Het is een terugkerend argument: Nederland zit vol luie deeltijdprinsjes en -prinsesjes. Maar dit is een simplistische weergave van de feiten. Sterker nog: qua gewerkte uren per inwoner doet Nederland het verbluffend goed – juist vanwege parttimers.
In zijn podcast De Kamer van Klok stelde Volkskrant-hoofdredacteur Pieter Klok dat Nederlanders, met uitzondering van arbeidsmigranten, helemaal niet zoveel werken. Jona van Loenen ging hier overheen met een opiniestuk waarin hij Nederlanders reduceerde tot ‘deeltijdprinsjes en -prinsjes in een parttime paradijs’. Columnist Sander Schimmelpenninck karakteriseerde Nederlanders vervolgens op Bluesky als werkweigeraars.
Over dit artikel
Jacob-Jan Koopmans, Tijmen de Vos en Vera Vrijmoeth werken als economisch onderzoeker bij de FNV.
Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.
Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.
Deze pleidooien tegen deeltijders (lees: vaak vrouwen) zijn niet nieuw, maar wel al jaren achterhaald. Wie goed naar de cijfers kijkt ziet dat we in Nederland dankzij deeltijders niet alleen steeds meer werken, maar ook flink meer dan onze buurlanden.
Schimmelpenninck en consorten staren zich ten onrechte dood op de lengte van de werkweek. Het klopt dat er per werkende relatief weinig arbeid per week wordt verzet. Dit cijfer houdt alleen geen rekening met het aantal mensen dat werkt en vertroebelt daarom je beeld op de werkelijkheid.
Dat we in Nederland veel in deeltijd werken is namelijk onlosmakelijk verbonden met een hoge arbeidsparticipatie. Zo werken in Nederlandse huishoudens, veel vaker dan in andere landen, beide volwassenen – meestal eentje voltijds en eentje in deeltijd. Hetzelfde geldt voor de ouderen: waar in een ander land een 66-jarige allang achter de spreekwoordelijke geraniums zit, is die in Nederland nog vaak (als deeltijder) aan het werk. Ook werken Nederlandse studenten massaal, naast hun voltijdstudie, in deeltijd. In andere landen is een bijbaan als student helemaal niet zo gebruikelijk.
Al deze factoren zorgen ervoor dat er in totaal heel veel gewerkt wordt, maar ze verkorten de gemiddelde werkweek per werkende. Daarmee geeft de simplistische statistiek van de gemiddelde lengte van de werkweek een verkeerd beeld.
Om een beter beeld te krijgen van de Nederlandse werklust moet je daarom kijken naar het aantal gewerkte uren per inwoner. Dit cijfer neemt zowel de gemiddelde duur van de werkweek, het aantal werkenden en ook de lengte van het werkzame leven mee. Deze statistiek stijgt dus als iemand (meer) gaat werken en daalt als iemand minder gaat werken, in tegenstelling tot de statistiek van Van Loenen, Klok, en Schimmelpenninck. Die wordt juist hoger als deeltijders zouden stoppen met hun baan.
In de ranglijstjes van aantal gewerkte uren per inwoner doet Nederland het helemaal niet zo slecht, eigenlijk juist verbluffend goed. De afgelopentien jaar zijn we volgens Eurostat per inwoner ongeveer 1,5 uur per week meer gaan werken. We werken nu per inwoner ongeveer één uur meer dan het Europees gemiddelde. Dichter bij huis wordt het verschil alleen maar groter: we werken 2 uur meer per week dan de Duitsers, 2,5 uur meer dan de Belgen en 3 uur meer dan de Fransen. Zo werkschuw zijn we dus niet.
De (verkeerde) analyse dat Nederlanders lui zijn wordt vaak gevolgd door te stellen dat al onze arbeidsmarktkrapte-problemen als sneeuw voor de zon verdwijnen als deeltijders maar meer gaan werken. Voorstanders hiervan maken twee denkfouten.
Ten eerste onderschatten ze hoeveel er extra gewerkt zou moeten worden om onze arbeidsmarktkrapte op te lossen. Economen van DNB berekenden vorig jaar al dat alle werkenden, zowel deeltijd als voltijd, vijf uur extra zouden moeten gaan werken. Zelf classificeerden de economen dat als onrealistisch en gaven daarnaast aan dat het waarschijnlijk negatieve gevolgen zou hebben voor de arbeidsparticipatie en de arbeidsproductiviteit. Het gevolg: extra uren werken brengt ons van de regen in de drup.
Daarnaast gaan ze straal voorbij aan de bovengenoemde relatie tussen deeltijd en arbeidsparticipatie. De historische stijging van de arbeidsinzet in het afgelopen decennium viel niet toevallig samen met een stijgend aandeel van deeltijders in de beroepsbevolking. Deeltijdwerk zorgt ervoor dat meer mensen meedoen op de arbeidsmarkt, omdat ze werk beter kunnen combineren met hun andere verplichtingen. Pakken we dat van mensen af dan is de kans groot dat ze de arbeidsmarkt links laten liggen of uitvallen. Het resultaat: een lagere totale arbeidsinzet en meer krapte.
Hoog tijd dus om de deeltijders op een schild te hijsen. Het zijn geen prinsjes en prinsesjes, maar ridders. Let wel: ridders van het type Jeanne ‘d Arc. Want het zijn vooral vrouwen die de afgelopen decennia meer zijn gaan werken, naast het vele onbetaalde werk dat ze doen. Die hebben er, samen met alle andere deeltijders, nu wel eens er genoeg van om als lui te worden weggezet.
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant