Geen schaatsster is zo dominant op de 500 meter als Femke Kok. Zaterdagmiddag is de 24-jarige sprinter bij de NK afstanden in Thialf favoriet op de kortste schaatsafstand. Wat maakt haar zo goed?
is sportverslaggever voor de Volkskrant en schrijft vooral over schaatsen, zwemmen en tennis.
Negen jaar geleden gaf Thijsje Oenema eens een starttraining op het ijs bij de Friese schaatsselectie. Oenema was gestopt als topschaatser, maar was op dat moment nog steeds de nationaal recordhouder op de 500 meter. Voor haar stonden onder anderen drie meisjes van rond de 15 jaar die, al konden ze dat toen niet bevroeden, een paar jaar later onderdak zouden vinden bij een commerciële schaatsploeg en zich zouden plaatsen voor de belangrijkste mondiale wedstrijden.
‘Ze waren alle drie zo leergierig, ze wilden alles in zich opnemen. Eigenlijk waren ze toen al professioneel. Dat vond ik heel mooi om te zien’, zegt Oenema nu.
Die meisjes? Michelle de Jong, inmiddels rijdend voor IKO-X2O, en Marrit Fledderus en Femke Kok, beiden van de Reggeborgh-ploeg.
Oenema: ‘Ik denk dat het deels hun kracht is geweest dat ze zich aan elkaar konden optrekken. Maar op dat moment bedenk je niet: hier kan weleens een wereldkampioen op de 500 meter tussen zitten.’
Maar zeven jaar later, in 2023, werd Femke Kok de eerste Nederlandse wereldkampioen bij de vrouwen op de 500 meter, nadat ze in 2021 al het nationaal record van Oenema had verbeterd. Als tiener brak ze door tussen de senioren. Vorig seizoen prolongeerde Kok haar wereldtitel.
Toch is de relatief jonge carrière van Femke Kok niet louter een succesverhaal. Eind oktober bracht haar ploeg naar buiten dat ze kampte met het CMV-virus, een vermoeidheidsvirus vergelijkbaar met de ziekte van Pfeiffer, waardoor ze maandenlang geen zware inspanningen kon leveren. Ze moest de eerste seizoenshelft missen.
Imposant was haar terugkeer in het wereldbekercircuit vorige maand: ondanks haar grote trainingsachterstand was ze veruit de snelste.
Vraag Dennis van der Gun, samen met Gerard van Velde haar trainer, wat zijn pupil zo goed maakt en hij zegt dat het niet haar geduld is. Dan lacht hij en zoekt naar een voorbeeld: zoals een hondje dat wil spelen, maar moet blijven wachten in haar mand. Zoals in haar herstelperiode.
De begeleidingsstaf wilde geen risico nemen, besloot haar herstel ‘rigoureus’ en daarmee voorzichtig en met veel ‘monitoring’ aan te pakken. Het CMV-virus kan iemand een paar weken uitschakelen, maar kan ook een jaar problemen geven. Van der Gun: ‘Daarom moesten we haar trainingsbelasting heel geleidelijk opbouwen, juist om er zo snel mogelijk doorheen te komen.
‘Maar dat was moeilijk voor haar, want ze lag niet met koorts in bed. Dan vroeg ze: ik kan wel weer, mag ik schaatsen? En dan was ze teleurgesteld als we zeiden: dat gaan we echt niet doen. Ze wil heel graag hard werken. Dan moet je soms afremmen, maar het is vooral prettig samenwerken met iemand die graag wil.’
Kok is enig kind in een Fries gezin. Haar vader René reed jarenlang marathons in het A-peloton. Haar moeder Ilja schaatste in 1997 de Elfstedentocht. Op haar 2de, het was de winter van 2002 en er lag ijs op de Friese meren, werd Kok voor het eerst op schaatsen gezet. Niet op dubbele ijzers, zoals gebruikelijk bij debuterende kinderen, maar direct op houtjes. Terwijl andere kinderen het koud hadden en stonden te huilen omdat ze naar huis wilden, bleef Kok maar doorgaan.
Oenema viel het jaren geleden al op dat Kok ‘diep kon zitten’, zoals schaatsers dat noemen. Dat is aerodynamisch. Vanuit een kleine kniehoek, doorgaans van 90 graden, kan een been ook verder zijwaarts strekken. ‘En ik zag venijnigheid in haar start. Er zat pit in. Ze was niet alleen een meisje dat wilde en geconcentreerd luisterde, maar ook haar schaatstechniek was goed.’
Marianne Timmer, in 2004 de eerste Nederlandse vrouw met een wereldtitel sprint, noemt Kok ‘technisch heel goed’ en een pure sprinter. ‘Het is supergaaf om te zien hoe makkelijk zij snelheid maakt. Ze zit compact, rijdt efficiënt en heeft een mooie techniek.’
Bij het schaatsen zorgt zijwaarts afzetten juist voor voorwaartse snelheid. Oenema, die in 2012 WK-brons pakte op de 500 meter, looft het vermogen van Kok om vanaf haar start met een goede schaatstechniek weg te schaatsen. Schaatsers zijn op de eerste 50 meter geneigd te ‘rennen’, zegt de oud-schaatser. Uit gretigheid. ‘Omdat je denkt: ik wil snel zijn.
‘Maar dan gaan mensen vaak omhoog en naar voren bewegen, wat juist veel energie kost en minder oplevert. Femke kan haar slag mooi zijwaarts houden, waardoor ze veel kracht kwijt kan.’
Ze is sterk, maar absoluut niet de sterkste in de krachttraining, weet Van der Gun. Ze is explosief, en beschikt over een hoog atletisch vermogen, stelt hij ook. Op de atletiekbaan sprint ze soms met de mannen van haar ploeg mee. Soms probeert de trainer zelf mee te doen. ‘Dan kan ik haar niet bijhouden.’
Ook kan ze goed fietsen. ‘Ze heeft uithoudingsvermogen en had een heel goede zomer gedraaid. Ik weet voor honderd procent zeker dat ze ook goede 1.000 meters had gereden als ze niet ziek was geworden.’ Ook zegt hij: ‘Een van haar sterke punten is dat ze ook als het even niet gaat, altijd positief blijft.’
Van der Gun ziet dat Kok steeds stabieler wordt op het ijs. Kon ze in het verleden soms wisselvallig presteren in trainingen, nu is haar niveau vaak constant goed.
Timmer noemt haar ‘in control’, met doorgaans weinig misslagen in haar races. Iets wat ook Oenema opvalt: ‘Ze maakt keurig haar slag af. Ze kan gecontroleerd heel hard rijden, zowel op de eerste honderd meter als in het rondje dat volgt. Dat is knap.’
Het is geen vanzelfsprekendheid, die keurigheid. Sprinters kunnen ‘in hun hoofd gaan zitten’, weet Oenema. Op de kortste schaatsafstand is er geen ruimte om een misslag te herstellen. Daar moet alles kloppen, en dat geeft extra druk.
Oenema: ‘Elke sprinter kan te veel nadenken. Bezig zijn met randzaken als: ik moet goed stilstaan bij de start. Ik mag geen misser hebben. Of: o, mijn tegenstander doet iets geks.
‘Werken op hoge snelheid vraagt veel van je coördinatie. Eigenlijk moet je tijdens een wedstrijd vooral niet meer veel nadenken en hooguit bezig zijn met een of twee taken.’
Oenema trainde in het verleden één seizoen onder Van der Gun, en prijst ook hem. ‘Hij is er heel goed in om sprinters met beide benen op de grond te zetten en mensen heel hard te laten schaatsen.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant