Hij voelde zich als Cassandra: een toekomstvoorspeller die niet wordt geloofd, maar achteraf wel gelijk krijgt. Met zijn steun aan Paars en zijn non-conformistische standpunten in het publieke debat schudde Frits Bolkestein Nederland op. De VVD-coryfee overleed maandag op 91-jarige leeftijd.
De laatste jaren van Frits Bolkestein, maandag overleden op 91-jarige leeftijd, waren niet zijn gelukkigste. Hij verbleef samen met echtgenote Femke Boersma in het Rosa Spierhuis in Laren. De tuin was prachtig, maar bij elk bezoek liet hij luidop weten dat hij terug wilde naar zijn geliefde Amsterdam. Het was onmogelijk, onder meer omdat zijn geheugen hem ernstig in de steek liet. Maar bij gesprekken over zijn periode in de Haagse politiek klaarde Bolkestein helemaal op, en de formatie van het paarse kabinet in 1994 wist hij zich nog haarfijn te herinneren.
De totstandkoming van Paars was een doorbraak in een kleine eeuw door christen-democraten gedomineerde politiek. Het was de wensdroom van D66-leider Hans van Mierlo, maar zonder de medewerking van Bolkestein was Paars zeker niet gelukt. In het Rosa Spierhuis wist Bolkestein nog woordelijk te herhalen wat hij in de Tweede Kamer had gezegd, toen hij aanvankelijk niets zag in een kabinet met Wim Kok en Van Mierlo. ‘Dit lijkt te veel op Lubbers IV en ik wil geen Lubbers IV.’ Er is een prachtige aflevering van het programma Andere Tijden waarin Bolkestein in volle glorie is terug te zien, tijdens die formatie.
De koningin, het lot en beoogd premier Kok kwamen hem tegemoet en bij een tweede poging kwam Paars alsnog tot stand. Bolkestein bleef zelf buiten het kabinet om zijn tweede bijzondere bijdrage aan de Nederlandse politiek te leveren: met zijn heldere, geaffecteerde stem kordate uitspraken doen over allerlei omstreden kwesties die tot dan toe onder de deken van de vaderlandse consensus bleven. Hij haalde daarmee in 1998 de grootste VVD-overwinning tot dan toe en maakte zich tegelijkertijd bij links Nederland weinig geliefd.
Bolkestein was een buitenbeentje in de Nederlandse politiek, ook in zijn eigen partij, en dat is altijd ook zijn handelsmerk gebleven. Pas op 42-jarige leeftijd besloot hij lid te worden van de liberale partij en een gooi naar een Kamerzetel te doen. Hij had toen al een loopbaan bij Shell achter de rug, met plaatsingen in Oost-Afrika, Indonesië, Midden-Amerika en Parijs. Zijn Shell-periode was beslissend voor zijn blik op de Nederlandse politiek.
Hij keek niet op de Haagse politiek neer, zoals menigeen dacht. Een van zijn zegswijzen was dat ‘alle politiek lokaal is, en zelfs provinciaal’. Wel vond hij dat veel Nederlandse politici wereldvreemd waren. Naar Bolkesteins overtuiging werd een goede politicus gevormd door ervaring in de praktijk. Die praktijk was bij hem in Oost-Afrika begonnen, waar hij de filiaalhouders van Shell-pompen moest controleren en hij altijd eerst keek of de toiletten schoon waren. In dat geval was de rest meestal ook wel in orde.
Bolkestein was niet alleen een praktijkman – hij typeerde zichzelf liefst als ‘een Amsterdamse koopman’ – maar ook een intellectuele veelvraat. Ook daarin was hij een bijzondere vogel in de Haagse volière. Hij debatteerde met de linkse taalkundige Noam Chomsky en met het baken van de jaren zestig, Daniel Cohn-Bendit. Hij bezocht intellectuelen en politici die hij bewonderde, en maakte zelf tot op hoge leeftijd interviews, bijvoorbeeld met Michel Rocard, de gematigde sociaal-democratische schaduw van de Franse president François Mitterrand.
Frits Bolkestein was de telg van een Amsterdamse liberale familie. Zijn overgrootvader was melkboer, zijn grootvader minister van Onderwijs, zijn vader was jurist en bracht het tot het presidentschap van het Amsterdamse Hof. Zijn moeder werd geboren in Nederlands-Indië. Frits Bolkestein bezocht het Barlaeus Gymnasium, waarna hij studeerde en vooral reisde.
Hij was nieuwsgierig en niet verlegen. Hij werd voorzitter van studentenvereniging Asva destijds vooral gericht op het organiseren van studentenkamers. Kortstondig was hij redacteur van het blad Propria Cures, nadat hij op een bijeenkomst had gezegd dat van de Vijftigers-poëzie de helft van de regels wel kon worden weggelaten. Binnen drie maanden was hij weer uit de redactie gezet. Achteraf terecht, vond hij, en zei daarover met een typisch bolkesteiniaans aplomb: ‘Ik had toen nog geen meningen. En wie geen mening heeft, kan niet schrijven.’
Hij studeerde af in de filosofie, met als bijvakken wiskunde en Grieks. Daarna studeerde hij nog drie jaar theologie; tijdens zijn Shell-tijd in Afrika leerde hij vloeiend Swahili, en toen hij zich verveelde deed hij nog een studie rechten. Een van de redenen waarom hij zich bij de VVD meldde, was onvrede over de buitenlandse politiek en ontwikkelingshulp.
Hij vond de nieuwe wereldorde van Jan Pronk ‘barre onzin’, net als de gedachte dat de ontwikkelingslanden hun armoede danken aan onze rijkdom. Niet alleen Pronk, meer Nederlandse politici deden vooral aan Gesinnungspolitik – het demonstreren van hun zielepijn. Om dat te begrijpen, had hij veel aan zijn halve theologiestudie gehad. Alleen wie geen verantwoordelijkheid draagt, kan zich de schone handen van de gewetenspolitiek veroorloven, vond Bolkestein. Maar het was Hans van Mierlo die hem erop wees dat hij als VVD-leider in de Tweede Kamer zelf vaak een demonstratie gaf van het lutherse woord ‘hier sta ik, ik kan niet anders’. Dat had Van Mierlo goed gezien en vond Bolkestein niet leuk.
Dat Bolkestein de politiek inging uit weerzin tegen het kabinet-Den Uyl, is een mythe waaraan hij zelf van harte bijdroeg. Zijn keuze voor de VVD was meer een afvalrace dan een uiting van afkeer van de PvdA. Voor het CDA vond hij zichzelf te rationeel; D66 schatte hij in als ‘CDA zonder God’; Van Mierlo vond hij een romanticus en een bange man. Onder Drees had hij Partij van de Arbeid gestemd, maar van Nieuw Links moest hij niets hebben. De Partij van de Arbeid vond hij humorloos en laks. Zo kwam Bolkestein uit bij de VVD.
In 1978 kwam hij als vreemde eend in de Kamer. Voorafgaand ging Bolkestein het hele land door langs lokale VVD-afdelingen om zich voor te stellen, hij was immers bij iedereen nog een onbekende. Hij bleef in de Kamer vrij onzichtbaar, tot vier jaar later Ed Nijpels een historische overwinning boekte en Bolkestein staatssecretaris van Economische Zaken werd. Hij schafte het tutoyeren op het departement af en dronk tijdens handelsmissies nooit mee aan de bar, tot verdriet van ondernemend Nederland. Bolkestein ging liever een boek lezen. Zijn hele leven bleef hij een hekel houden aan smalltalk en vriendjesgedoe, in politiek en bedrijfsleven.
Onder diezelfde Nijpels verloor de VVD in 1986 weer een kwart van de vier jaar voordien gewonnen zetels. Bolkestein veegde zijn politiek leider in de fractie veertig minuten lang de mantel uit. ‘Te weinig mensenkennis, kortebaanwerk, slimmigheidjes, te weinig strategisch inzicht.’ Het was ongehoord in de Nederlandse politiek, maar de moed werd slecht beloond. Bolkestein werd vicefractievoorzitter onder Joris Voorhoeve. In 1988 volgde hij Wim van Eekelen op als minister van Defensie, nadat die op de paspoortaffaire was gesneuveld. Twee jaar later wees de fractie Bolkestein aan als nieuwe partijleider, nadat Voorhoeve zijn tanden te weinig had laten zien als aanvoerder van de oppositie.
Als VVD-leider viel hij snel op door het agenderen van kwesties waarover veelal liever werd gezwegen. Aanvankelijk wilde hij de schaduwkanten van de multiculturele samenleving, toen nog ‘het minderhedenprobleem’ geheten, depolitiseren door gezamenlijk optrekken van de middenpartijen. Toen die daarvan terugschrokken, schreef hij in 1991 een befaamd artikel in de Volkskrant: ‘Integratie minderheden moet met lef worden aangepakt’. Het was een pleidooi voor westerse waarden dat nu geen opzien meer zou baren, maar hem destijds op het verwijt kwam te staan van vissen in troebel water. Daar dachten de kiezers anders over en in 1994 ging de VVD onder zijn leiding van 20 naar 31 zetels. Een jaar later haalde zijn partij een monsteroverwinning bij de Provincialestatenverkiezingen en werd met 44 zetels de grootste partij.
Het paarse kabinet van 1994 kwam tot stand nadat zowel het CDA als de PvdA fors had verloren. Bolkestein had nooit veel heil gezien in het zogeheten Des Indesberaad waar liberalen en sociaaldemocraten al een paar jaar hadden zitten broeden op een kabinet zonder het onvermijdelijke CDA. Zelf had hij al eens in Elsevier gepleit voor het opheffen van de wederzijdse blokkade tussen VVD en Partij van de Arbeid. In 1994 was het zover, na moeilijke onderhandelingen die gewoon weer over bezuinigingen gingen. Premier Kok deed vervolgens zijn best om te laten zien dat een ‘gewoon kabinet’ aantrad. En dat was grotendeels ook zo, afgezien van de euthanasiewet en andere ‘immateriële onderwerpen’.
Bolkestein bleef fractievoorzitter en plaatste als ‘buitenboordmotor’ in de Kamer vooral kanttekeningen. Hij had grote aarzelingen over de deelname van Italië aan de euro en stuurde minister Gerrit Zalm de Europese ring in om bezwaar te maken. Die hield daaraan de bijnaam ‘Il Duro’ (de harde) over. Toch stemde Bolkestein in, met zowel de deelname van Italië aan de euro als met het Stabiliteitspact, dat een paar jaar later door toedoen van Frankrijk en Duitsland boterzacht bleek te zijn. Bij het terugblikken vond Bolkestein dat hij wat betreft de tekortkomingen van de Europese Unie gelijk had gehad, maar vaker had moeten doorbijten.
Bolkestein maakte naam als euroscepticus. Hij vond dat de Europese Unie geen federatie moest worden, omdat er geen Europees volk, geen gedeelde taal, geen rechtsgeschiedenis en geen Europese openbare mening was. Des te groter was de verrassing toen hij, na weer een verkiezingsoverwinning in 1998, aan Kok liet weten dat hij Eurocommissaris wilde worden. Zelf zei hij dat het Nederlandse volk op hem was uitgekeken, maar het had er meer van weg dat hij was uitgekeken op de Nederlandse politiek.
Hij wees voormalig vicepremier Hans Dijkstal aan als opvolger in de partij. Daar kreeg hij later spijt van, vooral omdat Dijkstal zich in de integratiekwestie van een heel andere kant liet zien dan Bolkestein. Zoals vaker als het niet liep zoals hij had gedacht, haalde hij dan zijn schouders op met de vaststelling dat hij zijn best had gedaan. Bolkestein kon zeker boos zijn op zichzelf als hij naar zijn smaak te weinig vechtlust had getoond, maar niet als hij het gestelde doel niet had bereikt.
Ook als lid van de Europese Commissie haalde hij met regelmaat de krant als dwarsligger. Hij maakte als enige bezwaar tegen het kandidaat-lidmaatschap van Turkije. Joost Lagendijk, Europarlementariër voor GroenLinks, maakte bij het aantreden van Bolkestein meteen een zwartboek, met alle negatieve uitspraken van Bolkestein over Europa. Hij noemde de nieuwbakken commissaris een ‘vegetariër in een slagerij’ en ‘een slak met een rem’. Maar de twee konden het wel vinden. Ook dat was bijzonder aan Bolkestein – hij kon opvattingen en vriendschappen uit elkaar houden.
Na vijf jaar in Brussel twijfelde niemand meer aan zijn functioneren en was zijn euroscepsis in euro-pragmatisme veranderd. Hij boekte succes met de invoering van de spaarrichtlijn, waardoor EU-lidstaten gegevens konden uitwisselen van spaarders bij buitenlandse banken. Veel moeizamer was de invoering van de dienstenrichtlijn in 2004. Die was bedoeld om de dienstensector, goed voor 70 procent van de Europese economie, gemakkelijker over de grens te laten werken. Het protest tegen de ‘Bolkestein-richtlijn’, in Frankrijk de ‘Frankensteinrichtilijn’, was immens.
Voor de Fransen was de richtlijn een van de redenen om in 2005 tegen de Europese Grondwet te stemmen. Nadat een Franse politicus had gezegd dat de weg vrij was voor de veel goedkopere ‘Poolse loodgieter’, kwamen de leden van de vakbond CGT langs bij het tweede huis van Bolkestein om de elektriciteitstoevoer los te knippen. De richtlijn die uiteindelijk in 2006 door het Europees Parlement werd aangenomen, was een fors afgezwakte versie van het oorspronkelijke voorstel.
Na zijn afzwaaien als Eurocommissaris in 2004 nam Bolkestein zijn oude rol als ‘nationaal gespreksleider’ weer op. Hij nam hartstochtelijk deel aan openbare debatten, organiseerde bijeenkomsten en etentjes op zijn kantoor aan de Amsterdamse Amstel en schreef het boek dat hij altijd al had willen schrijven, over de totalitaire verleiding voor linkse intellectuelen. Nachwuchs in zijn eigen partij had hij niet.
Bolkestein was aanvankelijk geen tegenstander van het populisme. ‘Alle politici zijn populisten’, vond hij. En: ‘Belangrijke dingen zijn eenvoudig.’ Hij was een bewonderaar van Hans Wiegel en in de tweestrijd om het partijleiderschap tussen Mark Rutte en Rita Verdonk koos hij voor Verdonk. Maar het verwijt dat hij de geestelijk vader was van zijn ‘tovenaarsleerling’ Geert Wilders, heeft hij altijd belachelijk gevonden.
Ook het verwijt neoliberaal te zijn, raakte hem niet. Bolkestein zei niet te weten wat neoliberalisme was, hij kende alleen het liberalisme, een zegswijze die later werd overgenomen door Mark Rutte. Maar met Margaret Thatchers leus ‘there is no such thing as society’ was hij het zeker niet eens.
Bolkestein liet zich niet in de schoenen schuiven dat het liberalisme de slijtage van normen en waarden in de hand werkte, en zodoende debet was aan de stijgende criminaliteit. Dat zeiden CDA’ers Ruud Lubbers of Hirsch Ballin als de VVD weer een verkiezing dreigde te winnen. Maar hij vond dat het de geïndividualiseerde samenleving ontbrak aan een ‘bezield verband’, en dat ook het aanroepen van Europese waarden geen soelaas bood. Hij wilde een verwijzing naar het christendom en het humanisme opnemen in het VVD-beginselprogramma, net als de Franse ex-president Valéry Giscard d’Estaing dat had geprobeerd bij de Europese Grondwet. Beide voornemens strandden op progressieve bezwaren.
In zijn memoires uit 2013, Cassandra tegen wil en dank, keek Bolkestein terug op zijn politieke leven en wat hij naar zijn eigen oordeel had bereikt. Hij had in zijn acht jaar als fractieleider het begrotingstekort weer een centraal thema gemaakt, een nuchterder houding tegenover de Europese Unie teweeggebracht, een kritische toon gezet over het multiculturalisme, de blokkade opgeheven tussen VVD en PvdA, en tot slot geholpen de VVD de grootste partij van Nederland te maken. Wat dat laatste betreft, is het werk van Bolkestein door Mark Rutte met verve voortgezet.
Zijn andere successen zijn verbazend snel verbleekt. Niet omdat Bolkesteins bijdragen zo weinig voorstelde, maar vanwege de wispelturigheid van de politieke tijdgeest. En vooral als gevolg van de spreekwoordelijke ‘events, my dear boy’ waar de Britse premier Harold Macmillan zo voor vreesde. Wat beklijft is een politicus die grote invloed heeft gehad op de publieke opinie. Bolkestein was klassiek conservatief-liberaal, maar tegelijk oorspronkelijk genoeg om te verrassen en nieuwe debatten uit te lokken. Hij was een markant denker en een moedig en sterk politicus.
‘Ik heb mijn uitvaart al geregeld’, zei Bolkestein in maart 2018 tegen de Volkskrant. Hij was toen 85. ‘De crematie voltrekt zich in zeer kleine kring. Zes weken daarna is er een herdenkingsbijeenkomst. Ik verzoek twaalf sprekers elk vijf minuten iets over mij te zeggen.’ Dan zal het slotakkoord van het Weihnachtsoratorium van Bach klinken.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant