn er kennelijk aan gewend dat het vies is, mij vallen die dingen nog op.’

Akram bij het graf van zijn oom Abdulgani, die een dag voor de bevrijding werd gedood.

Amer hoopt binnenkort naar Nederland te verhuizen. Zijn vader Zakaria, Akrams oom, woont in Landgraaf en heeft anderhalf jaar geleden gezinshereniging aangevraagd voor zijn vrouw Neda en hun zes kinderen. Die wonen nu nog in het huis van Akrams grootouders.

Neda zit daar op de patio van de zon te genieten, terwijl haar oudste de teennagels knipt van de jongste. Bij de laatste aanval zijn de ramen van het huis aan diggelen gegaan, de kogelgaten in de muren heeft Neda met oude kinderkleding dichtgestopt.

Zakaria vluchtte vier jaar geleden naar Turkije en deed talloze pogingen om Europa te bereiken. ‘Hij werd steeds geslagen aan de grens en teruggestuurd’, aldus Neda. ‘Toen hij eindelijk in Nederland arriveerde was hij er lichamelijk en psychisch slecht aan toe.’ Neda bewaart zijn pasfoto in het doorzichtige hoesje van haar telefoon. ‘We bellen elke dag.’

Drukte op de markt in het centrum van de zwaargetroffen stad Homs.

Doordat de reis zoveel tegenslagen kende, hebben ze meer dan tienduizend euro uitgegeven. Amer en zijn oudste broer zijn gestopt met hun studie om te werken, maar de schulden zijn nog lang niet afbetaald. ‘We willen naar Nederland’, zegt Neda. ‘Anders is alles voor niets geweest.’

Maar als het aan PVV-minister Marjolein Faber (Asiel en Migratie) ligt, gaat dat niet door. Zij wil de 72 duizend Syriërs met een tijdelijke verblijfsvergunning, en de 16 duizend anderen die nog in de asielprocedure zitten, zo snel mogelijk terugsturen. Dat kan zodra Syrië veilig is verklaard door het ministerie van Buitenlandse Zaken, en er formele banden zijn aangeknoopt met de nieuwe machthebbers.

Een slecht idee, vindt Akram, die inmiddels wat genuanceerder is dan in zijn eerdere TikTokvideo. ‘Iedereen moet het juiste moment kiezen om terug te gaan’, zegt hij. ‘De wederopbouw is een langetermijnproject.’ De ‘oprotpremie’ van 900 euro die Faber biedt aan Syriërs die vrijwillig teruggaan, noemt hij ‘totaal ontoereikend’.

Akram wil graag in gesprek met Faber en PVV-leider Geert Wilders: ‘Als ze willen dat Syriërs vertrekken, moeten ze mensen met schulden helpen en investeren in wederopbouw’, zegt hij. ‘Dan vergroot je zelfs de kans dat Syriërs met een Nederlands paspoort teruggaan.’

In Baba Amr wordt de bevrijding gevierd.

Al weet hij ook dat niet iedereen zo op het vaderland gericht is als hij. Op school deed Akram al zijn spreekbeurten over Syrië, later organiseerde hij demonstraties. Als tiener deelde hij flyers uit in Heerlen over de misdaden van Assad, of ging verkleed als gemartelde gevangene de straat op, met een wit T-shirt vol nepbloed. ‘Ik weet niet of het iets heeft opgeleverd. Maar het hielp me mijn machteloosheid te bestrijden.’

Hij kreeg doorgaans vriendelijke reacties, maar het viel hem op hoe weinig Nederlanders wisten over Syrië. ‘Pas na de bevrijding, toen de NOS reportages uitzond, vroeg iedereen me naar de martelgevangenissen van Assad.’ Hij schudt het hoofd: ‘Wij spraken daar altijd al over, maar niemand luisterde.’

Hij vindt dat ook de media tekort zijn geschoten: ‘Als er meer aandacht was geweest voor wat Assad aanrichtte, zouden meer mensen hebben begrepen waarom er zoveel Syrische vluchtelingen kwamen.’

Vrijdag

Op de terugweg van een bezoek aan Idlib, zet Akram koranverzen op in de auto. Bij ieder checkpoint bedankt hij de gemaskerde mannen voor hun inspanningen. ‘In Nederland had ik een bijbaantje als verkeersregelaar’, vertelt hij terwijl hij met een ruk aan het stuur een spookrijdende scooter ontwijkt. ‘Ik weet hoe fijn het is als mensen aardig zijn.’

Akrams familie wordt soms een beetje moe van zijn optimisme. Zijn tante Nozha zei bijvoorbeeld dat ze er nog niet helemaal op vertrouwt dat de nieuwe regering een goed beleid zal voeren voor vrouwen. Maar, zo gaf ze tegelijkertijd aan, ‘erger dan onder Assad kan het niet worden’.

Akram begrijpt het wel. ‘Ze hebben zoveel ellende doorstaan, het is heel moeilijk om vertrouwen te hebben.’ Zelf gelooft hij dat een positieve houding onontbeerlijk is: ‘Ik zie Syrië als een pasgeboren baby. Alleen als we die gezond houden en het goed opvoeden, kan het floreren.’

Tegen betaling mogen mensen een rondje rijden op een paard in Aleppo.

Terug in Talbisah haalt hij Mariam op. Hij rijdt met haar naar het familiehuis van zijn vader, verderop in het dorp. Het is het huis waar ze woonden voor hun vlucht. ‘Hier zijn al mijn kinderen geboren’, zegt Mariam glimlachend. Ze bekijkt een stoffige foto van haar schoonvader in Mekka en loopt langzaam door de kamers waar haar dierbaarste herinneringen wonen.

Het huis is nog redelijk intact. ‘We hebben geluk gehad’, zegt Akram. ‘Hier tegenover is een huis volledig weggevaagd.’ Hij loopt naar het dak, vertelt hoe ze daar als kind op warme zomeravonden hun matrassen heen sleepten om onder de sterren te slapen. De vinger van Mariam glijdt langs de zelfgemaakte traplift voor haar oudste zoon. ‘Daar past hij nu niet meer op.’

Akram poseert met militairen van het bevrijdingsleger en de nieuwe Syrische vlag.

Mariam heeft geen spijt dat ze zijn vertrokken, maar het leven als vluchteling is zwaar geweest. Niet zozeer vanwege Nederland, maar door de zorgen om de achterblijvers. ‘Ik leefde in constante angst dat mijn broers opgepakt zouden worden. Die gedachte raasde maar door mijn hoofd.’

Nu wil ze het stof uit dit huis vegen en er liefst vandaag nog gaan wonen. Maar ze wil ook dat haar kinderen hun school in Nederland afmaken. ‘In het begin gaan mijn ouders heen en weer reizen’, zegt Akram. Hij weet niet zeker of zijn broers en zusje uit Nederland weg willen. ‘Dat is hun eigen keuze’, zegt hij. ‘Mijn droom is dat we op een dag weer allemaal samen in Syrië wonen.’

Bron van kaarten: OpenStreetMap contributors.

Het pad naar een stabiel Syrië: de stappen die de nieuwe machthebbers moeten zetten

Bijna twee maanden na de val van Bashar al-Assad is de leider van de islamitische groepering HTS benoemd tot interim-president van Syrië. Wat is er nodig voor een duurzame vrede in het land en hoe doet het nieuwe bewind het tot nu toe?

In Syrië is de wraak begonnen: ‘Zijn jullie alawieten?’

Alawieten vrezen de toorn van hun landgenoten nu de Syrische dictator Bashar al-Assad is verdreven. Assad, zelf alawiet, bouwde zijn moorddadige regime op door baantjes onder geloofsgenoten te verdelen. ‘Ze zullen ons een voor een vermoorden.’

Nieuwe asielaanvragen van Syriërs op laagste niveau sinds corona

Het aantal nieuwe asielaanvragen van Syrische vluchtelingen is in januari op het laagste niveau uitgekomen sinds de coronaperiode. In de eerste maand van 2025 vroegen 404 Syriërs asiel aan, waar de afgelopen drie jaar gemiddeld 948 per maand gebruikelijk was.

Source: Volkskrant

Previous

Next