Ruim tachtig jaar nadat het Nederlandse schip Poelau Bras door de Japanners werd gebombardeerd, proberen de zoons van twee overlevenden de schipbreuk te reconstrueren. Wie zat in welke reddingssloep?
is wetenschapsredacteur van de Volkskrant.
De evacués op het volgepakte Nederlandse koopvaardijschip Poelau Bras moeten zich na een nacht lang varen hebben gerealiseerd dat een catastrofe dreigde. Ze bevonden zich 300 kilometer uit de kust, op de Indische Oceaan, toen om 9 uur ’s morgens boven hun hoofd een Japans verkenningsvliegtuig opdook. De mitrailleurs aan boord van het schip vuurden maar troffen geen doel. Daarmee was het vonnis van de opvarenden getekend: de verkenner zou verslag uitbrengen, kwestie van een paar uur voordat een aanval zou volgen.
De Poelau Bras was op vrijdagavond 6 maart 1942 vertrokken uit de Wijnkoopsbaai op West-Java. Het voormalig Nederlands-Indië werd onder de voet gelopen door de Japanse bezetter, het schip was op weg naar Australië, maar had van de regering opdracht gekregen om terug te keren en mensen te evacueren. Aan boord waren personeelsleden van de marine en de koopvaardij, legerofficieren, werknemers van oliemaatschappijen, familieleden, alsmede twee oorlogscorrespondenten van Amerikaanse persbureaus. Bestemming: Colombo in Sri Lanka. Maar daar zou het schip nooit aankomen.
Twee uur nadat de Japanse verkenner het schip in het vizier had gekregen, trokken Japanse bommenwerpers ten aanval. Drie kwartier lang namen ze de Poelau Bras onder vuur. Het schip zonk, bemanningsleden en passagiers die nog in leven waren, sprongen in paniek overboord waar ze vanuit de vliegtuigen opnieuw werden beschoten. Wie geluk had, slaagde erin om in een van de drie overgebleven reddingssloepen te klimmen. Na dagen van ontberingen bereikten 116 overlevenden de zuidkust van Sumatra waar ze uiteindelijk door Japanners gevangen werden genomen.
De 24-jarige luitenant ter zee-vlieger Piet Versteeg en de 20-jarige vliegtuigmaker Jan Toussaint zaten, met nog 56 anderen, samen in reddingsboot 4A. Tachtig jaar na de schipbreuk kwamen hun zoons met elkaar in contact en zetten ze hun schouders onder een bijzonder project: uitzoeken wie in welke reddingsboot heeft gezeten en wat er met al die opvarenden is gebeurd. Voor Peter Versteeg en Jan Toussaint, beiden 77 jaar, is die zoektocht de afgelopen jaren uitgegroeid tot een missie van formaat.
Passagierslijsten, naoorlogse getuigenverklaringen, interviews, boeken, dagboeken, krantenknipsels, documenten uit oorlogsarchieven: aan de tafel in zijn woonkamer in Voorschoten laat Versteeg het fundament zien van hun gezamenlijke amateurhistorische onderzoek. Drie jaar geleden lanceerde hij een website met alle informatie die hij had weten te verzamelen en de eerste nabestaande die zich meldde was Toussaint. Sindsdien trekken ze samen op.
Hun vaders spraken niet (Toussaint) tot nauwelijks (Versteeg) over de ramp, een zwijgzaamheid die de naoorlogse generatie tekende. De speurtocht van de twee zoons illustreert de grote belangstelling voor de Tweede Wereldoorlog bij de tweede generatie: het zijn de kinderen die op zoek gaan naar wat hun zwijgende vaders is overkomen. Met, in dit geval, als extra drijfveer, verontwaardiging over een ramp die in de vergetelheid is geraakt.
Een week voordat de Poelau Bras verging, vond aan de andere kant van het eiland Java ook een scheepsramp plaats, na een zeeslag tussen een Japanse invasievloot en een groep geallieerde oorlogsschepen onder leiding van schout-bij-nacht Karel Doorman. Daarbij stierven ruim negenhonderd Nederlanders. Iedereen kent die slag om de Javazee, zegt Versteeg, er is een jaarlijkse herdenking en naar Karel Doorman zijn vier schepen vernoemd. Het inferno op de Poelau Bras staat daarbij in de schaduw, zegt hij: ‘Terwijl bij die ramp ook een schout-bij-nacht om het leven kwam, samen met naar schatting 145 mannen, vrouwen en kinderen.’
Johanna Muller was tien dagen oud toen haar ouders haar vanaf het dek van de Poelau Bras 10 meter naar beneden gooiden. Olieman Jan Willem Rombeek ving haar op. Door de explosies aan boord had Johanna een scherf in haar voetje gekregen, maar ze overleefde de scheepsramp. Ze kwam terecht in sloep 4A, samen met haar ouders en haar 6-jarige zusje Fine, die een schotwond in haar linkerarm had opgelopen.
Vraag Versteeg en Toussaint naar verhalen over de passagiers en ze rijgen de anekdotes aaneen. Over lichtmatroos Theo van den Bergh die in reddingsboot 3 de riem wilde pakken om te gaan roeien, een schot hoorde en naast hem een man zonder hoofd zag zitten. Over reservekapitein Anton Colijn die een fors bedrag aan papiergeld bij zich had gestoken toen hij de zee in sprong en de briefjes na aankomst aan land met knijpers aan een waslijn te drogen hing.
De afgelopen jaren zijn ze erin geslaagd om de nasleep van de schipbreuk stukje bij beetje te reconstrueren. Versteeg deed tien jaar geleden de aanzet door eerst maar eens in kaart te brengen wie er op die vrijdagavond in maart 1942 allemaal aan boord waren gegaan. Hij vond namenlijsten van de rederij en van het Rode Kruis, en vulde de lijsten aan met informatie uit de boeken of dagboeken die overlevenden na de oorlog schreven. Zo kwam hij uit op 250 à 260 opvarenden.
