Den Helder, voorheen bekend als de lelijkste stad van Nederland, is zichzelf opnieuw aan het uitvinden. Met een combinatie van spectaculaire nieuwbouw en renovaties is zowel het stadsbeeld als de stemming veranderd. ‘Dit gebouw geeft bewoners een gevoel van trots.’
schrijft voor de Volkskrant over architectuur, landschapsontwerp en stedenbouw.
Wat hebben galerijflats in Den Helder en de Catalaanse architect Antoni Gaudí met elkaar te maken? Ogenschijnlijk niets, maar voor architect Ron van Leeuwen van bureau Kokon was de link snel gelegd toen hij van Woningstichting Den Helder opdracht kreeg om twee jarenzeventigflats aan de Baskeweg te ‘upgraden’.
‘Het waren monotone flats en bepaald niet mooi’, aldus Van Leeuwen. ‘Dus ik dacht: wat vinden mensen wél echt een mooi gebouw?’ Hij kwam uit bij appartementengebouw Casa Milà, dat Gaudí tussen 1906 en 1912 in Barcelona bouwde, met glooiende balkons en een rijkdom aan ornamenten.
Tegen de bestaande balkons en galerijen aan ontwierp van Leeuwen soortgelijke bollende balkons, die hij liet maken met 3D-betonprinters. Zo creëerde hij een spectaculair gevelbeeld en royale buitenruimtes bij de appartementen.
Bewoners Truida en Ard Kruif, die twee jaar geleden in de eerste gerenoveerde flat trokken, hebben hun balkon ingericht met een moestuintje, een zandbak voor de kleinkinderen en een grote eettafel. ‘Als je hier in de zon zit met een glaasje wijn, en je kijkt richting de duinen, voelt het of je in het buitenland bent’, zegt Truida.
Als de tweede flat in maart wordt opgeleverd, staat hier het grootste 3D-geprinte project ter wereld, vertelt Van Leeuwen trots. Het is er een in een reeks opmerkelijke projecten die de afgelopen jaren in Den Helder zijn gerealiseerd.
Even verderop, in de Waddenzeestraat, renoveerde Beltman architecten met hulp van kunstenaars Arno Coenen en Iris Roskam – bekend van hun plafondkunstwerk in de Markthal Rotterdam – drie portiekflats in de kleurrijke stijl van de Oostenrijkse kunstenaar Friedensreich Hundertwasser. Een andere blikvanger is het nieuwe prijswinnende stadhuis op de voormalige rijkswerf Willemsoord, gevestigd in de oude mastenloods en zeilmakerij.
Den Helder, dat lange tijd bekend stond als de lelijkste stad van Nederland, en bij toeristen vooral als ‘de doorgang naar Texel’, is zichzelf opnieuw aan het uitvinden. Hoe is dat zo gekomen?
‘Onze verantwoordelijkheid reikt verder dan woningen onderhouden; als de buurt niet goed is, trekken mensen weg, en hebben wij een probleem.’ Dat zegt Ton Op ’t Ende, bedrijfsleider vastgoed van Woningstichting Den Helder in zijn kantoor, dat is gevestigd in de voormalige meisjesvakschool De Vijfsprong.
22 jaar geleden verhuisde de woningcorporatie – die 37 procent van de woningen in Den Helder bezit – hierheen vanuit een kantoor in een buitenwijk. ‘Wij wilden het goede voorbeeld geven: een vervallen pand nieuw leven inblazen’, zegt Op ’t Ende. Hij wijst op de terrazzovloeren en betegelde lambriseringen in de gangen en hal. ‘Dat is allemaal gereconstrueerd, want van het interieur was niets meer over.’
De situatie in de stad was destijds vergelijkbaar; veel winkels stonden leeg, de woningen erboven verkrotten, er kwamen meldingen van drugsgebruik en prostitutie. ‘Een kleine stad met grootstedelijke problemen’, vat Op ’t Ende samen.
Die problemen zijn terug te voeren tot de Tweede Wereldoorlog; Den Helder was de zwaarst gebombardeerde stad in Nederland, en wat niet platgegooid was, werd door Duitsers gesloopt om een vrij schootsveld op zee te krijgen. Meer nog dan in andere steden heerste er na de bevrijding woningnood. Met snelle en goedkope bouwsystemen werden duizenden min of meer identieke woningen gerealiseerd, bijna allemaal in de sociale huursector.
Steeds meer bewoners trokken richting randgemeenten, op zoek naar een ruimer koophuis. Door de bevolkingskrimp en het relatief lage inkomen was er minder winkelpubliek en kwamen voorzieningen onder druk te staan. In 1993 verhuisde de Koninklijke Marine vanuit de rijkswerf Willemsoord naar een locatie buiten de stad, een leeg terrein achterlatend. De poging van projectontwikkelaar Libéma om daar een maritiem themapark te bouwen, dat de stad op de kaart zou zetten, mislukte.
De stad moest het heft in eigen hand nemen om de neerwaartse spiraal te doorbreken. De gemeente kocht Willemsoord terug, en in 2007 werd er een masterplan gemaakt voor de grootscheepse vernieuwing van het centrum. Dat plan is uitgewerkt door bureau West8. Stationsgebied, winkelstraten, woonwijken; alles ging op de schop. Doel: verdere krimp tegengaan, de stad aantrekkelijk maken voor bewoners, marinepersoneel en bezoekers. De resultaten daarvan zijn duidelijk zichtbaar, en sinds enkele jaren groeit de bevolking licht.
Een prettige stad begint met goede openbare ruimte, zegt stedenbouwkundige Edzo Bindels van West8. ‘Wat wij in 2007 aantroffen, was een ongedefinieerd centrum met de ambiance van Rotterdam Pendrecht. De wederopbouwarchitectuur met haar strakke gevels en lange luifels had ooit een zekere grandeur, maar oogde sleets. De straten, pleinen en winkelpassages, ooit ontworpen met het idee dat Den Helder zou doorgroeien naar 120 duizend inwoners, waren veel te ruim voor de 56 duizend inwoners die er nu zijn.
Terwijl andere steden verdichten, was het hier zaak om te verkleinen en vergroenen. ‘De wind moest uit de openbare ruimte, we wilden warmte en intimiteit creëren’, zegt Bindels. Destijds kwam hij vanuit het station aan op een groot verkeersplein; dat is getransformeerd in een park, terwijl in de omliggende winkelstraten plantsoenen zijn aangelegd.
Doordat de buitenste winkelstraten zijn omgevormd in woonstraten, is het winkelgebied nu compacter, legt Bindels uit. ‘Het culturele centrum en uitgaansgebied hebben we verplaatst naar Willemsoord. In het stadshart hebben we met nieuwbouw en renovatieprojecten de sfeer van rond 1910 teruggebracht, in een moderne vorm.’
Hij wijst op het decoratieve metselwerk en de natuurstenen details in het appartementencomplex De Kamerheer aan het Kanonnenplein, waarvoor bureau Geurst & Schulze zich liet inspireren door het Amsterdamse Scheepvaarthuis. Het staat er nu vijf jaar, ‘maar het voelt alsof het er al langer is’, zegt Kees van der Veen, die met zijn broer Mario onderin het pand Grand Café Nozems runt. ‘Dat gevoel ontbrak in de stad.’
De Kamerheer, de transformatie van het voormalige V&D-gebouw – op dit moment in volle gang – tot appartementencomplex, een foodhal in de vorm van het vooroorlogse station; opvallend veel (ver)bouwprojecten zijn gerealiseerd door de Woningstichting. ‘Projectontwikkelaars willen hier niet bouwen, want er valt financieel geen winst te behalen’, zegt Op ’t Ende.
Dat komt doordat de vierkantemeterprijs in Den Helder laag ligt (2.308 euro per vierkante meter, in Amsterdam is dat ruim 7.500 euro), terwijl bouwkosten hetzelfde zijn. De corporatie besloot – gedurfd – om dan maar zelf maatschappelijke voorzieningen en koopwoningen te realiseren. Niet zomaar een paar ‘straatjes erbij’, maar spraakmakende architectuur, zoals de nieuwbouwwijk Duinpark, met bontgekleurde huizen op een kunstmatig aangelegd duinlandschap.
Maar toen in 2015 de nieuwe Woningwet werd ingevoerd, mochten corporaties zich alleen nog bezighouden met sociale huurwoningen. De Woningstichting besloot daarop om op te splitsen in een deel voor volkshuisvesting en een ontwikkelbedrijf: Helder Vastgoed. Op die manier kon verder gebouwd worden aan buurten en maatschappelijk voorzieningen, zoals de nieuwe bibliotheek School7.
De bibliotheek is gevestigd in een voormalig schoolgebouw uit 1905. Vanbinnen zie je nog de oude toiletten en de verweerde gevel, die op de hoek is opengebroken; door deze ‘poort’ loop je via een fraaie houten tribunetrap naar boven, waar het leescafé is, met knusse hoeken en zitvensterbanken.
Op ’t Ende spreekt van ‘een sleutelproject’, vanwege de strategische positie – tussen het winkelgebied en Willemsoord – en de positieve publiciteitsgolf die op gang kwam nadat School 7 in 2018 tot beste bibliotheek ter wereld werd uitgeroepen. ‘Dat gaf een gevoel van trots bij bewoners. Heel lang waren Heldenaren negatief over hun stad, en dat straalde ook naar buiten uit.’
Bouwprojecten worden steevast met scepsis ontvangen. Een hele reeks plannen voor een nieuw stadhuis werd naar de prullenbak verwezen, voordat de gemeente uiteindelijk besloot om naar Willemsoord te verhuizen. ‘Toen ik het hoorde dacht ik: wat een achterlijk gedoe’, zegt Ard Kruif. ‘Het leek ons een rare plek, aan een evenemententerrein en de drukke weg richting Texel’, vult Truida Kruif aan. Maar nu het stadhuis er is, vinden ze het ‘hartstikke goed werken’.
‘Wij merkten dat er weerstand was’, zegt architect Uri Gilad van Office Winhov, dat het renovatieontwerp maakte. ‘De mensen op de werf dachten dat wij het karakter van de plek zouden wegnemen.’ In de publiekshal die in de voormalige mastenloods is gemaakt, wijst hij op de houten spantconstructie, waarop je de namen ziet die werklieden erop schreven; dat was traditie als zij met pensioen gingen. ‘Men was bang dat wij de namen zouden uitwissen, maar wij zagen direct: dit is prachtig, dat laten we zoals het is.’
De loods is grotendeels opengelaten, met houten wanden zijn er werkvertrekken, een raadszaal en een trouwkamer in getimmerd. Gilad: ‘Door het gebouw op te knappen en open te stellen, is het nu voor iedereen beleefbaar.’
Makelaar Kim van Hemert is vooral blij met het vernieuwde uitgaansgebied. ‘Voorheen zat dat achteraf bij de dijk, nu kun je op Willemsoord naar terrassen, de bioscoop, het theater en het marinemuseum. Met die historische panden aan het water is dat echt een unieke plek.’
Van Hemert werkt in een kantoor aan de Beatrixstraat, die afgelopen jaren pand voor pand is opgeknapt. Zo stralend als de bakstenen gevels ogen, is het nauwelijks meer voorstelbaar hoe treurig het winkelgebied een paar jaar geleden was. ‘Er was een winkelpassage met een perspex kap, in de straten hingen luifels, het voelde gesloten en bedompt’, zegt Bindels.
Hij stelde voor om de luifels weg te halen, maar de gemeente zag dat niet zitten. ‘Ze zeiden: dan zie je die lelijke Trespa-gevels. Waarop wij zeiden: dan gaan we die gevels aanpakken, samen met de particuliere eigenaren.’
Door beelden te tonen van de oorspronkelijke, 19de-eeuwse straten liet Bindels hen zien hoe Den Helder er ooit uit zag, en hoe je met gevelrenovatie dat beeld kunt terugbrengen. ‘Dat was voor hen echt een wauw-moment; zo kregen we uiteindelijk bijna iedereen mee.’ De Woningstichting droeg haar steentje bij door een deel van de panden op te kopen en realiseerde woningen boven de winkels.
‘Stukje bij beetje is de stad enorm opgeknapt’, zegt Van der Veen in café Nozems. Hij ziet dat mensen die na lange tijd terugkomen positief zijn verrast. Maar er is nog veel werk te verzetten, zegt Op ’t Ende in zijn kantoor. ‘De kunst is om dit plan’ – hij wijst op een kaart aan de muur, waarop achttien grote projecten staan – ‘af te maken. We zijn inmiddels ruim over de helft.’
Opgetogen toont hij artist’s impressions van het project Molenwerf, dat in april wordt opgeleverd: een voormalige houtwerf die wordt herontwikkeld tot een woonwijkje. Blikvanger is de nagebouwde houtzaagmolen, waarin twee bijzondere huizen en een bed and breakfast komen.
De stad heeft nog een troef achter de hand: het Dijkkwartier. ‘Met het hoogheemraadschap, de gemeente en de Woningstichting gaan we de komende vijf jaar de dijk op een bijzondere manier versterken, met aan de binnenzijde een 70 meter breed talud’, zegt Bindels uit. Dat vormt de ondergrond voor een nieuwe woonbuurt en tegelijk een gigantisch ‘balkon’ aan het strand. Vraag bewoners wat ze het allermooist aan Den Helder vinden, en ze wijzen nog steeds die kant op, naar de zee.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant