Home

Geopolitiek zware tijden vragen om relativering. Waarom wordt er zo laatdunkend gedaan over carnaval?

Carnaval valt laat dit jaar. Dat heeft carnavalsminnend Nederland extra tijd gegeven om zich goed voor te bereiden op aanstaand weekend. Want volgende week, op Aswoensdag, komt er namelijk al weer een einde aan een carnavalsseizoen dat startte op 11 november en waarin duizenden Nederlanders – over de scheidslijnen van generaties, opleidingsniveau of politieke voorkeur – zich hebben georganiseerd in een orkest, bestuur of bouwclub. Dan hebben er van Bergen op Zoom, Oldenzaal tot Maastricht weer tientallen toneelvoorstellingen en cabaretshows plaatsgevonden, zijn er ziekenhuizen bezocht, verzorgingstehuizen opgefleurd, is er geld opgehaald voor goede doelen en is de alledaagse zwaarte bestreden met de luchtigheid van het lentefeest. Het sociaal kapitaal van carnaval.

Je zou dus verwachten, juist met die lange aanloop, dat er voldoende tijd was voor journalisten om in te zoomen op wat die duizenden mensen bezighoudt. Een snelle blik op de verslaglegging van zowel Trouw, de Volkskrant als NRC van de afgelopen zes weken leert dat er welgeteld één bericht over carnaval dat journaille heeft gehaald. Zowel Trouw als deze krant namen een foto op van de carnavaleske botenparade in Venetië. In tegenstelling tot de journalistieke nieuwswet lijkt nabijheid in het geval van carnaval juist geen dwingend criterium.

Over de auteur
Mark van Ostaijen is bestuurssocioloog aan de Erasmus Universiteit. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

Een gemiste kans. Want juist geopolitieke zware tijden vragen om enige relativering. Zo had ik wel willen lezen hoe het verenigingsverband standhoudt na covid, hoe het boerenprotest doorklinkt in de lokale carnavalsviering, hoe de inflatie onevenredig wordt doorberekend aan de tap, hoe in het Limburgse dorp America de MAGA-campagne wordt opgepikt en hoe de Duitse verkiezingen werden beleefd in carnavalshoofdstad Keulen. Maar in zowel Trouw, de Volkskrant als NRC niets van dit alles.

Nu is dat niet helemaal waar. Naast een fotoreportage boog columnist Peter de Waard zich in de Volkskrant over carnaval. Hij stelde: ‘Voor de nationale economie wordt de economische waarde van het hosfeest betwist. SEO berekende dat carnaval de Nederlandse economie elk jaar tussen de 1 en 2 miljard euro kost. Volgens SEO gaat hierdoor in Limburg en Noord-Brabant 2,5 productiedag verloren – inclusief het ziekteverzuim door katers. Dat is voor die dagen een verlies van tussen de 15 en 30 procent van het bbp.’ De Waard tuigt vervolgens een narrige boom op waarom carnaval een ‘stompzinnig non-event’ is wat dus verboden (ik verzin dit niet) moet worden.

Als ik niet moest lachen om deze calvinistische kruideniersmentaliteit, dan had ik er wel om kunnen huilen. Want los van de benepen kosten-batenanalyse, waarmee je overigens iedere maatschappelijk waardevolle investering (zoals bijvoorbeeld onderwijs) kunt wegschrijven, wordt vergeten dat vrije dagen (‘het verlies van productiedagen’) een arbeidsrecht zijn. Bovendien worden miljoenen mensen gedwongen een vrije dag op te nemen, juist vanwege de afwezigheid van een nationale of lokale regeling.

Vergelijk dit eens met het Leids Ontzet of de Gentse Feesten, waar alle lokale Leidse en Gentse instellingen tijdens die viering gesloten zijn. Maar op carnavalsmaandag kan iedere burger gewoon bij de gemeente Breda of Eindhoven een paspoort afhalen.

Met andere woorden, vanuit nationaal perspectief bestaat carnaval niet. Het schittert in journalistieke afwezigheid, bestaat hooguit als te duur ‘non-event’ of als ‘stompzinnig hosfeest’ met minder waarde dan Pinksteren. Het doet er niet toe. Dat beeld beklijft ook rondom de aanstaande ‘columnistenmarathon’. Een sympathiek initiatief van deze krant, maar tijdens Ramadan en op carnavalszondag. Een gemiste kans in tijden waarin kranten worstelen met hun

bereik en waarin journalisten en politici de mond vol hebben van de ‘kloof tussen stad en platteland’.

In februari 1928, dus bijna honderd jaar geleden, schreef de essayist en latere P.C. Hooftprijs-winnaar Anton van Duinkerken in zijn Verdediging van Carnaval dat carnaval ‘meer is dan een nationaal gebeuren, het treft de mensheid in haar geheel’. En zodoende is ‘niet wie carnaval viert, veroordeeld een barbaar te worden, maar wie deze viering verwerpelijk acht, heeft grote kans het

reeds te zijn’.

Als het democratisch is om minderheden te beschermen, dan verdient carnaval enige bescherming. Ook honderd jaar na dato lijkt die verdediging namelijk nog steeds nodig.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant columns

Previous

Next