Terwijl Israël op de Golanhoogte steeds meer land van Syrië inneemt om een ‘veilige bufferzone’ te creëren, zit de oorspronkelijke bevolking van Druzen gevangen in dilemma’s. ‘We voelen ons Syrisch, maar een Israëlisch paspoort is wel zo handig.’
is buitenlandredacteur van de Volkskrant. Ze schrijft over Israël en de Palestijnse gebieden, het Midden-Oosten en België.
Het is doodstil langs het grenshek tussen Israël en Syrië. Je hoort vogels en soms rijdt er een auto voorbij, maar er staat niemand met een megafoon naar de familie aan de andere kant te schreeuwen, zoals jarenlang wel het geval was.
‘Het was de enige manier om met elkaar te praten’, zegt Kinj Abu Saleh (56), die zich heeft vergist in het weer: de zon schijnt, maar de wind in de bergen van de Golanhoogte snijdt door zijn leren jasje heen, dat hij nu toch maar dicht ritst. ‘Op die manier konden we familieleden in Syrië informeren over een bruiloft, een sterfgeval of een geboorte. Tegenwoordig is dat niet meer nodig. We kunnen gewoon even bellen of bijpraten via WhatsApp.’
Sinds de val van het Syrische regime begin december, is er veel te bespreken met de ooms en tantes aan de andere kant van het hek. Eerst was er de vreugde dat de dictator Bashar al-Assad eindelijk was verdreven en, tegelijkertijd, de vrees voor wat de nieuwe machthebbers zouden brengen. Maar nu zijn er vooral zorgen over de plannen van Israël met het grensgebied.
Een paar uur na de val van Assad reed het Israëlische leger de grens al over: het was tenslotte afwachten of de ontwikkelingen in Syrië niet tot nieuwe chaos zouden leiden, en dan kun je maar beter klaarstaan, klonk het van Israëlische kant. Dat Israël eigenlijk niet in de bufferzone mag komen – een gebied waar volgens de afspraken die in 1973 kort na de Jom Kippoeroorlog zijn gemaakt geen militairen mogen zijn, afgezien van een kleine duizend VN-blauwhelmen – werd door Israël weggewuifd. Het was immers maar tijdelijk.
Afgelopen zondag zei premier Benjamin Netanyahu echter dat de Israëlische militairen voor ‘onbepaalde tijd’ aan de Syrische kant van de grens zullen blijven en dat het Syrische leger er moet wegblijven. Dit werd door de Syrische interim-premier Ahmed al-Shara verworpen. Hij riep de internationale gemeenschap op om de druk op Israël op te voeren ‘om de agressie te stoppen’.
Abu Saleh zit letterlijk klem. Hij is een Syriër in bezet gebied en zijn droom dat de Golanhoogte door Israël ooit weer wordt teruggegeven aan Syrië, wordt met de dag kleiner.
De Golanhoogte werd in 1967 tijdens de Zesdaagse Oorlog door Israël veroverd. Vanwege de strategische ligging (ze vormt een buffer tegen mogelijke aanvallen vanuit Syrië) en de toegang tot de oevers van het Meer van Galilea (Israël is voor een groot deel afhankelijk van dit gebied voor zijn watervoorziening), piekert Israël er niet over om haar weer af te staan.
Veertien jaar na de oorlog werd de Golanhoogte door de Israëliërs geannexeerd, zonder veel tegenwerpingen van de internationale gemeenschap. Er werd hooguit een beetje gesputterd toen de Amerikaanse president Donald Trump de Golanhoogte tijdens zijn eerste termijn als ‘onlosmakelijk onderdeel van Israël’ erkende.
De meeste van de oorspronkelijke bewoners, de Druzen, voelen zich echter Syrisch. ‘We zijn met weinig’, zegt Abu Saleh, ‘vier dorpen in afgelegen, bergachtig gebied, met in totaal ongeveer 25 duizend inwoners.’ Er wonen ondertussen meer Israëliërs in nederzettingen op de Golanhoogte, naar schatting zo’n 27 duizend. Bijvoorbeeld in Trump Heights, de nederzetting die uit dank voor de erkenning naar de Amerikaanse president is vernoemd.
In Israël zelf wonen ongeveer 150 duizend Druzen, een Arabische religieuze gemeenschap die een mystieke vorm van de sjiitische islam beoefenen. ‘Zij leven in delen van het land die in 1948 al bij Israël hoorden’, legt Abu Saleh uit. ‘Zij hebben de Israëlische identiteit geaccepteerd en dienen ook in het Israëlische leger. Wij willen dat pertinent niet. Toen ons gebied in 1981 werd geannexeerd, hebben we onze verplichte Israëlische identiteitskaarten publiekelijk verbrand. Ook al zijn hier geen checkpoints en komen Israëliërs hier graag op vakantie, het blijft bezet gebied.’
En nu dreigt er dus meer landjepik, zegt Abu Saleh. Even verderop trekt een karavaan vrachtwagens de bestandslijn over. Het zijn volgeladen Israëlische trucks, het materiaal zorgvuldig afgedekt met ondoorzichtig, wit plastic. Ze rijden door een zwaarbewaakte poort in het grenshek en klimmen stapvoets de berg op, over nieuw aangelegde wegen, Syrisch gebied in.
‘Die wegen hebben de Israëliërs echt niet aangelegd om mijn ooms en tantes in Syrië een plezier te doen’, zegt Abu Saleh. ‘En kijk naar de top.’ Hij wijst naar een aantal witte gebouwtjes en iets dat op een toren lijkt. ‘Een gloednieuwe Israëlische basis. Die was er twee maanden geleden nog niet.’
Satellietbeelden lijken deze waarnemingen te bevestigen,
daarop is te zien dat Israël zeker zeven nieuwe militaire bases in de bufferzone heeft gebouwd. Er zijn commandocentra, slaapkwartieren, douches en klinieken verrezen, schreef de Israëlische krant Haaretz onlangs.
In Majdal Shams blijkt hoe gevoelig het onderwerp is. Het Druzische dorpje ligt op de flanken van de berg Hermon behoorlijk afgelegen, maar voelt toch werelds aan. Er zijn hippe koffietentjes en modewinkels. Vrouwen in westerse kleding rijden rond in dure SUV’s, in bars wordt gewoon alcohol geschonken, en er zijn meer uithangborden in het Hebreeuws en het Engels, dan in het Arabisch.
Een oudere man wil best uitleggen waar het enorme koperen standbeeld in het dorp voor staat ( de strijd tegen de Franse koloniale heersers in 1925), maar wil zijn naam liever niet geven, en houdt de lippen stevig op elkaar als het over de huidige situatie gaat. Dat geldt ook voor de bezoekers van een supermarkt en voor de uitbater van een kleine souvenirwinkel.
‘De kwestie heeft altijd een wig gedreven in onze gemeenschap’, legt een veertiger uit, die niet met zijn naam in de krant wil. ‘Mensen die het Israëlische paspoort accepteerden, werden lange tijd met de nek aangekeken. Verraders waren het. Ze waren niet meer welkom op bruiloften. En als ze een winkel hadden, ging niemand daar meer boodschappen doen.’
Dat is tegenwoordig anders, vertelt hij, en dat komt deels door de burgeroorlog die in 2011 in Syrië uitbrak. ‘Vroeger gingen jonge Druzen in Syrië studeren, maar dat is veranderd. Nu leren ze Hebreeuws en studeren ze in Tel Aviv of Haifa, waar ze vervolgens ook een baan vinden. Zeker jonge Druzen, die Syrië eigenlijk alleen uit de verhalen kennen, denken dat ze in Israël een stuk beter af zijn.’
‘Het is ook domweg gemakkelijker om wel een Israëlisch paspoort te hebben’, zegt een jonge vrouw die zich voorstelt als Kinana, en in een winkel tussen de rekken met merkkleding zoekt naar een nieuwe broek. ‘Voor sommige universiteitsbeurzen moet je bijvoorbeeld de Israëlische nationaliteit hebben. En als we willen reizen, is een Israëlisch paspoort ook veel handiger. Dus ja, daar heb ik voor gekozen.’
Yasser Khanger (47) heeft geen Israëlisch paspoort. De dichter, activist en hoogleraar oude semitische talen aan de Birzeit Universiteit in Ramallah heeft wel iets anders in huis. Hij legt de tuit van zijn waterpijp op zijn stoel en rent op zijn sokken naar de slaapkamer, om terug te keren met de vlag van de Syrische revolutie. ‘Kijk’, zegt hij enthousiast. ‘De vlag van mijn land!’
Het is in Israël strafbaar om deze vlag in huis te hebben, vertelt hij – als activist heeft hij zelf ook meerdere malen in de cel gezeten. ‘Maar ik ben een Syriër, en of ze me nu met de harde of de zachte hand bij Israël proberen te trekken, ik zal me blijven verzetten.’
Liefst zou Khanger, een vrolijke man met dansende krullen, willen dat de Golanhoogte vandaag nog aan Syrië wordt teruggegeven, ondanks de onzekere toekomst die hun dan zou wachten. ‘Ik hoop dat er in Syrië uiteindelijk verkiezingen worden gehouden. Dat er mensen aan de macht komen die het geloof niet als uitgangspunt hebben, maar die staan voor een democratie met vrijheid voor iedereen – onafhankelijk van de belangen van de buurlanden. Of de huidige leiders daartoe in staat zijn, weet ik niet. Ze zijn in het verleden gelieerd geweest aan Al Qaida, maar laten we hun voorlopig het voordeel van de twijfel gunnen.’
Terwijl hij thee zet, gemaakt van verse kruiden uit zijn tuin, zegt Khanger dat hij de verhalen van vrouwen als Kinana kent, en zeker ook begrijpt. ‘Maar wat mij betreft kun je niet én een Golani én een Israëliër zijn, want de Golani’s, dat zijn Syriërs. Als je hier bent geboren, maar toch het Israëlische paspoort accepteert, vervolgens in het leger moet dienen en bijvoorbeeld in Gaza om het leven komt, vind ik dat je niet hier op de Golanhoogte begraven kunt worden. Dit is Syrische grond, daar horen Israëlische soldaten niet thuis.’
Het is overigens slechts een minderheid die voor een Israëlisch paspoort kiest, stelt Khanger. ‘Op dit moment gaat het om 20,6 procent van de Druzen uit de Golanhoogte. En ik geloof dat ze dat niet uit overtuiging doen, maar uit pragmatische overwegingen.’
Dat lijkt te worden bevestigd als Kinana in de kledingwinkel wordt gevraagd of zij zich ook Israëlisch voelt. Ze lacht. ‘Het leven is hier goed’, zegt ze knipogend. ‘Maar in mijn hart ben ik Syrisch.’
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant