Home

Martin Gaus: ‘Ik ben drie keer bijna dood geweest. Je hoeft er niet bang voor te zijn’

Sinds Martin Gaus de ziekte van Parkinson heeft, is zijn wereld een stuk kleiner geworden. Dat vindt hij verdomde moeilijk. Daarom werkt hij aan zijn memoires en houdt hij nog voordrachten. ‘Kennelijk hunker ik naar een beetje aandacht.’

is redacteur van Volkskrant Magazine. Voor Volkskrant Magazine interviewt ze bekendere Nederlanders.

Martin Gaus woont, sinds hij zijn luxe bungalow verruilde voor ‘een appartementje’, op de achtste verdieping van een grijs flatgebouw, randje Lelystad. Ondanks de mist kijk je zo de achtertuinen van alle buren in. Hij heeft dan wel geen tienpersoonssauna, fitnessruimte, binnen- en buitenzwembad meer, het is er alsnog ‘uitstekend wonen’, zegt de 80-jarige oud-ondernemer, televisiepresentator en hondenkenner.

Gaus loopt van het koffiezetapparaat naar de boekenkast, op zoek naar een folder van het makelaarskantoor met foto’s van zijn bungalow erin. ‘Hier, kijk, we hadden een hele bibliotheek. Daar hebben we nu geen ruimte voor, dus ik heb alle boeken geschonken aan de Martin Gaus Academie. Dit was de bioscoop, in de stijl van Tuschinski. Krankzinnig. Ik heb veel geld verdiend, maar het helaas ook te snel uitgegeven. Ik kocht een camper van 170.000 euro, 12 meter lang. Ik had een garage in mijn camper, en daar stond een MG in, die ik voor Hellie had gekocht. MG, van Martin Gaus.’

Je had twee zwembaden. Je kunt ook denken: één zwembad is genoeg.

‘Vooral het onderhoud is lastig. In dezelfde ruimte als het binnenzwembad had ik ook een aquarium van 12 meter, een zee-aquarium met tropische vissen, waar ik naar kon kijken tijdens het zwemmen. Geweldig. Toen er een kraan vervangen moest worden, is er per ongeluk een koperen kraan geplaatst. De volgende dag waren alle vissen dood. Voor 40.000 euro aan vissen. Het begin van het bezit is het einde van het vermaak.’

Mis je die zwembaden?

‘Nee. Alles dooft uit. Het hele leven dooft uit. Dat gaat vanzelf. Ik heb het gezien bij een vriend, een restauranthouder met wie ik lang optrok. Hij had een vrouw gehad van wie hij helemaal gek was, Toos. Toen hij in het ziekenhuis lag en stervende was, zocht ik hem op en hield ik zijn handen vast. En ik zei, om hem op te beuren: ‘Denk je nog weleens aan Toos?’ Hij keek me aan en zei: ‘Het dooft langzaam uit.’ Zo gaat het. Doodgaan is een simpel proces, je sterft gewoon af. Alles wat mooi was, wordt onbelangrijk voor je. Want je wil slapen. En dan slaap je, als een blok. Ik ben drie keer bijna dood geweest. Je hoeft er niet bang voor te zijn.’

Gaus werpt een vertederde blik op Chica, de Franse bulldog van de buren, die bij hem logeert. Zijn eigen hond, een whippet genaamd Vlinder, overleed in de herfst, en hij vindt zichzelf niet fit genoeg voor een nieuwe hond. Bij Gaus is parkinson geconstateerd, maakte hij eind vorig jaar bekend. ‘Vier keer per dag een hond uitlaten zie ik niet meer zitten. Als ik ’s ochtends opsta, ben ik stijf. Dan strompel ik naar het toilet. Op straat probeer ik rechtop te lopen, maar omdat ik mijn rugspieren aanspan, verzuur ik en trek ik juist krom. Kortom, mijn bewegingsapparaat staat onder druk. En door de pillen die ik slik, heb ik af en toe heftige dromen. Hellie moet dekking zoeken, want ik ram in bed om me heen. O, ik zou dolgraag 50 willen zijn.’

Gelukkig is er Chica, het hondje van de buren. ‘Eigenlijk is het antireclame, want zo’n hond mag je helemaal niet hebben, er is sinds 2023 een fokverbod, omdat ze door die platte neus problemen hebben met ademhalen. Maar deze heeft zo’n sprekende smoel. Gewéldig hondje. Ik vind het heerlijk als dit schatje eens in de veertien dagen een paar dagen bij me komt. Ze is er nu zelfs tien dagen, fantastisch. Als ik behoefte heb aan een hond, bel ik gewoon mijn buurman. Kan mijn logee even op visite komen? En morgen komt ook nog Iris, de whippet van een andere buurman, voor de foto.’

Gaus – je komt er bijna niet tussen – haalt ondertussen herinneringen op aan eerdere interviews. Een interviewster van Nieuwe Revu typte tijdens het gesprek mee en had ter plekke ook meteen het artikel af. Bij Opzij-hoofdredacteur Cisca Dresselhuys, die hem langs haar Feministische Meetlat legde, kon hij alleen maar naar haar wenkbrauwen kijken. ‘Ken jij Ruud Lubbers nog? Ik kon eerst mijn ogen er niet van afhouden, maar naarmate de tijd verstreek vond ik haar steeds aardiger worden en zag ik die wenkbrauwen niet meer. Ik heb er een column over geschreven.’

Over haar wenkbrauwen?

‘Ja. Die heeft ze gelezen. Ze had er twintig jaar mee gelopen, en nooit had iemand iets gezegd. Ze bedankte me.’

In interviews begin je heel vaak over de lichaamstaal van de interviewer. Doe je dat om de ander een beetje uit balans te brengen?

‘Zo kan het soms wel werken. Als ik nu naar jou kijk, dan zie ik dat je je hoofd schuin houdt, dat is een kindsignaal. Daarmee zeg je dat ik niet bang voor je hoef te zijn. In mijn lezingen deed ik het ook. Dan haalde ik een vrouw op het toneel, die ik uitzocht op haar voorkomen. En dan zei ik: mevrouw, waarom draagt u rode lippenstift? Daarmee doet u de doorbloeding van uw schaamlippen na. En die rouge op uw wangen, daarmee simuleert u opwinding. U heeft uw ogen groter gemaakt met make-up, ook een signaal dat opwinding moet suggereren. Ondertussen raakt zo’n vrouw ongemakkelijk, en zie je allerlei oversprongsignalen. Ik zeg dan: ‘Ik zie dat u in verwarring raakt.’’

Is dat leuk, of ook een beetje gemeen, om iemand voor een volle zaal zo toe te spreken?

‘De zaal vindt het fantastisch, en na afloop krijgt die vrouw een bloemetje. Jouw hoofd staat nog steeds schuin. Je zit geconcentreerd te luisteren. Ah, nu kijk je naar je nagels. Een oversprongsignaal. Je bent bezig met het opvullen van een conflict in je hoofd.’

Wat voor cijfer kreeg je op de Feministische Meetlat?

‘Volgens mij wel goed. Een zeventje, of zo (het was een 4, red.). Ik geloof niet dat ik een echte rotzak ben. Vraag maar aan Hellie. Hellie is een hele bijzondere. Het is een prestatie als een vrouw vijftig jaar bij je blijft.’

Vijftig jaar is wel lang.

‘Godsamme, nou. Ik had op de middelbare school een vriendje in de klas, Kick, die verkering had met Hellie. Toen ze gingen trouwen was ik zijn getuige. En tien jaar later komt er iemand bij mij het terrein van het dierenhotel oplopen, ik zit aan de telefoon en denk: jezus, wat een stuk. Mijn god. Er komt nu iets voorbij, dat is niet normaal. Ik zag twee kindertjes ernaast lopen, ik keek nog een keer. Verrek, het is Hellie! Het eerste wat ik deed was koffie voor haar zetten. Dat is altijd het beste wat je kunt doen. Nou, toen versierde ik haar.’

Wat kwam ze doen in het dierenhotel?

‘Ze was toevallig in de buurt en haar zoontje wilde het hotel zien.’

Ze was nog getrouwd met je vriend Kick en toen versierde je haar in het dierenhotel?

‘Zonder twijfel. Maar Kick was ook een buitengewone vrijbuiter. Ik was zelf trouwens ook getrouwd, dus het was oorlog in het begin, maar dat is allemaal goedgekomen. Het gebeurde in een tijd dat wij van alles deden, in de wereld. Relaties schommelden links en rechts, er waren feestjes links en rechts, flowerpower. Ik weet niet hoe dat nu is. Kun jij je voorstellen dat er dat soort feestjes zijn, waarop iedereen zijn grenzen aan het verleggen is? Of ligt dat je niet?’

Ik kan me er denk ik iets bij voorstellen.

‘Nou, dat gebeurde dus. Maar goed, Hellie was overweldigend. Toen ik haar daar zag, was de zaak beklonken.’

Gaus doorliep een bijzondere carrière. Hij groeide op in de Watergraafsmeer in Amsterdam en bleek een getalenteerd honkballer. Hij was catcher in het Nederlands team, speelde interlands en was later trainer van de Falcons in Lelystad. Daarnaast volgde hij een opleiding tot slager, waarmee hij min of meer in de voetsporen trad van zijn vader, die groothandelaar was in vee. Toen dat ging vervelen, begon hij met het verkopen van beleggingen en kwam hij in contact met een directeur van een Amerikaanse staalhandel, die Gaus kende als honkballer en hem een baan aanbood in zijn bedrijf. ‘Hij zei: vrouwen en vlees zijn zwak, mannen en staal zijn sterk. Man en staal horen bij elkaar. Kom bij mij werken. De volgende dag ging ik aan de slag.’

Na een paar jaar, Gaus was inmiddels chef de bureau, kreeg hij van de directeur het advies zelf te gaan ondernemen, waarop hij een staalwarenfabriek begon. Maar ook dat beklijfde niet als carrièrepad. Toen Gaus zijn eigen Duitse doggen nergens kon onderbrengen tijdens een vakantie, kwam hij op het idee een dierenhotel te beginnen. Zo gezegd, zo gedaan: Gaus verkocht zijn fabriek, leende een miljoen bij de bank en begon in Lelystad zijn dierenhotel, met receptie. Het bedrijf bouwde hij in de loop der jaren uit tot een nationaal imperium: er kwamen hondenscholen, opleidingscentra voor trainers, franchises door het hele land, dierencrematoria, boeken, een tijdschrift, columns en televisieprogramma’s zoals Dierenmanieren en De Natte Neuzen Show, die van Gaus een tv-icoon maakten van de jaren tachtig en negentig.

‘Ik heb me op een zeker moment gerealiseerd dat ik publiciteit nodig had om de tent aan de gang te krijgen’, zegt Gaus. ‘Ik zag dat een heleboel mensen problemen hadden met de opvoeding van hun hond, en ik dacht dat ik die problemen snel en efficiënt kon oplossen. Ik legde een hond op een behandelbank, trok een witte jas aan, en liet me als hondenpsychiater fotograferen voor een stuk in De Gelderlander. Daarna kwam de NCRV langs voor een reportage. Het resultaat was waanzinnig, want iedereen kwam vervolgens bij me met zijn probleemhond. Ook een redacteur van de Tros, die een bijtgrage herder had. Zo is het balletje gaan rollen. Televisie is me overkomen. Op televisie vergeleek ik dierengedrag met mensengedrag, dat scoorde enorm. Ik maakte er een beetje cabaret van. Het was lol, het was leuk.’

Het bedrijf is inmiddels verkocht. Werk je nog?

‘Over drie weken ga ik twee voordrachten geven, zoals ik dat honderden keren heb gedaan, voor volle zalen. Ik zit mezelf op te fokken, want ik moet leunen op verhalen van tien jaar geleden. En toch denk ik: ik doe het nog één keer. Ik vraag me af waarom ik dat wil.’

En?

‘Mensen hebben aandacht nodig. Als je geen aandacht krijgt in het leven, ga je dood. Dus aandacht is een drijfveer. En als je met bepaald gedrag aandacht krijgt, neemt het gedrag toe, net als bij honden. Op een of andere manier zit ik kennelijk te hunkeren naar een beetje aandacht. Ergens denk ik: jongen, hou toch een keer op. Maar ja, ik voel me vereerd dat ze me nog willen.’

Je bent nu met je memoires bezig, toch?

‘Het probleem is het opbrengen van discipline. Ik zit op pagina 200, maar dan laat ik het weer een tijdje liggen. Ik kan niet te lang wachten, want dan ben ik dood. Ik moet aan de slag.’

Ben je door het schrijven over je leven tot nieuwe inzichten gekomen?

‘Het verhaal van mijn ouders is simpel. Ze hadden een raar huwelijk en praatten niet met elkaar. Mijn vader was een imposante man, een mooie man, voorzitter van het Productschap van Vee en Vlees, hij gaf lezingen en voordrachten. Soms stond hij voor de spiegel te orakelen en dan zat ik met respect naar hem te luisteren. Dat is zijn invloed geweest. Maar hij sprak niet met me. Pas toen hij darmkanker kreeg, toen ik 23 was, begon hij te praten. Als kind leefde ik vooral op straat. In sport was ik de beste, op straat kreeg ik waardering, en aandacht, en ik heb je net verteld wat er dan gebeurt: het gedrag waar je aandacht mee krijgt, neemt toe. Daarnaast deed ik van alles, voor een paar gulden in de week haalde ik de vuilnisbakken naar beneden in de Vrolikstraat in Oost, vanaf drie hoog. En ik had een bakfiets, waarmee ik meubels ophaalde die ik verkocht op het Waterlooplein. Ik had een impresariaat voor bandjes, organiseerde de schoolkrant en de schoolkantine. Kortom, ik had het druk. Maar niet met leren. Mijn huiswerk deed ik op de fiets.’

Hoe komt het dat je zo ondernemend bent?

‘Mijn vader was ook zo. Alles gebeurde bij mij impulsief, ik heb mijn leven niet gepland. Toen ik het dierenhotel begon, en het gedragscentrum, toen er franchises kwamen, toen werd het een verantwoordelijkheid. Dan ben je de Albert Heijn aan het worden. Ik ben 80, maar het merk Martin Gaus leeft voort, ook door mijn kinderen. Sacha startte de Martin Gaus Academie, en Serge een blindengeleidehondenschool. Er zijn nog overal in Nederland hondenscholen die mijn naam dragen. Dat is lekker om te voelen. Ik ben dus op een of andere manier onsterfelijk. Ja, deze idioot is zo ver heen, dat hij zelfs na zijn dood invloed wil blijven uitoefenen op de gemeenschap. Volkomen belachelijk.’

Waar staat het voor, het merk Martin Gaus?

‘Kwaliteit in opvoeden op een dierwaardige manier. Heel vroeger deed men dat met geweld, ik ook. Honden corrigeerde je keihard met een slipketting. Ik heb het jaren gedaan. Tot ik een mevrouw tegenkwam in Engeland, Karen Pryor, die me uitlegde dat ik een clicker moest gebruiken. Dat ik positief moest trainen, het goede gedrag belonen in plaats van het slechte bestraffen. Ik was volledig opstandig, ik kon het niet opbrengen, maar het nestelde zich toch ergens in mijn hoofd. Daarna leerde ik John Fisher kennen, een Engelsman, die ook de positieve methode hanteert. Die zag dat ik een recalcitrant typetje was, dat ik het niet wilde aannemen. Die zei niet dat mijn manier fout was, maar hij zei: Martin, dit is een ándere manier. Dat zette me aan het denken. Toen ging ik het uitproberen en uiteindelijk hebben we zo ongeveer heel Nederland overgezet op diervriendelijke opvoeding.’

De stroming van Cesar Millan, die wel draait om corrigeren, is toch ook behoorlijk populair?

‘Ja, die heeft dan een Duitse herder die erg trekt, en die krijgt een knal in de nek met een gemeen dun riempje, eigen schuld, dikke bult. Dat deed ik lang geleden ook zo, maar het is totaal achterhaald. De hond stopt met trekken omdat hij niet van pijn houdt. Weet je wat het is, met het opvoeden van honden? Ook als je het helemaal verkeerd doet, gaan ze vaak luisteren. Maar als je het op mijn manier doet, krijg je een totaal andere hond: een hond die je echt durft aan te kijken, vol vertrouwen, in plaats van dat hij wegkijkt omdat hij bang voor je is. Je hebt er alleen iets meer geduld voor nodig.’

Dus het is onzin dat je als baas de ‘roedelleider’ moet zijn?

‘Achterhaald. Dat is ontstaan door een Duitse hondentrainer, die zelf wolven hield op een groot terrein, en daar heeft geobserveerd hoe wolven elkaar corrigeerden. Daar is een opvoedmethode uit ontstaan. Maar wolven in de vrije natuur corrigeren elkaar nauwelijks. De rangorde in een omheinde omgeving is anders dan in de natuur. Ik heb zelf zeven wolven gehad, waarvan er eentje bij me in huis heeft gewoond. Ik wilde kijken of ik hem kon opvoeden, maar dat lukte niet. Het is een totaal andere diersoort. Heel moeilijk zindelijk te krijgen ook. Als ik stress bij die wolf veroorzaakte, omdat ik toen nog aan het corrigeren was, liep zo de ontlasting eruit. Spuitpoep.’

In je boek Hondenmanieren schreef je over een pup die iets in zijn bek heeft en niet wil loslaten: ‘Wanneer de pup volhardt in zijn opstand, zult u nog harder moeten optreden. U corrigeert hem dan door zonder iets te zeggen hard en onverwacht in de nek te knijpen en direct weer los te laten. Hij zal zich kermend op de rug gooien. Het is taal die hij begrijpt. Zijn moeder doet het zo.’

‘Ja, er is sprake geweest van voortschrijdend inzicht. Zo doet zijn moeder het, heel zelden trouwens. Maar als je mensen vertelt dat ze het zo moeten doen, dan gaan er excessen plaatsvinden. Dan gaan ze het ook op andere momenten doen. Als jouw pup met je handtasje aankomt, leer je hem apporteren met een balletje. Hij moet leren dat het pakken van het balletje hem meer oplevert dan die tas.’

Dat je slager bent geweest, veranderde dat de manier waarop je naar dieren keek?

‘Omdat ik vaak met mijn vader meeging naar de abattoirs, als kind, raakte ik afgestompt. Ik heb koeien gevild, ik moest ze openmaken. Sommige dingen bleven moeilijk, zoals wanneer er koosjer werd geslacht. Dan werden de poten onder de koe vandaan getrokken zodat hij op de grond viel en dan ging er een mes door zijn nek. Af en toe ging dat mis, dan hing de kop er nog half aan en zag je de koe creperen. Ik heb ook gezien dat zo’n koe de benen nam. Dan stonden we allemaal achter een paal, terwijl die koe krankzinnig werd. Dat is niet te verwerken. Walgelijk. Maar het walgelijkst was het slachten van varkens. Die kwamen uit een vrachtwagen, ze werden met een prikker vooruitgedreven, gillend, waarna ze door een meneer met een elektrische tang onder stroom werden gezet, net zo lang tot ze bewusteloos waren. Daar stond ik als jongetje van 10 naar te kijken. En ik bleef kijken, het fascineerde me, ik ging niet huilen. Totdat er op een gegeven moment een varken nog bij bewustzijn de schrapmachine in ging, een apparaat om de haren te verwijderen. Dat varken was niet goed verdoofd. Dat is een moment dat me altijd is bijgebleven.’

Eet je zelf vlees?

‘Eigenlijk moet je het niet doen. Maar het is lastig, als je op een bepaalde manier bent grootgebracht, om er afstand van te nemen. Dan kost het veel moeite om die biefstuk niet te eten, die spareribs te laten staan. Ik zie nog zo voor me hoe mijn vader in de keuken het vlees stond te snijden, een plakje in zijn mond deed en zei: mmm, vlees is kracht! Ik eet het nog wel, maar ongelooflijk veel minder dan vroeger.’

Waarom hadden je ouders een raar huwelijk?

‘Mijn vader was een stille man. Soms had hij een slechte dronk, hij schold mijn moeder dan helemaal verrot. De volgende dag had hij spijt en stopte hij met drinken, maar een paar jaar later gebeurde het weer. Ook had hij een affaire met een beeldschone buurvrouw en met een leuke mevrouw op het abattoir. Ik weet van drie verhoudingen, maar het kunnen er ook meer zijn geweest. Er kwam enorme bonje van. Op een gegeven moment zouden mijn ouders uit elkaar gaan, ik zie hem nog staan bij de kast, hij haalde zijn spullen eruit. Toen zei hij: ‘Martin, met wie ga je mee, met mij of met je moeder?’ Een enorm dilemma. Ze zijn uiteindelijk niet uit elkaar gegaan, maar een nare toestand was het wel.’

Met wie had je een betere band?

‘Met mijn vader. Ik vond mijn moeder niet lekker ruiken. Eau de cologne van 4711, in zo’n groen flesje. Buitengewoon vies. Toen ik 20 was overleed mijn moeder, aan darmkanker. Ze lag in het ziekenhuis met een buik die steeds dikker werd, en zei: ‘Ik ga de kanker baren.’ Sjongejonge, wat een ellende. Mijn vader kwam natuurlijk op visite. En op een gegeven moment, ze was bijna dood, maakte ze mijn vader in het ziekenhuis voor rotte vis uit, omdat hij niet van de vrouwen kon afblijven. Een explosie van emoties, echt shocking. Dan zie je wat een impact het heeft als er iets gebeurt tussen een man en een vrouw die beloofd hebben dat ze elkaar kunnen vertrouwen. De dood zou voor vergeving moeten zorgen, maar zelfs dat kon niet meer. De laatste weken ging ik dagelijks naar haar toe, maar mijn vader is niet meer geweest. Hij heeft daar verschrikkelijke spijt van gehad. Ik heb hem zeker twee jaar lang iedere zaterdag naar de Oosterbegraafplaats zien gaan.’

Was je boos op je vader, vanwege die affaires?

‘Nee. Ik weet door alle boeken die ik heb gelezen inmiddels een beetje hoe mannen functioneren. Mannen kunnen met één zaadlozing de hele Verenigde Staten dekken, terwijl vrouwen een paar lullige eieren op stok hebben die uiteindelijk naar beneden donderen en dan niets meer waard zijn. Zo simpel is dat. Een vrouw is dus selectief, en een man veel minder. En daar ontstaat een heleboel ellende uit.’

Dus je vader kon er niets aan doen?

‘Nou, niets aan doen, dat ook weer niet. Maar een man is zwakker.’

Heb je daar zelf ook last van gehad, van die zwakheid?

‘Daar wil ik het niet over hebben, dat onderwerp haat ik. Waar het om gaat is: voor een vrouw is het krijgen van een kind een enorme investering, terwijl een man nooit zeker weet of het wel van hem is.’

Jij nam twee kinderen aan van wie je in ieder geval zeker wist dat ze niet van jou waren.

‘Als Hellie tien kinderen had gehad, had ik ze alle tien genomen. Hellie is ten eerste bloedmooi. Ten tweede, ze heeft geen kapsones. Drie, ze heeft geen vooroordelen over mensen. Ze heeft een hele rij van eigenschappen die mij aanspreken. Ze kwam bij mij in het bedrijf, ging de honden verzorgen, de kennels schoonmaken, stond iedere dag om half vijf op, ook in het weekend, en ging elke avond om half negen naar bed.’

Hellie heeft ook al jouw boeken geschreven.

‘Ja, fantastisch. Ik zei: Hel, er moet een boek geschreven worden, dit zijn de hoofdstukken, je weet wel ongeveer wat erin moet. Ik schreef dan nog een voorwoordje.’

Dat vond ze niet erg, dat jij dan groot met je naam en foto op de boeken stond die zij had geschreven?

‘Nee, dat interesseerde haar niet. Dat is typisch Hellie. Zonder Hellie had ik nooit kunnen bereiken wat ik heb bereikt. Hellie ruimde de rommel op. Al mijn snode plannetjes voerde zíj uit. Alleen toen ik een helikopter wilde kopen, zei ze: nu ga je te ver. Ze vond het megalomaan. Ik teken niet, zei ze. Ze had natuurlijk helemaal gelijk.’

Je dochter Sacha zei: ‘Mijn moeder is intrinsiek gemotiveerd, mijn vaders motivatie komt van buitenaf. Hij is enorm nieuwsgierig, leest alles wat los en vast zit, maar dan wil hij het daarna wel overdragen. Hij wil dat mensen van hem onder de indruk zijn.’

‘Ik lees van een boek alleen de hoofdpunten, om ze daarna onmiddellijk toe te passen. Ik wil scoren. Scoren, scoren, scoren.’

Je was al gevoelig voor waardering van buitenaf, maar als televisieman kreeg je natuurlijk écht veel aandacht. Werd je daar een leuker mens van?

‘Ik vind het fantastisch als mensen mij aardig of leuk vinden, een handtekening willen hebben. Mijn bekendheid had ik ook nodig om het bedrijf te runnen. Ik ondervond er vooral voordelen van.’

Toen je een nieuwe nier nodig had, vertelde je in de krant dat je een donor zocht. Hoeveel mensen meldden zich aan?

‘Een stuk of twaalf. Alleen maar omdat ik een bekende Nederlander ben. Ik maakte daar gebruik van, natuurlijk. Ik wilde leven.’

De deurbel gaat. Chica begint te blaffen. Gaus, onbewogen: ‘Territorium. Corrigeren helpt niet. Ik ga er een sessie van maken. Dan ga ik iemand tien keer op de bel laten drukken, en dan leid ik haar af. Klik. Snoep. Klik. Snoep. En dan ga ik doorklikken. Ga het thuis maar oefenen met je eigen hond. Je kunt het ook met je echtgenoot doen, dan zeg je: ik verstop iets in huis en ik zal signalen met mijn clicker geven over waar je het kunt vinden. Als hij de goede kant op loopt, klik! En dan geef je hem een dropje. Je laat je hond meekijken, dan gaat die het ook begrijpen.’

Dit moet ik met m’n man doen?

‘Ja, dan maak je het aanschouwelijk.’

Oké, ik ga het proberen.

‘Het is fantastisch om te doen. Wat voor hond heb je?’

Een rescuehond uit Italië. Een angstige hond, dus dat is soms lastig buiten. Binnen luistert hij wel heel goed.

‘Je houdt van hem. O god, ik zie het aan je. Leuk hè. Je moet snel aan de slag met de clicker. Een uitkomst.’

Zijn andere dieren minder interessant dan honden?

‘Een hond voelt het als je met hoofdpijn op bed ligt en komt bij je liggen, met zijn kop in je nek, wat-ie normaal nooit doet, en misschien krijg je zelfs een likje. Een hond begrijpt je. Of, laat ik het zo zeggen: het líjkt alsof hij je begrijpt. Maar ik vind het ook fantastisch om te vertellen hoe ik met een zeekoe in het water lag, in een aquarium. Hij kwam naar me toe, met die rudimentaire pootjes en die grote kop, en deed zijn pootjes om me heen. Dan voel je dat warme lijf tegen je aan smelten. Dat vind ik zó bijzonder, dat een dier op die manier contact zoekt. O, ik heb zoveel meegemaakt. Ik liep in een leeuwenverblijf, voor televisie, en de mensen moesten denken: o wat spannend, dus ik loop naar zo’n leeuw en kriebel hem in zijn nek, pak zijn voorpoot en druk de nagels naar buiten, ondertussen vertel ik hoe ongelooflijk het is. Dat is weer dat zieke van mij, die zucht naar aandacht. Freek Vonk heeft het ook, die is nog veel erger dan ik.’

Jij liet je honden ook bij je in bed slapen.

‘De eerste whippet die we hadden, Raisa, zat op een gegeven moment op bed. Ik stuurde haar eraf, maar ze deed het weer, en weer. Met die grote ogen keek ze me aan, en ik dacht: ach, laat haar maar. Ze mochten alleen niet tussen ons in, van mijn vrouw. Ik vind een hond in bed zo schattig. Dan werd ik ’s ochtends wakker en dan lag dat koppie daar, zo verschrikkelijk lief. Ik vind het geweldig dat die hond ervoor kiest om bij je te komen liggen. Ik zie dat als een bestendiging van de verstandhouding die ik met een hond heb. Toen we twee whippets hadden, sliepen ze allebei bij ons in bed, aan de zijkanten. We hebben ook een Duitse dog in bed gehad, maar die was wel erg groot.’

Hebben jullie een extra groot bed?

‘220 breed, denk ik. Johan Derksen, die ik heb geholpen met zijn hond, slaapt ook met de hond in bed. Die heeft een gigantisch bed, speciaal om die reden.’

Denk je dat veel mensen met hun hond in bed slapen?

‘Ik denk het wel, maar veel mensen durven het niet te zeggen. Mensen houden van hun hond. Het is een kind. Het is méér dan een kind, omdat een hond nog afhankelijker van je is, en dat ook blijft. Een kind wordt volwassen en neemt afstand, een hond niet.’

Hoe voedde je je kinderen op, ook zonder straffen?

‘Bij kinderen werkt maar één ding, en dat is consequent zijn. Ik heb Sacha één keer hard aangepakt, toen ze ’s avonds niet naar bed wilde. Dus ik zei: blijf maar zitten, dan zet ik een sprookjesplaat op, dan ga je daar lekker naar luisteren. Zo heb ik haar laten zitten, tot 2 uur ’s nachts. Ze kon niet meer, maar ze mocht van mij niet naar bed. Ik heb er nooit meer last van gehad dat ze niet naar bed wilde. Maar het was achteraf natuurlijk wel een beetje raar.’

Heb je Sacha en Serge meteen geaccepteerd als je eigen kinderen?

‘Jawel. Geen keus. We zijn al snel gaan samenwonen, hun vader was niet echt meer in beeld. De kinderen moesten aan mij wennen, en ik aan hen. Ze hebben zich al snel Gaus genoemd, en wilden niet dat iemand zou weten dat ik niet hun echte vader was, dus ik loog altijd mee, tegen hun vriendjes. En op een gegeven moment is het officieel geworden. Ik liet toen geboortekaartjes maken, alsof ze opnieuw geboren waren, als Gaus. Ik was trots.’

Je bent drie keer bijna dood geweest, zei je.

‘Ik heb een openhartoperatie ondergaan, twintig jaar geleden, kreeg een aantal bypasses. Ik balanceerde op het randje na een dunnedarmperforatie. Mijn nefroloog kwam eraan, dezelfde die mijn nieuwe nier heeft geplaatst, en die zei: openmaken. Ik moest afscheid nemen van mijn vrouw, want er was een grote kans dat ik dood zou gaan. Vervolgens word je wakker op de intensive care, je ziet al die apparaten en denkt: verrek, ik ben er nog, maar als ik dood was gegaan, had ik er niets van gemerkt. Doodgaan is dus niet zo erg. En ik heb een herseninfarct gehad, in mijn binnenzwembad stortte ik in elkaar, Hellie belde de ambulance. Drie dagen nadat ik uit het ziekenhuis was, hield ik drie voordrachten op de Huishoudbeurs.’

Heb je door dat harde werken roofbouw op je lichaam gepleegd?

‘Nee. Ik ben 80. Ik hoor bij de sterken.’

Sacha zei dat je het verschrikkelijk vindt om ouder te worden.

‘Ja. Er zijn ineens, door die parkinson, allemaal beperkingen, mijn wereld is een heel stuk kleiner geworden. En dat vind ik verdomde moeilijk.’

Daarom ga je nog twee voordrachten geven.

‘Mijn laatste kunstje. Zo’n mafkees ben ik.’

En dat boek ga je nog afmaken, toch?

‘Ik hoop het.’

Ervaar je nog weleens een echt geluksmoment?

Lange stilte. ‘Wat een intieme vraag. Als je een geliefde hebt, van wie je heel veel houdt, en je vrijt met elkaar, dan is dat het tegenovergestelde van doodgaan. Wat ik graag wil, is dat, ook als je ouder bent, die intimiteit behouden blijft.’

Chica, die op een kussen in de vensterbank ligt te slapen, snurkt luid.

Goed moment om heel hard te gaan snurken.

‘Dat komt door haar korte snuit, ademhalingsproblemen. Bij haar valt het trouwens nog mee, het kan veel erger. Maar goed, die momenten, waarop je zo ontzettend veel voelt, waarop je na afloop met rubberen benen in bed ligt, elkaar vasthoudt en tegen elkaar zegt: lieve schat, wat hebben we het toch goed, wat vind ik je toch lief – die momenten, die wil ik houden. Ik hoop dat het kan.’

Maar dat kun je toch tot in lengte van dagen doen?

‘Had je gedacht.’

Zo’n moment kan niet zonder seks?

‘Je kunt knuffelen, maar het ultieme geluksmoment is een orgasme. Daarom zijn er zoveel mensen op de wereld. Omdat ze dat geluksmoment allemaal nastreven.’

Opgewonden springt Chica ineens van haar kussen in de vensterbank. ‘Ze heeft iets of iemand zien aankomen’, concludeert Gaus. ‘Ze kan van acht hoog naar beneden kijken en zien dat Hellie eraan komt. Fantastisch!’

Honden gaan niet vervelen.

‘Nooit.’

Cv Martin Gaus

5 december 1944 Geboren in Amsterdam.
1964 Eerste Openbare Handelsschool, Amsterdam.
1962 Tweevoudig international voor het Nederlands honkbalteam.
1965 Praktijkopleiding tot slager.
1970 Mede-eigenaar metaalwarenfabriek.
1974 Start dierenhotel in Lelystad, bedrijf breidt later uit met een opleidingscentrum en huisdierencrematoria.
1981-2010 Presentator Dierenmanieren, Huisdierenmanieren en Dierenmanieren op reis.
1989-1996 Presentator Natte Neuzen Show.
1981-heden Auteur van veertien boeken over honden en katten.
1990 Uitgever van tijdschriften Hondenmanieren en Kattenmanieren.
2001 Bedrijf overgedragen aan kinderen Sacha en Serge Gaus.
2003 Dierendeskundige in De wereld van K3.
2004 Lijstduwer voor Partij voor de Dieren bij de Europese verkiezingen.
2006 Lijstduwer voor Partij voor de Dieren bij de Tweede Kamerverkiezingen.
2011 Presentator Royal Canin Dog Challenge op RTL 4.
2014 Ridder in de Orde van Oranje-Nassau.
2017 YouTube-serie Fikkie TV.
2020 Prins Pet Foods neemt Martin Gaus Academie over, evenals het dierenhotel.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Lees hier alle artikelen over dit thema

Source: Volkskrant

Previous

Next