Van zeker 128 opvarenden was duidelijk dat ze de Japanse aanval niet hadden overleefd. Ze stierven door vijandelijk vuur, verbrandden door de bombardementen of verdronken in de ruige zee. Van de twaalf reddingssloepen waarover de Poelau Bras beschikte, waren er nog maar drie intact – er was geen plek voor iedereen. Het moet een chaos zijn geweest, realiseert Versteeg zich, een gevecht om een plekje in veel te kleine bootjes. ‘Er zijn ook passagiers op stukken hout of vlotten geklommen, maar die waren kansloos in het open water.’
Ook de namen van de 116 overlevenden zijn bekend, alleen is nergens vastgelegd wie in welke reddingssloep heeft gezeten. Terwijl die kennis relevant is, zegt Toussaint, om uit te zoeken wat er na de schipbreuk met de inzittenden is gebeurd. De sloepen kwamen tientallen kilometers van elkaar aan wal en het vervolg verschilde per boot. Alle overlevenden kwamen in Japanse kampen terecht, maar wanneer en waar, hing af van het moment en de plek waarop ze door de Japanners werden ontdekt.
Voor de nabestaanden van de overlevenden, van wie ze er tientallen hebben getraceerd, is dat ontbrekende stukje familiegeschiedenis van grote waarde, weten ze. Er zijn maar weinig families waar wél over de oorlog is gepraat.
Op hun website staat een overzicht van de opvarenden die ze tot nu toe, dankzij navraag en het napluizen van tal van bronnen, in de juiste boot hebben weten te plaatsen. Bijvoorbeeld door de interneringskaarten te raadplegen uit de Japanse gevangenkampen, die vermelden waar en wanneer gevangenen zijn opgepakt. Daaruit valt vaak op te maken op welke plek ze in hun boot aan land moeten zijn gekomen.
Tot nu toe hebben ze negentig overlevenden aan een boot kunnen koppelen, over ruim twintig passagiers hebben ze nog informatie nodig. In welke reddingsboot zat bijvoorbeeld sergeant torpedomaker Johannes Willemse? Waar op Zuid-Sumatra zijn leerling-bankwerker Lambert Bohlmeijer en timmerman Pieter Borst aan land gekomen? En waren matroos C. Nieuwenhuize en sergeant H.J. van Beek, die op de passagierslijsten staan, eigenlijk wel aan boord van de Poelau Bras?
Helemaal compleet zal hun overzicht niet worden, beseffen ze. In de reddingsboten moeten ook een onbekend aantal Javanen hebben gezeten, vooral bedienden in dienst van de rederij. Het blijkt onmogelijk om te achterhalen wie zij waren. Hun namen kennen verschillende schrijfwijzen en de geboorteplaats van al die mannen is onbekend.
Een dag nadat hij in Kroë aan land was gekomen, maakte Piet Versteeg een foto van veertien mede-opvarenden naast hun reddingsboot. Het is bijna niet voor te stellen dat in die houten sloep vier dagen lang 58 man op zee hebben rondgedobberd. Er is een tweede, bijna vergelijkbare foto waar hij zelf op staat, het tasje van het fototoestel om zijn hals. Hij draagt een keurige pantalon.
Ze zullen van hun geld eten en kleding hebben gekocht, zegt zoon Peter Versteeg. ‘En mijn vader dus ook een fototoestel.’ Acht dagen later namen de Japanners de hele groep gevangen. Hoe dat fotorolletje de kampen heeft overleefd en wanneer het is ontwikkeld? Versteeg heeft geen idee. Zijn vader heeft hem ruim vijftig jaar geleden de foto’s laten zien, maar er nauwelijks iets over verteld. Jan Toussaint vermoedt dat ook zijn vader in beeld is, maar hij is er nog niet in geslaagd hem te identificeren.
Zijn vader werd in augustus 1945 bevrijd in kamp Lahat en kwam terug naar Nederland, waar hij bij de KLM ging werken als boordwerktuigkundige. De vader van Peter Versteeg vond na de oorlog zijn verloofde terug, die net als hij de ontberingen in de kampen had doorstaan. Ze trouwden in Australië en keerden terug naar Nederland, waar hij zijn vliegcarrière bij de Marineluchtvaartdienst voltooide.
Wat is het jammer, zeggen de zoons, dat ze hun vaders nooit vragen hebben gesteld. Versteeg en Toussaint senior overleden allebei op relatief jonge leeftijd, ver voordat hun oorlogsverleden voor hun kinderen interessant werd.
Daarom is het voor hen zo waardevol om nabestaanden op te sporen en alle informatie die ze hebben gevonden met hen te delen. Ze vertellen over de 21-jarige machinist Jan van Bladeren die hevig bloedend in zee belandde en werd gered door collega-machinist Jan Wouterloot, die hem aan boord van reddingsboot 2 trok. Na de bevrijding emigreerden ze, zonder dat van elkaar te weten, allebei naar Canada. Versteeg en Toussaint vonden hun kinderen, met beide families hadden ze een videogesprek. Ze blijken anderhalf uur rijden bij elkaar vandaan te wonen. Ze hebben aangekondigd elkaar binnenkort een keer op te zoeken.
Was sergeant machinist Weigers aan boord?
Op de website poelau-bras.nl staat een lijst met namen van passagiers over wie belangrijke informatie ontbreekt. Het gaat om werknemers van de Koninklijke Marine, de Stoomvaart Maatschappij Nederland (de rederij), een aantal oliemaatschappijen en om een vrouwelijke passagier. Wie meer weet, kan zich melden via de website.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant