Drie omstreden islamitische predikers mochten afgelopen weekend toch spreken bij een Utrechts evenement. De rechtbank haalde een streep door het inreisverbod dat hun eerder door twee ministers was opgelegd. Het zorgde voor kritiek en vragen van NU.nl-lezers. Kunnen rechters wel echt objectief zijn?
Meerdere lezers vrezen dat het vonnis van de rechter om de zogenoemde haatpredikers wél toe te laten politiek gemotiveerd is. Op X en in de reacties onder artikelen op NU.nl circuleert bovendien de bewering dat rechters relatief vaak op D66 stemmen. Waar komt die stelling eigenlijk vandaan? Wat is ervan waar? En hoe objectief kun je als rechter zijn?
Voor de D66-vraag moeten we terug naar een artikel van het Reformatorisch Dagblad van vijftien jaar geleden, waar lezers vaak aan refereren. Een groot aantal rechters heeft een D66-achtergrond, stelde de krant.
Het Reformatorisch Dagblad baseerde zich daarbij op een peiling van het Studiecentrum Rechtspleging (SSR) die vlak daarvoor was verschenen. Het SSR is het eigen opleidingsinstituut van de Rechtspraak en het Openbaar Ministerie. Het instituut deed in 2010 navraag bij de (op dat moment) toekomstige rechters en aanklagers. Die worden ook wel rechterlijk ambtenaren in opleiding genoemd, oftewel raio's.
Het ging om in totaal 260 mensen, van wie iets meer dan de helft (140) de vragenlijst invulde. Van die 140 zei 31 procent op D66 te stemmen, tegenover 7 procent van de bevolking op dat moment. Dat gaat dus alleen over de rechters en aanklagers in opleiding toentertijd; dat wil niet per se iets zeggen over alle rechters op dat moment, of over het stemgedrag van de rechters in 2025.
Het SSR haalde daarnaast een peiling van Vrij Nederland met 650 respondenten uit 2008 aan: in dat jaar zei 24 procent van de rechterlijke macht op D66 te stemmen. Ook hierbij een kanttekening: dat aantal respondenten was slechts een klein deel van het totale aantal in het recht werkzame mensen in Nederland. In 2023 ging dat bijvoorbeeld om ruim twaalfduizend medewerkers.
Beide peilingen zijn dus niet per se volledig representatief en best gedateerd. Wat kunnen we daar nu over zeggen?
"Deze discussie is absoluut niet nieuw", begint rechtsfilosoof Laura Davies tegen NU.nl. "Al in 1991 werd in de Tweede Kamer gezegd dat er te veel rechters zouden zijn met een 'nieuw-liberale levensovertuiging', waarmee ook D66 werd bedoeld", legt ze uit.
Een verschil met toen is wel dat er nu veel terughoudender wordt geschreven over de politieke partijen waar rechters aan verbonden zijn of op stemmen. "Het is nu niet meer gebruikelijk dat rechters lid zijn van een politieke partij, terwijl dat eerder wel meer kon." Als voorbeeld noemt ze de in 2008 overleden Clovis Cnoop Koopmans, een Amsterdamse rechter die daarnaast politiek actief was voor de PvdA.
Volgens Davies heeft dat "deels met bedreigingen" te maken. Uitspraken en vonnissen van rechters liggen nu ook meer onder een vergrootglas dan vroeger. Eerder werden rechters, ook in de pers, met naam en toenaam bij een zaak genoemd. "Nu zijn ze veel meer op de achtergrond."
Of het klopt dat het merendeel van rechters nog steeds D66 stemt, weet Davies niet. "Daar heb ik geen recente cijfers van." Ook NU.nl vond bij een uitgebreide rondgang langs verschillende media en instituten geen recente onderzoeken naar het stemgedrag van rechters.
Wel probeert de rechterlijke macht altijd objectiviteit na te streven, gaat Davies verder. "Daarbij hoort het om politiek gezien een beetje in het midden te zitten en niet aan de extreme flanken. D66 is ergens toch een middenpartij." Dat veel rechters D66 als politieke voorkeur hebben, zou haar dus niet verbazen.
Ook hoogleraar Bestuursrecht Herman Bröring kan geen recente cijfers noemen, maar hij sluit zich bij Davies aan. "Rechters zijn politiek niet zo uitgesproken. Ze zijn eerder op de hand van 'enerzijds-anderzijds'", vindt hij. "Het zou best kunnen dat die daarom relatief veel op een middenpartij als D66 stemmen."
Maar wat is de consequentie daarvan voor rechterlijke uitspraken? "Persoonlijk denk ik niet dat mensen echt objectief kunnen zijn", merkt de rechtsfilosofe op. "Maar ik denk dat rechters heel goed getraind worden om zo objectief mogelijk te kunnen zijn." Zulke trainingen waarin aankomende rechters wordt geleerd om zich bewust te zijn van hun eigen vooroordelen en die niet mee te laten wegen, zijn standaard onderdeel van de opleiding. "Maar het blijven mensen", besluit Davies.
Daar komt bij: het recht is een vak, zegt Bröring. "Op wat voor partij een vakman zoals een timmerman stemt, is ook niet zo interessant. Een vak is een vak. Als jurist heb je geleerd hoe je feiten moet vaststellen en een bepaalde wet moet uitleggen", gaat hij verder. Daarbij speelt politieke voorkeur geen rol. "Recht is geen politiek."
Dat wil zeggen: een rechter kijkt naar de feiten. Die toetst hij of zij aan de criteria die bijvoorbeeld in wetgeving, regelgeving of bepaalde verdragen staan. Die criteria zijn bovendien niet door de rechter verzonnen, maar door de wetgever namens de samenleving vastgesteld.
"Een rechter beslist niet op basis van meningen of indrukken, maar op basis van feiten", benadrukt Bröring. En voor alles is een regel vastgelegd: ook over bijvoorbeeld de hoogte van een straf. "Soms kan op de achtergrond en bij twijfel iemands voorkeur wel een beetje een rol spelen. Dat kun je nooit helemaal uitsluiten."
Dat zal met name zo zijn bij sommige ingewikkelde zaken waarbij een rechtsregel onduidelijk is. Er kunnen dan erg veel verschillende belangen en argumenten een rol spelen, en dan zijn verschillende uitkomsten verdedigbaar. Bijvoorbeeld bij de bekende zaak tussen Urgenda en de Nederlandse Staat in 2015. Een rechter moet dan toch de knoop doorhakken en zal dat zoveel mogelijk gebaseerd op het rechtssysteem doen. Ook dan blijft staan: het recht is in de eerste plaats een professie waarin rechters slechts de regels van hun vak hanteren.
Zomaar zeggen dat een vonnis politiek gedreven is, is dan ook veel te kort door de bocht, stelt de hoogleraar. Een uitspraak is altijd op basis van de feiten en een rechtsregel gedaan. Heb je kritiek op een vonnis, dan moet je dus onderbouwen dat de rechter de feiten van een zaak verkeerd heeft vastgesteld, van een verkeerde rechtsregel is uitgegaan, of een regel verkeerd heeft toegepast, legt Bröring verder uit. "Als mensen dat niet kunnen aanvoeren, dan hebben ze geen poot om op te staan."
Source: Nu.nl algemeen