In Yawm al-Firak in het Amsterdamse Foam geeft de Palestijns-Nederlandse fotograaf Sakir Khader een stem aan zeven Palestijnse jongemannen die met geweld van het leven zijn beroofd, en aan hun moeders. Khaders vereenzelviging met hun lot is begrijpelijk, maar heeft een prijs.
De loopbaan van documentaire fotograaf en filmmaker Sakir Khader (34) heeft met zijn eerste solotentoonstelling, in fotomuseum Foam in Amsterdam, een hoogtepunt bereikt. De Palestijns-Nederlandse fotograaf werd in 2024 lid van het gerespecteerde fotografencollectief Magnum. Hij was een van VPRO’s Zomergasten en bracht zijn boek, Dying to Exist uit, over leven en sterven op de Westelijke Jordaanoever. Dat land van zijn voorouders is – overbekend drama – door Israël bezet, de kern van de ongelijke, uitzichtloze strijd tussen een modern, repressief leger en het Palestijnse volksverzet.
De opening van de bescheiden tentoonstelling – ruim veertig foto’s en enkele videofilms in drie ruimten – trok massale belangstelling. Niet verwonderlijk gezien de actualiteit van de Israëlische oorlog tegen Hamas in Gaza en het gruwelijke lot van de Palestijnse bevolking. Naast het krijgsgeweld in Gaza is de internationale aandacht voor de Westelijke Jordaanoever minder intensief, terwijl ook daar de dood een alledaagse verschijning is.
Khader tilt in Yawm al-Firak, Arabisch voor Dag van het Afscheid, zeven door de Israëliërs gedode jonge mannen in vluchtelingenkamp Jenin, op de Westoever, uit de anonimiteit van het leger ‘martelaren’. Hoe gangbaar die term in de Arabische wereld ook mag zijn, hij wekt wrevel op vanwege de impliciete heldenstatus die eraan kleeft.
Er vallen talrijke onschuldige slachtoffers door Israëlische kogels, drones en bommen, maar er zijn uiteraard ook gewapende strijders die beseffen dat zij waarschijnlijk jong zullen sneuvelen en dat als onontkoombaar lot accepteren. Khaders interviews op video met jonge lefgozers – een van hen hooguit een tiener – onthullen schrijnend hoe onvermijdelijk zij hun toekomst in de tredmolen van geweld zien. Vrolijk ontkennen ze hun doodsangst.
Nadat de bezoeker gebogen onder een lijkwade door is gegaan met daarop de namen van recent gedode Palestijnse journalisten, opent de expositie met een eregalerij met portretten van de zeven gedode jongens bij leven. De meeste zijn door Khader zelf in hard zwart-wit gemaakt, wat wel aantoont hoe frequent de dood in Jenin zich aandient. Twee kleurenfoto’s zijn uitvergrote pasfoto’s van de gelijktijdig in het ziekenhuis omgebrachte broers Bazil en Mohammed Ghawazi – ze stierven voordat er een portret kon worden gemaakt.
De tweede ruimte toont wat er van de zeven is geworden – expliciet en schokkend: close beelden van hun kapotte gezichten, het bebloede, verminkte hoofd met verband omzwachteld, de ontzielde ogen nog geopend. Het zwart-wit werkt hier als een verzachtend element. Recht tegenover die onthutsende foto’s, aan de overkant van de zaal, hangen de verdrietige portretten van hun moeders. In video’s vertellen die hoe ze de Dag van het Afscheid van hun kind hebben ervaren – hartverscheurende verhalen, zonder een greintje twijfel over het gevolgde pad, of de rechtvaardigdheid van de strijd.
Enkele elementen in het bijzonder tillen de expositie uit boven een getuigenis van gruwel alleen. Het ene is de collage van drie foto’s: een metershoog landschap bij Nablus, de lucht gevuld met rook door gevechten verderop. En op die afbeelding geplakt twee foto’s vanuit een hoog standpunt: links het lijk van een jongen die door honderden rouwenden door de straten wordt gedragen. Op de foto rechts zijn moeder die de lijkstoet opwacht. Ze heeft de armen over elkaar, een oerbeeld van moederlijke onwankelbaarheid.
Zo’n tweede element is de foto van een man die op de rotsige Palestijnse grond een islamitisch gebed uitvoert, de sujud, waarbij de gelovige knielend met het voorhoofd de grond raakt, symbolisch voor de verbondenheid met de bodem waarop ooit de profeten baden. De moeder en de sujud – zij verbeelden hoe diep de Palestijnen met het land zijn verbonden, en dat geen prijs te hoog is om het te bevrijden.
Uit de gebalanceerd ingerichte tentoonstelling spreekt de enorme verbondenheid van Khader met het lot van zijn landgenoten en vrienden. Hij geeft hun een stem en een gezicht en kiest ondubbelzinnig partij. De Israëlische bezetter krijgt nergens een gezicht, hij is het onzichtbare kwaad.
Khaders vereenzelviging met hun lot is begrijpelijk, maar heeft wel een prijs. Hij sputtert niet tegen bij de blijkbaar door iedereen ervaren wetmatigheid van gewelddadig verzet. En nergens zag ik, met journalistieke distantie, een poging om een vader te laten reflecteren op zijn verantwoordelijkheden en zijn lijden. Een gemis.
Een T-shirt met bloedvlekken in een vitrine op Yawm al-Firak belichaamt de motivatie van Sakir Khader als fotojournalist de stem van de Palestijnen te worden. Het is het shirt van de vader van zijn 11 jaar oud geworden neefje Kosay, die in 2002 met twee kogels werd gedood door een Israëlische sluipschutter en stierf in de armen van zijn vader. De schutter verklaarde dat hij het kind had aangezien voor een terrorist.
Fotografie
★★★★☆
Door Sakir Khader. Foam, Amsterdam, t/m 15/5.
Dying to Exist, 550 BC, € 150.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant